Verzoekster ontvangt sinds 2006 een bijstandsuitkering en staat ingeschreven op een adres in Venlo. Naar aanleiding van een melding over een wietdump waarbij een brief met haar adres werd gevonden, startte het college een onderzoek naar haar woon- en leefsituatie. Dit onderzoek bestond uit administratief onderzoek en acht waarnemingen bij haar woning. Er ontstond twijfel over haar verblijf, mede doordat haar zoon meldde dat zij in Turkije verbleef.
Verzoekster werd uitgenodigd voor gesprekken, maar verscheen niet op de eerste afspraak en weigerde medewerking aan een huisbezoek na een later gesprek. Het college trok daarop de bijstandsuitkering per 7 juni 2022 in wegens het niet kunnen vaststellen van het recht op bijstand. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg een voorlopige voorziening aan.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het college terecht gebruik heeft gemaakt van haar onderzoekbevoegdheid en dat er voldoende concrete aanwijzingen waren voor een huisbezoek. De weigering van verzoekster om medewerking te verlenen kon aan het besluit tot intrekking worden toegerekend. Er was geen zwaarwegend belang om het huisbezoek te weigeren. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter en bindt niet in een eventueel bodemgeding. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.