Uitspraak
RECHTBANK limburg
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 april 2024 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser,
Procesverloop
Overwegingen
Conclusie
Beslissing
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
Rechtbank Limburg
De rechtbank Limburg heeft op 19 april 2024 uitspraak gedaan in het beroep tegen de intrekking van een bouwvergunning uit 1976 voor een loods. Verweerder, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meerssen, had de vergunning ingetrokken op grond van artikel 2.33 van de Wabo omdat gedurende meer dan 26 weken geen gebruik van de vergunning was gemaakt en de loods buiten het bouwvlak lag volgens de geldende bestemmingsplannen.
Eiser voerde aan dat er wel een begin was gemaakt met de bouw en dat de intrekking in strijd was met het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Ook stelde eiser dat de intrekking disproportioneel was vanwege de financiële belangen en brandveiligheid. De rechtbank oordeelde dat de gestorte fundatie en de muur van 1 meter hoogte geen gebruik van de vergunning vormden en dat de termijn van 26 weken ruimschoots was verstreken.
De rechtbank bevestigde dat verweerder bevoegd was de vergunning in te trekken en dat de belangenafweging zorgvuldig was gemaakt. Er was geen strijd met het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel. Ook was de intrekking niet disproportioneel, mede omdat het bouwvlak was gewijzigd en de loods buiten het bouwvlak lag. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de bouwvergunning wordt ongegrond verklaard.