11.10.De voorzieningenrechter overweegt hierover dat niet in geding is dat ten tijde van de inspectie het pand leegstond. Er is echter op dat tijdstip geen sprake van aanwijzingen die duiden op ondermijnende of criminele activiteiten. Met het (niet) gebruik van het pand was op dat moment niets aan de hand. De voorzieningenrechter overweegt dat hieraan ook andere redenen ten grondslag kunnen liggen zoals de keuze van de huurder om om welke reden dan ook op een later tijdstip van start te gaan. Eveneens was op dat moment geen sprake van een betalingsachterstand van de huurpenningen of van een andere tekortkoming van de kant van de huurder. Hierbij merkt de voorzieningenrechter op dat verzoekers eveneens voldaan hadden aan hun kwartaalgewijze onderzoekplicht, zoals opgenomen in de informatie over de wijze waarop problemen kunnen worden voorkomen in het kader van de hierboven genoemde campagne.
12. Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter dan ook van oordeel dat het handelen van de verweerder overeenkomstig het Damoclesbeleid in dit geval voor verzoekers gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met dit beleid te dienen doelen. De belangen van verzoekers dienen te prevaleren boven het belang van de verweerder.
13. Gelet op het voorgaande dient het beroep van verzoekers gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De voorzieningenrechter ziet vervolgens aanleiding om, gelet op hetgeen hierboven is overwogen en het feit dat ter zitting is gebleken dat verweerder het niet eens was, en zal zijn met een beslissing dat een sluiting voor 6 maanden in dit geval niet evenredig is, zelf in de zaak te voorzien en het primaire besluit te herroepen.
14. Verzoekster heeft aangedragen dat zij als nieuwe huurder onevenredig hard getroffen wordt door een sluiting van de loods voor de duur van zes maanden. Verzoekster stond reeds voor de inval van 24 maart 2021 in contact met verzoekers over een eventuele huur van de loods. Op 23 maart 2021 (een dag voor de inval) hebben verzoekers een afspraak gemaakt om op 26 maart 2021 de loods te gaan bezichtigen. Naar aanleiding van de bezichtiging hebben verzoekers mondelinge overeenstemming bereikt over het huren van de loods. Op een later moment hebben verzoekers een schriftelijk huurovereenkomst getekend waaruit volgt dat verzoekster met ingang van 1 mei 2021 de nieuwe huurder van de loods is.
15. In punt 13 van het Damoclesbeleid is het volgende opgenomen: “Een wijziging in de huursituatie wordt als niet terzake doende beschouwd indien deze wordt aangebracht nadat het voornemen tot oplegging van een last onder bestuursdwang is uitgegaan. De ratio hierachter is dat de verhuurder niet met het plaatsen van andere huurders onder de oplegging van een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom kan uitkomen. Het is immers op dat moment nog steeds noodzakelijk de ernstige gevolgen van de drugshandel teniet te doen door onder meer de loop van een dergelijk pand te halen. Het enkel plaatsen van nieuwe huurders leidt niet tot het voorkomen van herhaling van een met de wet strijdige situatie.” Tijdens de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening in bezwaar is door de burgemeester betoogd dat hier sprake is van een situatie als bedoeld in punt 13 van het Damoclesbeleid. De voorzieningenrechter was het toen met de burgemeester eens dat er met het sluiten van de huurovereenkomst een nieuw belang is gecreëerd, hetgeen echter niet betekende dat aan dit nieuwe belang bij de beoordeling geheel voorbij moet worden gegaan. Hierbij sluit de voorzieningenrechter zich aan.
16. Vast staat dat verzoekster vanaf de dag van de bezichtiging van het pand, zijnde
26 maart 2021, op de hoogte was van de situatie die zich tot 24 maart 2021 heeft voorgedaan in de loods. Een mogelijke sluiting van de loods was hierdoor, mede gelet op het geldende Damoclesbeleid, reeds kenbaar voor verzoekster. Ter zitting is door verzoekster onweersproken gesteld dat reeds op 15 maart 2021 verzoekster in contact stond met verzoekers over de huur van het pand. Op 22 maart 2021 heeft verzoekster zich tot verweerder gewend met een aantal vragen over het onderhavige pand. Daarbij is aangegeven dat men zich in de onderhandelingsfase bevindt. Op 26 maart 2021, derhalve vóórdat het voornemen van verweerder om het pand te sluiten naar de verhuurders was verzonden, was mondelinge overeenstemming bereikt over de huur van het pand. Eveneens staat vast dat door de burgemeester niet is bestreden dat de loods na 24 maart 2021 door verzoekster is opgeknapt, dat er (commerciële) bedrijvigheid plaatsvindt, dat er nieuwe sloten zijn aangebracht en dat er niet langer een connectie is met de drugscriminaliteit. In de zienswijzen van zowel verzoekers (verhuurders) van 15 april 2021 is aangegeven dat de nieuwe huurder op eigen kosten de nodige werkzaamheden heeft uitgevoerd die het pand een geheel nieuwe en frisse aanblik geven, zowel buiten als binnen. Verzoekster heeft in haar zienswijze van 19 april 2021 aangegeven al weken bezig te zijn om de ravage die de vorige huurders hebben achtergelaten te herstellen.
17. Wat er ook zij van het sluiten van de overeenkomst op 1 mei 2021 is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder de belangen van verzoekster onvoldoende heeft meegewogen in het bestreden besluit. Op de eerste plaats is in de onderliggende zaak sprake van een nieuwe huurder. Daarbij laat de voorzieningenrechter niet alleen wegen de periode die voorafging aan de indiening van de zienswijzen en de in die periode getroffen maatregelen door verzoekster maar ook de overige belangen die verzoekster heeft aangevoerd, zoals het aangaan van contracten, het in dienst nemen van werknemers, het feit dat de onderneming zich in een opstartfase bevindt en dat derhalve van belang is dat daadwerkelijk gestart kan worden en anders klanten niet bediend kunnen worden met als uiterste consequentie een faillissement.
18. Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter ook ten aanzien van verzoekster van oordeel dat het handelen van de verweerder overeenkomstig het Damoclesbeleid in dit geval voor verzoekster gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met dit beleid te dienen doelen. De belangen van verzoekster dienen te prevaleren boven het belang van de verweerder.
19. Gelet op het voorgaande dient ook dit beroep gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De voorzieningenrechter ziet vervolgens aanleiding om, gelijk al eerder overwogen, zelf in de zaak te voorzien en het primaire besluit te herroepen.
20. Omdat de voorzieningenrechter de beroepen gegrond verklaart, bepaalt hij dat verweerder aan verzoekster en verzoekers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.
21. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekers (verhuurders) gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.992,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, gelijk aan het beroepschrift, 1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, telkens met een waarde per punt van € 748,- en wegingsfactor 1).
22. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster (huurster) gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.740,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift,
1. punt voor het verschijnen ter zitting, telkens met een waarde per punt van € 748,- en wegingsfactor 1).
23. De verzoeken om voorlopige voorziening worden afgewezen omdat, nu de voorzieningenrechter zelf in de hoofdzaken voorziet, geen noodzaak meer bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening