Eiser heeft een verzoek tot verkrijging van het Nederlanderschap ingediend, waarbij hij een Eritrese identiteitskaart overlegde. Verweerder wees het verzoek af omdat eiser zijn identiteit niet met zekerheid kon aantonen, mede vanwege het ontbreken van een gelegaliseerde geboorteakte. Eiser voerde aan dat hij zijn identiteit en nationaliteit met de identiteitskaart had aangetoond en dat hij geen geboorteakte kon overleggen vanwege het ontbreken daarvan in Soedan, zijn geboorteland.
De rechtbank oordeelde dat volgens de Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) van eiser, die in een ander land is geboren dan waar hij vandaan is gevlucht, in beginsel een gelegaliseerde geboorteakte mag worden verlangd. De enkele stelling van eiser dat er geen geboorteregistratie bestaat, is onvoldoende om bewijsnood aan te nemen. De rechtbank stelde dat eiser niet heeft aangetoond dat hij al het mogelijke heeft gedaan om aan een geboorteakte te komen, zoals contact opnemen met Soedanese autoriteiten.
Verder is geoordeeld dat de Eritrese identiteitskaart weliswaar de nationaliteit aantoont, maar niet de identiteit buiten twijfel stelt. Het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel is niet van toepassing op het nationaliteitsrecht en de eisen aan een gelegaliseerde geboorteakte zijn niet onevenredig. Ook is geen sprake van bijzondere omstandigheden die een afwijking van het beleid rechtvaardigen. De rechtbank vond dat verweerder terecht het bezwaar kennelijk ongegrond heeft verklaard en daarmee de hoorplicht niet heeft geschonden.
Het beroep is daarom ongegrond verklaard, waardoor de afwijzing van het naturalisatieverzoek in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.