Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2025 in de zaken tussen
[eiser] , uit [woonplaats 1] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Horst aan de Maas
[derde-partij 1]en
[derde-partij 2], uit [woonplaats 2] , (gemachtigde: mr. D.N. Lavain).
Procesverloop
Overwegingen
- voor het realiseren van de uitbreiding van de garage/berging elders bouwwerken worden gesloopt als kwaliteitsverbeterende maatregel om het teveel aan bijgebouwen op het perceel te compenseren; en
- het nieuwe bijgebouw landschappelijk wordt ingepast.
‘de initiatiefnemer is voornemens om de reeds aanwezige woonbestemming aan de [adres 1] te [plaats 1] te vergroten en een groter bijgebouw t.b.v. het aan huis gebonden bedrijf te realiseren’.Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank eveneens dat verweerder er bij de bestemmingsplanwijziging van uit is gegaan dat de vergroting van de loods van eiser gericht was op bedrijfsactiviteiten ten behoeve van de klauwbekapservice. Verweerder heeft weliswaar gesteld dat het bedrijf in de huidige omvang volgens verweerder (ook) niet voldoet aan de voorwaarden van het bestemmingsplan voor een aan huis gebonden bedrijf, maar dat laat onverlet dat verweerder de klauwbekapservice naar aanleiding van het principeverzoek destijds al positief heeft bestemd als zijnde ondergeschikt aan de woonfunctie. Daarbij is voorts van belang (zie r.o. 3) dat er ter compensatie aan de
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit I;
- draagt verweerder op om een nieuwe beslissing op het bezwaar van de derde-partij te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser van € 1.814,-;
- bepaalt dat verweerder het voor het beroep betaalde griffierecht van € 184,- aan eiser vergoedt.
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit II;
- verklaart het door eiser tegen het primaire besluit II ingediende bezwaar gegrond en herroept het primaire besluit II;
- draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak de omgevingsvergunning van rechtswege van 22 december 2023 op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom verbeurt voor elke dag waarmee verweerder de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, waarbij de hoogte van de dwangsom € 100,- per dag bedraagt, met een maximum van € 15.000,-;
- stelt de hoogte van de door verweerder verbeurde dwangsom wegens het niet tijdig bekendmaken van de omgevingsvergunning van rechtswege vast op € 1.442,-;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser van (in totaal) € 3108,-;
- bepaalt dat verweerder het voor het beroep betaalde griffierecht van € 187,- aan eiser vergoedt.
Informatie over hoger beroep
ROE 23 / 924