ECLI:NL:RVS:2020:2085
Raad van State
- Hoger beroep
- D.A.C. Slump
- B.P.M. van Ravels
- J.M.L. Niederer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bouwvergunning eerste en tweede fase wegens niet-gebruik en privaatrechtelijke belemmering
Op 13 april 2010 diende appellant een aanvraag in voor een bouwvergunning eerste fase voor een kantoor en twee appartementen. Het college verleende deze vergunning op 30 januari 2013 en een tweede fase vergunning op 27 oktober 2016. Belanghebbende verzocht in 2018 om intrekking van de eerste fase vergunning wegens het niet verrichten van handelingen en een privaatrechtelijke belemmering op grond van artikel 2.33 Wabo en artikel 5:50 BW Pro.
Het college wees het verzoek aanvankelijk af, stellende dat de termijn van drie jaar voor bedrijven nog niet was verstreken. De rechtbank oordeelde dat het beleid voor particulieren had moeten worden toegepast omdat er geen milieuvergunning speelt. Het college herzag daarop het besluit en trok beide vergunningen in.
Appellant voerde aan dat het bouwplan was aangepast en dat de intrekking onredelijk was, mede vanwege de financiële gevolgen. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de intrekking terecht was omdat geen handelingen waren verricht, het bouwplan niet kon worden gerealiseerd vanwege de afstand tot het raam van de woning van belanghebbende, en het college het beleid voor particulieren correct had toegepast. Het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het college tot intrekking van de bouwvergunningen.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de intrekking van de bouwvergunningen eerste en tweede fase bevestigd.