Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De beoordeling van het bewijs
Slachtoffer: [slachtoffer 5]
schouwverslagblijkt dat hij op niet natuurlijke wijze is overleden aan de gevolgen van een hoog energetisch trauma (ongeluk bij varen) met uitgebreide letsels, waaronder fataal hersenletsel en multipele fracturen. [5]
medische informatieover [slachtoffer 1] blijkt dat er naar aanleiding van het ongeval op 5 september 2021 bij haar is geconstateerd dat er sprake is van een persisterend verlaagd bewustzijn bij ernstig traumatisch hersenletsel en dat zij volledig zorgafhankelijk is. [6]
(de rechtbank begrijpt: op de Maas in Roermond).Om de toedracht vast te stellen sprak ik met één van de betrokkene: [verdachte] . [verdachte] verklaarde dat hij onder meer met [naam 1] in de boot zat. [verdachte] verklaarde dat [naam 1] de eigenaar van de boot was en dat [naam 1] ook de bestuurder was. [verdachte] toonde mij vervolgens een op zijn naam staand Nederlands klein vaarbewijs II voorzien van het nummer [nummer 1] . Het vaarbewijs werd afgegeven op 21-02-2008 en was geldig tot 15-07-2030. [verdachte] verklaarde vervolgens dat [naam 1] hard voer. Op het snelle stuk voer [naam 1] zo hard dat [verdachte] het gevoel kreeg dat het fout kon gaan. Op enig moment kwam er een boot frontaal op hen af gevaren. [verdachte] herkende deze boot als de boot van [naam 2] . [verdachte] zag dat [naam 2] de bestuurder van de andere boot was. De boten moesten voor elkaar uitwijken echter weken beide boten naar dezelfde richting uit waardoor zij elkaar met de flanken raakte.
proces-verbaal van bevindingen Scheepsvaartincident aanvaring Bernico vs Phantom, van de Landelijke Eenheid volgt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende: [9]
- snelle motorboot, merk Bernico voorzien van registratienummer [nummer 2] ;
- snelle motorboot, merk Phantom, voorzien van registratienummer [nummer 3] .
deskundige. Hij verklaarde – zakelijk weergegeven – onder meer als volgt:
- zij voeren over de Maas komende uit de richting van Linne in de richting van Beegden;
- zij ongeveer 30 meter van de, voor hen rechts gelegen, invaart naar de Oolderplas waren;
- zij snelheid minderden om de Oolderplas op te varen;
- zij toen een wit/groene snelle motorboot met hoge snelheid van de Oolderplas zagen komen en dat deze boot de Maas opvoer in de richting waar zij vandaan kwamen;
- links van hen, op een afstand van circa 6 meter, op dat moment met hoge snelheid een boot voer in de richting van Beegden;
- de wit/groene boot frontaal tegen de zijkant van die boot voer.
getuige [naam 10]– zakelijk weergegeven – onder meer als volgt: [13]
(de rechtbank begrijpt: de Oolderplas). Wij voeren net achter de bocht waar staat aangegeven dat je snel mag varen. Achter ons hing een plezierband waar de kinderen in kunnen zitten. Op dat moment haalden we de band naar binnen en legden die achter op ons bootje neer. We zagen dat de zwart/rode boot met hoge snelheid aan de linkerkant van het water probeerde een draai naar het grindgat te maken. Op dat moment kwam er een boot van de andere kant. De rood/zwarte boot heeft ons ingehaald. Wij zaten op de boot van [naam 11] .
getuige [naam 11]– zakelijk weergegeven – onder meer als volgt: [15]
(de rechtbank begrijpt: Oolderplas)aanvaren. Ik wilde in de richting van de plas. Ik zag dat de groene speedboot vol gas gaf. Op het snelvaargedeelte achter een sloep kwam de zwarte speedboot steeds dichterbij. Ik zag dat de speedboot naar buiten stuurde om de sloep in te halen. De zwarte speedboot en de groene speedboot stuurden beide in dezelfde richting. Ik zag dat beide boten dezelfde koers kozen en een aanvaring onvermijdelijk was. De groene boot raakte de zwarte speedboot in het midden. De zwarte speedboot kwam met hoge snelheid aan. Beide boten waren in plané.
getuige [naam 15]– zakelijk weergegeven – onder meer als volgt: [21]
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De straf en/of de maatregel
7.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
[slachtoffer 1]vordert schadevergoeding tot een bedrag van
€ 2.219.415,20 ter zake van feit 2 primair. Deze vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte tot een
- beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 dagen;
de bevoegdheid tot het voeren van schepenvoor zover daartoe een vaarbewijs is vereist, voor de duur van
1 jaar;
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 2 primair)
- wijstde vordering tot schadevergoeding van de benadeelde
[slachtoffer 1] gedeeltelijk toeen veroordeelt de verdachte (hoofdelijk) om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen
€ 392.567,20(bestaande uit € 92.567,20 materiële schade en € 300.000,- immateriële schade), voor wat betreft de materiële schade onder post (a) zonder vermeerdering van wettelijke rente, voor wat betreft de materiële schade onder post (b), zijnde het bedrag van € 37.950,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, voor wat betreft de materiële schade onder post (d), zijnde een bedrag van € 10.125,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2022 tot aan de dag der algehele voldoening en voor wat betreft de immateriële schade van € 300.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 september 2021 tot aan de dag der algehele voldoening; - verklaart de benadeelde partij voor het overige in haar vordering niet-ontvankelijk;
- veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
- legt aan de verdachte op de (hoofdelijke) verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] van een bedrag van € 392.567,20, voor wat betreft de materiële schade onder post (a) zonder vermeerdering van wettelijke rente, voor wat betreft de materiële schade onder post (b), zijnde het bedrag van € 37.950,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, voor wat betreft de materiële schade onder post (d), zijnde een bedrag van
- bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van
- de verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald;
- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde
- veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
- legt aan de verdachte op de (hoofdelijke) verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 2] van een bedrag van 17.500,- euro, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 september 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;
- bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van
- de verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald;
- wijstde vordering tot schadevergoeding van de benadeelde
[slachtoffer 3] toeen veroordeelt de verdachte (hoofdelijk) om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen €
17.500,-(immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
5 september 2021tot aan de dag der algehele voldoening; - veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
- legt aan de verdachte op de (hoofdelijke) verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 3] van een bedrag van € 17.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 september 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;
- bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van
- de verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade;
- de verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald;
- wijstde vordering tot schadevergoeding van de benadeelde
[slachtoffer 4] toeen veroordeelt de verdachte (hoofdelijk) om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen €
15.000,-(immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
5 september 2021tot aan de dag der algehele voldoening; - veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
- legt aan de verdachte op de (hoofdelijke) verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 4] van een bedrag van € 15.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 september 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;
- bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van
- de verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade;
- de verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald.