ECLI:NL:RBLIM:2020:8144

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
21 oktober 2020
Publicatiedatum
22 oktober 2020
Zaaknummer
8662975 \ CV EXPL 20-3517
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:625 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering achterstallig salaris en vakantiegeld toegewezen tegen werkgever

Eiser, werknemer bij gedaagde werkgever, vorderde betaling van achterstallig salaris, vakantiegeld, niet-betaalde vakantiedagen, wettelijke rente, wettelijke verhoging en buitengerechtelijke incassokosten. De arbeidsovereenkomst liep van april 2018 tot september 2019, waarbij eiser een BBL-opleiding volgde en 38 uur per week werkte tegen een bruto maandsalaris van €764,07.

Gedaagde beëindigde de arbeidsovereenkomst per 1 september 2019 en reageerde na uitstelverzoek niet meer op de vorderingen. De kantonrechter stelde vast dat eiser slechts een deel van het gevorderde salaris concreet onderbouwde en wees dit bedrag toe. Ten aanzien van vakantiedagen werd een lager bedrag dan gevorderd toegewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

De buitengerechtelijke incassokosten werden conform het toepasselijke Besluit gemaximeerd tot €244,71 inclusief btw. De overige vorderingen werden als niet weersproken toegewezen. Gedaagde werd veroordeeld in de proceskosten, begroot op €526,67. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde werd afgewezen.

Uitkomst: Werkgever wordt veroordeeld tot betaling van achterstallig salaris, vakantiegeld, vakantiedagen, wettelijke rente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 8662975 \ CV EXPL 20-3517
Vonnis van de kantonrechter van 21 oktober 2020
in de zaak van:
[eiser],
wonende [adres 1] ,
[woonplaats] ,
eisende partij,
gemachtigde mr. C.H.J. Voncken-Crijns,
tegen:
[gedaagde] ,t.h.o.d.n.
[handelsnaam],
wonende [adres 2] ,
[woonplaats] ,
gedaagde partij,
verschenen bij [naam] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- het verzoek om uitstel van gedaagde partij.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
Eisende partij vordert – zakelijk weergegeven – veroordeling van gedaagde partij tot betaling van:
een bedrag van € 942,84 (netto) aan achterstallig salaris, een bedrag van € 130,84 (bruto) aan vakantiegeld en een bedrag van € 266,60 (bruto) aan vakantiedagen,
de wettelijke rente over de onder punt 1. genoemde bedragen vanaf 1 september 2019 tot volledige betaling,
de wettelijke verhoging van 50% ex artikel 7:625 BW Pro over de onder punt 1. genoemde bedragen,
de buitengerechtelijke kosten ad € 833,00 inclusief btw,
de proceskosten.
2.2.
Eisende partij stelt vanaf 24 april 2018 bij gedaagde partij in dienst te zijn getreden. Vanaf 1 september 2018 tot en met 1 september 2019 was eisende partij voor gedaagde partij werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor een wekelijkse arbeidsduur van 38 uren en een bruto maandloon van € 764,07. Eisende partij volgt een BBL opleiding en verrichtte mede in dat kader werkzaamheden voor gedaagde partij.
2.3.
Op 27 augustus 2019 heeft gedaagde partij eisende partij mondeling laten weten dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden voortgezet. Op 1 september 2019 is de arbeidsovereenkomst geëindigd.
2.4.
Eisende partij stelt nog recht te hebben op betaling van achterstallig salaris, over 2018 zijnde een bedrag van € 994,69 netto en over 2019 zijnde een bedrag van € 82,05 netto, totaal € 1.076,74 netto. Daarnaast maakt eisende partij nog aanspraak op het vakantiegeld over de maanden juli en augustus 2019, zijnde een bedrag van € 130,84 bruto en 7 vakantiedagen, ten bedrage van € 246,85 bruto.
2.5.
Gedaagde partij heeft, na verkregen uitstel niet meer geantwoord.
2.6.
Aangezien eisende partij ten aanzien van het achterstallig salaris slechts een bedrag groot € 942,84 netto vordert, zal dit bedrag worden toegewezen.
2.7.
Eisende partij vordert ten aanzien van de niet-betaalde vakantiedagen een bedrag van € 266,60 bruto. Nu eisende partij in het lichaam van de dagvaarding heeft gesteld nog recht te hebben op een bedrag groot € 246,85, zal dit bedrag worden toegewezen en wordt het overige bedrag groot € 19,75 als onvoldoende onderbouwd afgewezen.
2.8.
Eisende partij maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim op/na 1 juli 2012 is ingetreden. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief ad € 244,71 inclusief btw.
2.9.
De overige vordering van eisende partij staat als niet weersproken tussen partijen vast en behoort als onvoldoende betwist te worden toegewezen.
2.10.
Gedaagde partij zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure. De kosten aan de zijde van eisende partij worden begroot op:
  • dagvaarding € 110,67
  • griffierecht € 236,00
  • salaris gemachtigde €
totaal € 526,67

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:
een bedrag van € 942,84 (netto) aan achterstallig salaris, een bedrag van € 130,84 (bruto) aan vakantiegeld en een bedrag van € 246,85 (bruto) aan niet-betaalde vakantiedagen
de wettelijke rente over de onder punt 1. toegewezen bedragen vanaf 1 september 2019 tot de dag van volledige betaling
de wettelijke verhoging van 50% ex artikel 7:625 BW Pro over de onder punt 1. toegewezen bedragen
de buitengerechtelijke incassokosten ad € 244,71 inclusief btw,
3.2.
veroordeelt gedaagde partij in de kosten van de procedure aan de zijde van eisende partij gevallen en aan die zijde tot op heden begroot op een bedrag van € 526,67,
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en in het openbaar uitgesproken.
type: JEC