ECLI:NL:RBLIM:2025:5834
Rechtbank Limburg
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek werkneemster na opzegging arbeidsovereenkomst tijdens proeftijd zonder discriminatie
De werkneemster trad op 14 oktober 2024 in dienst bij de werkgever met een proeftijd van twee maanden. Zij meldde voorafgaand aan haar indiensttreding dat zij ADHD heeft. Na een paniekaanval op 1 november 2024, toen zij voor het eerst alleen werkte, zegde de werkgever de arbeidsovereenkomst op 4 november 2024 op binnen de proeftijd.
De werkneemster stelde dat sprake was van discriminatie vanwege haar handicap en eiste onder meer transitievergoeding, schadevergoeding en betaling van niet-genoten vakantiedagen. De werkgever ontkende discriminatie en stelde dat de transitievergoeding en incassokosten inmiddels waren betaald.
De kantonrechter oordeelde dat de opzegging tijdens de proeftijd in beginsel is toegestaan en dat de werkneemster onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de opzegging verband hield met haar ADHD. De transitievergoeding was te laat betaald maar dat werd gecompenseerd door wettelijke rente. De niet-genoten vakantiedagen waren volgens de werkgever uitbetaald en de werkneemster had dit niet betwist.
De vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van de werkgever werd afgewezen omdat onvoldoende was onderbouwd dat de werkgever zich slecht had gedragen. De proceskosten werden aan de zijde van de werkneemster opgelegd.
Uitkomst: Verzoek werkneemster tot schadevergoeding en overige vergoedingen na opzegging proeftijd wordt afgewezen.