ECLI:NL:RBLIM:2024:64
Rechtbank Limburg
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gezamenlijke huishouding en toekenning AOW-gehuwdennorm
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Sociale Verzekeringsbank om hem een ouderdomspensioen toe te kennen volgens de gehuwdennorm, omdat verweerder oordeelde dat eiser en [naam] een gezamenlijke huishouding voeren. De rechtbank heeft op 19 december 2023 het beroep behandeld en beoordeeld of er sprake is van een gezamenlijke huishouding, waarbij het criterium van wederzijdse zorg centraal staat.
Het staat vast dat eiser en [naam] hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben. De discussie spitst zich toe op de vraag of zij zorg voor elkaar dragen, financieel of anderszins. Verweerder stelde dat sprake is van wederzijdse zorg, onder meer omdat [naam] een niet-commerciële huur betaalt, zij huishoudelijke taken in de gedeelde ruimtes laat verrichten via een pgb, en eiser haar ondersteunt bij lichamelijke verzorging, administratie en boodschappen. Ook delen zij gebruik van voorzieningen zoals keuken, badkamer, wasmachine en inboedelverzekering.
Eiser betwist dat sprake is van wederzijdse zorg, wijzend op gescheiden huishoudens, aparte boodschappen en maaltijden, en het ontbreken van zorg van [naam] voor hem. De rechtbank oordeelt echter dat de feiten en omstandigheden voldoende aantonen dat er wederzijdse zorg is, ook al is de zorg niet gelijkwaardig in omvang. De enkele aanwezigheid van gezamenlijke voorzieningen en wederzijdse ondersteuning leidt tot de conclusie dat zij een gezamenlijke huishouding voeren.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de toekenning van het ouderdomspensioen naar de gehuwdennorm. Eiser krijgt geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de toekenning van de AOW-uitkering naar de gehuwdennorm blijft gehandhaafd.