Uitspraak
1.De procedure
- de conclusie van antwoord
- de mondelinge behandeling van 11 september 2023.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Limburg
De werknemer, werkzaam bij een in Duitsland gevestigde vennootschap, vordert in Nederland betaling van achterstallig loon en doorbetaling tot rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De arbeidsovereenkomst is op Duits recht gebaseerd en de werknemer heeft in Duitsland een bodemprocedure tegen de opzegging aanhangig gemaakt.
De Nederlandse kantonrechter toetst zijn internationale bevoegdheid aan de Verordening (EU) nr. 1215/2012 en het arrest Van Uden/Deco-Line van het Europees Hof van Justitie. Omdat de Duitse rechter zich bevoegd acht en de zaak daar eerder is aangebracht, moet de Nederlandse rechter zich in beginsel onbevoegd verklaren volgens artikel 29 van Pro de Verordening.
De Nederlandse rechter kan alleen op grond van artikel 35 van Pro de Verordening voorlopige maatregelen treffen, mits er een reële band is met Nederland en de werkgever vermogensbestanddelen in Nederland heeft. De werkgever ontkent dit en de werknemer heeft geen concrete aanwijzingen van het tegendeel.
De kantonrechter concludeert dat niet aan de voorwaarden voor voorlopige maatregelen is voldaan en verklaart zich internationaal onbevoegd. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt, omdat geen kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht is vastgesteld.
Uitkomst: De Nederlandse rechter verklaart zich internationaal onbevoegd en compenseert de proceskosten.