ECLI:NL:RBLIM:2022:2668

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
6 april 2022
Publicatiedatum
6 april 2022
Zaaknummer
ROE 19/2060
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 AVGArt. 12 lid 5 AVGArt. 6:19 AwbArt. 8:74 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Inzageverzoek persoonsgegevens onder AVG deels toegewezen na vernietiging besluit gemeente Maastricht

Eiseres verzocht de gemeente Maastricht om inzage in haar persoonsgegevens op grond van artikel 15 van Pro de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). De gemeente wees het verzoek deels af met het argument dat het inzageverzoek buitensporig was. Eiseres stelde beroep in tegen dit besluit.

De rechtbank Limburg oordeelde in een tussenuitspraak dat de gemeente ten onrechte het inzageverzoek over de periode van 26 mei 2018 tot en met 16 december 2018 niet had behandeld. De gemeente kreeg de gelegenheid dit gebrek te herstellen en nam een aanvullend besluit waarin zij alsnog inhoudelijk op dit deel van het verzoek besliste.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen het oorspronkelijke besluit gegrond en vernietigde het deel waarin de gemeente niet had beslist, maar liet de rechtsgevolgen van het vernietigde deel in stand omdat het aanvullend besluit het gebrek herstelde. Het beroep tegen het aanvullend besluit werd ongegrond verklaard omdat eiseres geen zienswijze had ingediend. De rechtbank besloot tot vergoeding van het betaalde griffierecht aan eiseres en wees proceskostenvergoedingen af.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van de gemeente Maastricht wordt gegrond verklaard en het besluit wordt deels vernietigd, waarna de gemeente alsnog besliste op het inzageverzoek.

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 19/2060

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 april 2022 in de zaak tussen

[naam 1] , wonende in [plaats], eiseres

en

de raad van de gemeente Maastricht, verweerder

(gemachtigde: [naam 2] ).

Procesverloop

Bij besluit van 15 maart 2019 heeft verweerder beslist op het inzageverzoek van eiseres dat is gebaseerd op artikel 15 van Pro de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) (hierna: het inzageverzoek).
Bij besluit van 26 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het besluit van 15 maart 2019 onverkort gehandhaafd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2021. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn hiervoor genoemde gemachtigde en [naam 3] en [naam 4] , beiden werkzaam bij de gemeente van verweerder.
Bij tussenuitspraak van 17 juni 2021 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na dagtekening van de tussenuitspraak het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in de tussenuitspraak.
Bij tweede tussenuitspraak van 15 juli 2021 (de verlengingsuitspraak) heeft de rechtbank de termijn die zij verweerder heeft gegeven om het gebrek te herstellen, verlengd tot
5 oktober 2021.
Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak op 28 september 2021 een aanvullend besluit genomen.
Eiseres heeft hierop geen schriftelijke zienswijze gegeven.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).
2. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het beroep van eiseres slaagt voor zover zij heeft aangevoerd dat verweerder in strijd met artikel 12, vijfde lid, van de AVG heeft geweigerd aan het inzageverzoek over de periode 26 mei 2018 tot en met
16 december 2018 gevolg te geven. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen door alsnog bij aanvullend besluit inhoudelijk te beslissen op het inzageverzoek over de periode 26 mei 2018 tot en met 16 december 2018.
3. Bij aanvullend besluit heeft verweerder in een overzicht persoonsgegevens van eiseres opgenomen die zijn verwerkt in de periode van 26 mei 2018 tot en met
16 december 2018.
Het beroep tegen het bestreden besluit
4. De rechtbank stelt vast dat verweerder met het aanvullend besluit het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek in het bestreden besluit heeft hersteld. Zij zal het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren, omdat hiervoor onder 2 genoemde beroepsgrond slaagt, het bestreden besluit vernietigen, voor zover verweerder heeft nagelaten te beslissen op het inzageverzoek over de periode 26 mei 2018 tot en met
16 december 2018 en de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit in stand laten, omdat het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek in het bestreden besluit met het aanvullend besluit is hersteld.
Het beroep van rechtswege
5. Het aanvullend besluit is een besluit tot wijziging van het bestreden besluit. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep dat eiseres heeft ingesteld tegen het bestreden besluit van rechtswege ook gericht tegen het aanvullend besluit. Eiseres heeft tegen het aanvullend besluit geen zienswijze ingediend. De rechtbank leidt hieruit af dat eiseres geen bezwaren heeft tegen dit besluit. Haar van rechtswege ontstane beroep tegen het aanvullend besluit is daarom ongegrond. Dit betekent dat dit besluit geheel in stand blijft.
Griffierecht
6. De rechtbank zal bepalen dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt, zoals artikel 8:74, eerste lid, van de Awb voorschrijft in geval het beroep gegrond wordt verklaard. In de regel wordt dit niet bepaald in een geval als dit waarin naast gegrondverklaring van het oorspronkelijke beroep, het beroep van rechtswege tegen het 6:19-besluit ongegrond wordt verklaard. Dit omdat griffierecht voor dit laatste beroep verschuldigd zou zijn als in een afzonderlijke beroepsprocedure tegen het 6:19-besluit zou worden opgekomen. De rechtbank ziet in dit geval reden voor een uitzondering op deze regel, omdat eiseres geen zienswijze heeft ingediend tegen het aanvullend besluit en daarom niet zonder meer kan worden gezegd dat zij heeft willen opkomen tegen dat besluit, zodat in dit geval van de hiervoor omschreven situatie niet kan worden uitgegaan.
7. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding, omdat niet is gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking zouden moeten komen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit gegrond, vernietigt het bestreden
besluit voor zover verweerder daarbij heeft nagelaten op het inzageverzoek over de periode 26 mei 2018 tot en met 16 december 2018 te beslissen en
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit in stand blijven;
- verklaart het beroep van rechtswege tegen het aanvullend besluit ongegrond;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J.J. Derks-Voncken, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.W.C.M. Frings, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 april 2022
De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak te ondertekenen.
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op: 6 april 2022

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, de tussenuitspraak en de verlengingsuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.