Uitspraak
RECHTBANK limburg
Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 november 2020 in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR
Procesverloop
Overwegingen
aanstalten(
onderstreping rechtbank) had gemaakt tot het besturen van zijn personenauto. Uit dit proces-verbaal kan de rechtbank niet afleiden dat eiser daadwerkelijk bestuurdershandelingen heeft verricht, zoals bijvoorbeeld het verplaatsen van zijn auto op de parkeerplaats waarop hij werd aangetroffen. De rechtbank kan verweerder niet volgen in zijn stelling dat eiser enkel door het starten van zijn motor op de plaats waar hij - naar zijn gemachtigde ter zitting onbetwist heeft betoogd - zijn auto eerder die avond had geparkeerd en het daar vervolgens bij te laten een bestuurdershandeling heeft verricht. Het standpunt van eiser is dat hij niet alleen feitelijk niet heeft gereden/opgetreden is als bestuurder, maar ook dat hij niet de bedoeling heeft gehad om met de auto te gaan rijden/op te treden als bestuurder en dat standpunt is niet weerlegt door de constatering van de politie. De politie heeft eiser immers slapend aangetroffen in zijn geparkeerde personenauto. In dit opzicht heeft eiser er terecht op gewezen dat de in dit verband door het CBR aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BQ8798) niet van toepassing is, omdat sprake is van een andere situatie. In die zaak werd de personenauto namelijk aangetroffen met drie wielen op de rijbaan en het rechter voorwiel op het trottoir.
Beslissing
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 3 gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit 3;
- draagt verweerder op binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,00 aan eiser te vergoeden.
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op