Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
[gedaagde in hoofdzaak, verweerder in incident sub 2],
1.De procedure
- de dagvaarding van 24 juli 2020 met producties 1 tot en met 20,
- de conclusie van antwoord in incident met producties 1 tot en met 7.
2.Waarvan bij de beoordeling van het incident wordt uitgegaan
3.De vordering
4.De beoordeling
“met uiteenlopende oogmerken, zoals het verkrijgen van informatie in verband met (voorgenomen) onderhandelingen of met het oog op het voeren van of de bewijslevering in een lopende of mogelijke procedure”.Of een partij een rechtmatig belang heeft bij een inzagevordering is casuïstisch. Zijn de bescheiden waar aanspraak van wordt gevorderd van belang voor de beoordeling van de vordering? Daaraan is voldaan wanneer een partij ‘voldoende’ belang heeft bij de vordering (ECLI:NL:HR:2016:612). De bescheiden dienen relevant voor de rechtspositie van verzoekende partij te zijn, maar hoeven niet van doorslaggevend belang te zijn.
fishig expeditionwordt voorkomen (Parl. Gesch. Burgerlijk Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 533).
5.De beslissing
4 november 2020voor conclusie van antwoord,