ECLI:NL:RBLIM:2025:12570
Rechtbank Limburg
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bijstand wegens onvoldoende bewijs hoofdverblijf
Verzoekster heeft een aanvraag voor bijstand ingediend die door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beek is afgewezen wegens schending van de medewerkingsverplichting en onvoldoende bewijs van hoofdverblijf op het opgegeven adres.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de schending van de medewerkingsverplichting niet zonder meer een geldige grond is voor afwijzing, omdat het recht op bijstand nog vastgesteld kon worden. Het college moet zich hierover nader uitlaten in de bezwaarprocedure.
Belangrijker is dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar hoofdverblijf had op het opgegeven adres. Hoewel zij in de BRP staat ingeschreven en haar spullen daar zouden staan, is de woning onbewoonbaar en verblijft zij feitelijk elders. Dit blijkt ook uit bankafschriften en haar eigen verklaringen.
De voorzieningenrechter concludeert dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat verzoekster onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar hoofdverblijf op het opgegeven adres heeft.