ECLI:NL:CRVB:2005:AT8503
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening ouderdomspensioen wegens gezamenlijke huishouding afgewezen
Appellante ontving een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) als ongehuwde. Gedaagde, de Sociale Verzekeringsbank, stelde het pensioen bij besluit van 29 april 2002 herzien op basis van het vermoeden dat appellante een gezamenlijke huishouding voert met betrokkene. De rechtbank verklaarde het beroep deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat appellante wel procesbelang heeft bij de beoordeling van de herziening vanaf 1 november 1991. Uit het onderzoek blijkt dat appellante en betrokkene weliswaar hetzelfde woonadres delen, maar dat de financiële verstrengeling beperkt is tot het delen van woonlasten. Er is geen bewijs van wederzijdse verzorging, zoals samen eten, koken, wassen of andere huishoudelijke taken.
De Raad concludeert dat niet is voldaan aan het criterium van gezamenlijke huishouding zoals bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de AOW. Daarom wordt het beroep gegrond verklaard en de herziening vernietigd, met uitzondering van de schorsing van het ouderdomspensioen. Tevens wordt gedaagde veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De herziening van het ouderdomspensioen wegens gezamenlijke huishouding wordt vernietigd en het beroep van appellante wordt gegrond verklaard.