Uitspraak
RECHTBANK limburg
uitspraak van de meervoudige kamer van 25 april 2022 in de zaak tussen
[namen eiser en eiseres]
Procesverloop
Overwegingen
Tenslotte heeft verweerder opgenomen dat de door eisers naar voren gebrachte belemmeringen voor het aanvragen van leefloon in België (te vergelijken met een algemene bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet), te weten het eventueel verlies van het verblijfsrecht in België waardoor eisers genoodzaakt zijn om naar Nederland te verhuizen, niet maken dat eisers daarom recht op een bijstandsuitkering op grond van de Tozo 1 hebben. Daar komt volgens verweerder nog bij dat het geenszins van te voren vaststaat dat een beroep op het leefloon in België zal leiden tot het verlies van het recht op verblijf aldaar. Daarom heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat van eisers verwacht mag worden dat zij bij een eventuele noodsituatie een beroep doen op het sociale bijstand in België.
a. voldoet aan de wettelijke vereisten voor de uitoefening daarvan;
“In het kader van de volgende bepalingen zijn beperkingen van de vrijheid van vestiging voor onderdanen van een lidstaat op het grondgebied van een andere lidstaat verboden. Dit verbod heeft eveneens betrekking op beperkingen betreffende de oprichting van agentschappen, filialen of dochterondernemingen door de onderdanen van een lidstaat die op het grondgebied van een lidstaat zijn gevestigd.
“Nederlanders die zich in het buitenland hebben gevestigd maken evenmin deel uit van de kring van rechthebbenden, zoals blijkt uit de toevoeging «hier te lande» in artikel 8, eerste lid. De bestaande wet bevat in artikel 82 de Pro mogelijkheid om in bepaalde omstandigheden aan een Nederlander in het buitenland bijstand te verlenen; dit is een bevoegdheid van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, die eveneens zorg draagt voor de uitvoering. Genoemde mogelijkheid is in dit wetsvoorstel niet meer opgenomen. De herbezinning aangaande de kerntaken van het ministerie in het kader van de Grote Efficiency Operatie heeft geleid tot het voornemen de verlening van bijstand aan Nederlanders in het buitenland met ingang van 1994 te beëindigen. Hierbij is overwogen dat de werkingssfeer van de ABW als rechtscheppende voorziening zich niet dient uit te strekken buiten het Nederlandse grondgebied en dat het niet langer gewenst is op dit uitgangspunt een uitzondering te maken door middel van een kan-bepaling als in het bestaande artikel 82. De ministeriële uitvoeringstaak die aan genoemd artikel is verbonden, past bovendien niet bij de decentrale uitvoering van de ABW en wordt, bij nadere afweging in het kader van genoemde operatie, evenmin beschouwd als een in de toekomst te handhaven taak van de centrale overheid. Een rol speelt verder dat de Nederlandse overheid in de gevallen waarin thans aan Nederlanders in het buitenland bijstand wordt verleend (het gaat hierbij om ongeveer 800 gevallen), nauwelijks invloed kan uitoefenen ter opheffing van de bijstandsafhankelijkheid, terwijl ook de mogelijkheden tot controle op de rechtmatigheid van de uitkeringen naar actuele maatstaven noodzakelijkerwijs tekortschieten. Ten aanzien van de lopende gevallen zal in de Invoeringswet een overgangsregeling worden getroffen, waarbij het uitgangspunt zal gelden dat de bestaande uitkeringen zoveel mogelijk zullen worden voortgezet zolang de noodzaak daartoe aanwezig is. Voor nieuwe gevallen zal gelden dat men bij verlies van de zelfstandige bestaansvoorziening in het buitenland zal zijn aangewezen op de sociale voorzieningen ter plaatse, dan wel dat men terugkeert naar Nederland, waar men dan in principe voor bijstand in aanmerking komt.”
in totaal(cursivering door de rechtbank) zo'n 13.600 in Nederland gevestigde ondernemingen zijn waarvan de eigenaar in België of Duitsland woont. Volgens een schatting van de KvK bedraagt de totale doelgroep ongeveer 20.000 personen. Verweerder heeft niet inzichtelijk gemaakt welk deel van deze doelgroep in aanmerking komt voor een Tozo-uitkering en evenmin onderbouwd waarom deze relatief beperkte groep als zodanig een onevenredige belasting van het sociale bijstandsstelsel van Nederland als geheel oplevert. Daarbij betrekt de rechtbank eveneens dat de Tozo 1 beperkingen in lasten kent in die zin dat de uitkeringsduur maximaal drie kalendermaanden bedraagt.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op een nieuw besluit op het bezwaar van eisers te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 48,- vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.518,-.
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 april 2022 .