De rechtbank Limburg behandelde het beroep van Stichting Duprofa Convenience Fund, rechtsopvolger van Beleggingsmaatschappij De Wieen B.V., tegen een omgevingsvergunning verleend door de gemeente Venlo voor het vergroten van een supermarkt en winkelgebouw. Eiseres stelde dat de vergunning in strijd was met het gemeentelijk beleid, dat een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) van de gemeenteraad ontbrak, en dat de parkeerbehoefte onjuist was onderbouwd.
De rechtbank oordeelde dat eiseres ontvankelijk was omdat zij als rechtsopvolger werkzaam is in hetzelfde marktsegment en verzorgingsgebied als vergunninghouder. Vervolgens werd het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a Awb toegepast, waarbij werd geoordeeld dat de door eiseres aangevoerde normen niet streken tot bescherming van haar belangen omdat zij geen relevante leegstand aannemelijk had gemaakt.
Ook de procedurele klacht over het ontbreken van een vvgb werd afgewezen, evenals de stelling dat de parkeernormen niet werden nageleefd. De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond was en dat er geen aanleiding was tot vernietiging van het bestreden besluit. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.