ECLI:NL:RBLIM:2020:7879
Rechtbank Limburg
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Officier van justitie niet-ontvankelijk in ontnemingsvordering wegens overschrijding wettelijke termijn
De zaak betreft een ontnemingsvordering tegen verdachte, waarbij het openbaar ministerie werd betoogd niet-ontvankelijk te zijn wegens overschrijding van de tweejaarstermijn zoals bedoeld in artikel 511b lid 1 Sv. De strafzaak zelf kende een complexe procedure met een aanvankelijke niet-ontvankelijkverklaring in 2013, die door het hof in 2015 werd vernietigd en terugverwezen.
De kern van het geschil betrof de vraag wanneer de termijn van twee jaar voor het aanhangig maken van de ontnemingsvordering is gaan lopen en of deze termijn verlengd kon worden door sluiting en heropening van het strafrechtelijk financieel onderzoek (SFO). De rechtbank oordeelde dat de termijn begon te lopen op 11 oktober 2013, de datum van de niet-ontvankelijkverklaring door de rechtbank, en dat er geen sluiting en heropening van het SFO had plaatsgevonden die de termijn zou verlengen.
De rechtbank verwierp het standpunt van het openbaar ministerie dat de termijn pas zou beginnen na een inhoudelijke uitspraak over de feiten. Gezien de forse overschrijding van de termijn en de onduidelijkheid over de sluiting van het SFO, concludeerde de rechtbank dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de ontnemingsvordering. Deze beslissing is genomen ter bescherming van de rechtszekerheid en het voorkomen van onnodige vertraging in ontnemingsprocedures.
Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard in de ontnemingsvordering wegens overschrijding van de wettelijke termijn.