Verzoekster is eigenaar van een woning waarin op 6 mei 2021 een hennepplantage met 165 planten werd aangetroffen. Verweerder legde op grond van artikel 13b van de Opiumwet een last onder bestuursdwang op tot sluiting van de woning voor drie maanden. Verzoekster betoogde dat zij niet verantwoordelijk was omdat haar ex-partner in de woning verbleef en dat de sluiting onevenredig zou zijn vanwege haar minderjarige kind en haar hulpverleningssituatie.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder bevoegd was tot sluiting en dat de ernst van de overtreding, de omvang van de hennepplantage en de ligging in een kwetsbare buurt de sluiting rechtvaardigen. De verwijtbaarheid van verzoekster werd aangenomen omdat zij redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn van de hennepplantage. De aanwezigheid van het minderjarige kind en de hulpverlening werden meegewogen, maar vormden geen reden om van sluiting af te zien.
De voorzieningenrechter concludeerde dat de belangenafweging in overeenstemming was met het evenredigheidsbeginsel en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die de sluiting onevenredig maakten. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.