Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
10 [gedaagde 10] ,
11 [gedaagde 11] ,
24 [gedaagde 24] ,
25 [gedaagde 25] ,
31 [gedaagde 31] ,
1.Het verdere verloop van de procedure
- de akte n.a.v. de rolbeschikking van 8 januari 2025, tevens vermeerdering van eis, met producties 18 t/m 26, van de Stichting ,;
- de akte procedurele aspecten, van Wulro c.s.;
- de antwoordakte n.a.v. de rolbeschikking van 8 januari 2025 met producties 27 t/m 29, van de Stichting ;
- de antwoordakte procedurele aspecten van Wulro c.s.;
- het vonnis in het vrijwaringsincident d.d. 9 juli 2025;
- de akte producties ten behoeve van de mondelinge behandeling, tevens akte eiswijziging, met producties 31 tot en met 34, van de Stichting ;
- de zittingsaantekeningen van de mondelinge behandeling d.d. 10 juli 2025 en de pleitaantekeningen die partijen ter zitting hebben overgelegd.
2.De feiten
De Autoriteit Consument en Markt (" ACM ") heeft op 22 december 2022 boetes opgelegd aan de ondernemingen Wulro , Interovo en Global1 ("de Kartellisten ") vanwege het maken van verboden afspraken met betrekking tot de inkoop van industrie-eieren. Deze afspraken omvatten onder andere overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen over de inkoopprijs van eieren van leghennenhouders, het verdelen van leveranciers en het uitwisselen van concurrentiegevoelige informatie (de " Kartels "). De Kartels duurden ten minste van 13 april 2015 tot en met 1 maart 2016 (tussen Wulro en Interovo ) en 1 maart 2016 en 1 augustus 2019 (tussen Wulro en Global) (de " Kartelperiode ”), waarbij de verboden afspraken in ieder geval effect hadden op de markt in Nederland, België en Noordwest-Duitsland.
De Leghennenhouder is gevestigd in Nederland of België en heeft eieren verkocht in de Kartelperiode . De Leghennenhouder heeft schade geleden als gevolg van het Kartel en/of overige concurrentiebeperkende en/of onrechtmatige afspraken of gedragingen en/of wanprestatie door Kartellisten of gelieerde ondernemingen of personen. Deze schade heeft zich onder meer gerealiseerd in de vorm van te lage ontvangen prijzen voor verkochte eieren. De schade kan zich hebben voorgedaan in de Kartelperiode en een periode na het Kartel vanwege na-ijleffecten door het Kartel. De schade kan zich ook hebben voorgedaan vanwege concurrentiebeperkende afspraken of gedragingen van Kartellisten buiten de Kartelperiode , bijvoorbeeld als nieuwe afspraken of gedragingen aan het licht komen die de ACM (nog) niet heeft vastgesteld op dit moment. De schade kan zich ook hebben voorgedaan bij de verkoop andere typen eieren dan industrie-eieren, waaronder in ieder geval tafeleieren, als gevolg van zogenoemde umbrella-effecten (de "Schade"). De Leghennenhouder heeft voor deze Schade op grond van een of meerdere rechtsgronden, waaronder maar niet beperkt tot onrechtmatige daad, wanprestatie en onrechtmatige verrijking, een of meer vorderingen verkregen op de Kartellisten (de " Vorderingen ").
De Stichting is een onafhankelijke stichting zonder winstoogmerk die de belangen behartigt van leghennenhouders. De Stichting zet zich in het bijzonder in voor de belangen van leghennenhouders die eieren hebben verkocht en benadeeld zijn door schendingen van concurrentieregels en andere onrechtmatige gedragingen en wanprestatie door afnemers van eieren.
De Stichting is voornemens een juridische procedure te voeren en/of een schikking te treffen om compensatie te verkrijgen van Kartellisten en/of gelieerde ondernemingen of personen voor de door de leghennenhouders geleden Schade (de " Actie ").
De Leghennenhouder wenst al zijn Vorderingen te verkopen en over te dragen aan de Stichting ten behoeve van de Actie , en de Stichting wenst alle Vorderingen van de Leghennenhouder te kopen en te verkrijgen in overeenstemming met de voorwaarden van deze Overeenkomst.
1.Koop en Verkoop en Levering Vorderingen
3.Het geschil
4.De verdere beoordeling
Inleidende opmerkingen
Truckkartelen ECLI:NL:HR:2025:946,
Luchtvrachtkartel) prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie. In die procedure is onder andere de vraag aan de orde of één enkele, voortdurende inbreuk is te beschouwen als één onrechtmatige gedraging, die resulteert in één schadevergoeding per benadeelde, of dat het betreft een onrechtmatige gedraging die per transactie leidt tot afzonderlijke schadevorderingen. De beantwoording van die vraag is volgens Wulro c.s. van belang om de door de Stichting ingestelde vorderingen te beoordelen, omdat dit gevolgen heeft voor de stelplicht die op de Stichting rust en in het bijzonder voor hetgeen zij reeds in de dagvaarding had moeten stellen.
moetworden aangehouden totdat de boetebesluiten onherroepelijk zijn geworden, wordt verworpen. Het Hof van Justitie heeft in bedoeld arrest beslist dat de nationale rechter (als een met overheidsgezag beklede instantie van een lidstaat) zich moet onthouden van beslissingen die verwezenlijking van de doelstellingen van het EU-Verdrag in gevaar kunnen brengen (rov. 49). Dit brengt onder meer mee dat, indien de beslechting van een geschil door de nationale rechter omtrent de geldigheid van overeenkomsten of gedragingen afhangt van de geldigheid van een beschikking van de Europese Commissie in het geval van parallelle procedures voor nationale en communautaire rechterlijke instanties, de nationale rechter de procedure moet schorsen totdat een definitieve beslissing is genomen door de communautaire rechterlijke instantie (rov. 57). In casu is sprake van een follow-on-procedure naar aanleiding van een boetebesluit van een nationale mededingingsautoriteit en niet van een beschikking van de Europese Commissie. Uit het Masterfoods-arrest, dat direct noch indirect van toepassing is op de verhouding tussen de nationale rechter en nationale mededingingsautoriteit, volgt dan ook geen verplichting om onderhavige zaak aan te houden.
exclusiefbevoegd is om de vordering te innen. Naar het oordeel van de rechtbank kan de zienswijze van de wetgever worden beschouwd als het geldende recht op dit punt (zie onder meer Asser-Bartels & Van Mierlo, 3-IV, 2021/342; Rongen, Cessie (O&R nr. 70) 2012, 6.2.2.1 e.v.). De rechtbank volgt die opvatting. Dat betekent dat de cederende leghennenhouders, zolang geen geldige mededeling van de cessies aan Wulro c.s. is gedaan, exclusief inningsbevoegd zijn en dat voorafgaand aan de mededeling aan de Stichting geen inningsbevoegdheid toekomt. Dat die mededeling ook in een later stadium van de procedure, of zelfs in hoger beroep kan worden gedaan, zoals de Stichting terecht heeft betoogd, doet hier niet aan af en maakt haar vooruitlopend op die mededeling nog niet inningsbevoegd. Pas vanaf de mededeling is daarvan sprake.
confidentiality ring, waarbij uitsluitend de advocaten en ingeschakelde experts van Wulro c.s. toegang verkrijgen tot de vertrouwelijke informatie van de Stichting , waaronder informatie in de cessie-documentatie waaruit de identiteit van de deelnemende leghennenhouders afgeleid kan worden (akte naar aanleiding van de rolbeschikking van 8 januari 2025 van de Stichting , randnummer167), wordt door de rechtbank verworpen. Van de zijde van Wulro c.s. is gemotiveerd gesteld dat de advocaten dan wel experts van Wulro c.s. niet noodzakelijkerwijs voldoende feitelijke kennis hebben omtrent de litigieuze transacties met de leghennenhouders om aldus de juistheid van de daarop gebaseerde vorderingen te beoordelen. Voor het deugdelijk kunnen voeren van verweer moeten de individuele vorderingen met de bestuurders dan wel betrokken medewerkers van de betreffende vennootschappen kunnen worden besproken. Daar komt bij, zo overweegt de rechtbank, dat met een bekendmaking van de identiteit van de betrokken leghennenhouders binnen een beperkte kring – niet zijnde de (bestuurders van) gedaagden – niet voldaan wordt aan het vereiste van artikel 3:94 lid Pro 3 (tweede volzin) BW dat mededeling van de cessie dient te geschieden aan de debiteur (in casu Wulro c.s.) bij de vordering.
de inningsbevoegdheid op basis van lastgeving
geldigecessie. Zoals hiervoor al is vastgesteld, is tussen partijen niet in geschil dat, waar het de beboete vennootschappen betreft, tussen de cedenten (de leghennenhouders die hun beweerde vorderingen op Wulro c.s. hebben overgedragen) en de Stichting als cessionaris rechtsgeldige cessies hebben plaatsgevonden, zodat de beweerde vorderingen rechtsgeldig zijn overgedragen aan de Stichting . In geschil is enkel of de mededeling van de identiteit van de overdragende leghennenhouders aan Wulro c.s. nodig is voor de Stichting om daaraan de bevoegdheid te kunnen ontlenen om de vorderingen te innen. Derhalve kan de Stichting haar inningsbevoegdheid ten aanzien van de beboete vennootschappen (subsidiair) niet ontlenen aan een lastgevingsovereenkomst, omdat aan de daarvoor gestelde voorwaarde in de cessieovereenkomsten niet is voldaan.
- a) [gedaagde 10] en [gedaagde 11] , Wulro -bestuurders;
- b) [persoon 4] , [gedaagde 24] en [gedaagde 25] ,
geen rechtmatig belangbij de gevorderde bescheiden (akte procedurele aspecten, IV.2.3). Daartoe voeren Wulro c.s. aan dat:
- niet duidelijk is tegen welke cedenten Wulro c.s. onrechtmatig hebben gehandeld als gevolg van het gestelde kartel;
- de Stichting onvoldoende heeft gesteld met betrekking tot welke transacties schadevergoeding wordt gevorderd, hetgeen noodzakelijk is om aan de stelplicht te voldoen;
- de Stichting niet onderbouwt wat de relevantie is van elk van de door haar gevorderde bescheiden en ook niet onderbouwt op welke wijze de gevorderde stukken kunnen bijdragen aan de vaststelling van de gestelde inbreuken alsmede van de schade en de causaliteit;
- de verzochte transactie-informatie over de bij de leghennenhouders ingekochte eieren gegevens betreft die bij de leghennenhouders zelf beschikbaar zijn, zodat de Stichting onderzoekswerk dat zij zelf moet verrichten, neerlegt bij Wulro c.s.;
- de Stichting ten onrechte geen onderscheid maakt tussen de twee afzonderlijke gedragingen van enerzijds Wulro en Interovo en anderzijds Wulro en Global, die zich gedurende verschillende periodes hebben voorgedaan;
- de Stichting niet voldoende stelt waarom zij zonder het Oxera-rapport haar schade niet kan onderbouwen en waarom inzicht in de marktaandelen relevant zou zijn;
- de Stichting slechts belang heeft bij de inzage in prijsbescheiden voor zover die betrekking hebben op kooi- en scharreleieren en niet op alle type eieren;
- op dit moment de Stichting geen belang heeft bij bescheiden om de omvang van de schade vast te stellen, omdat in deze procedure slechts een verwijzing naar de schadestaatprocedure wordt gevorderd en een begroting van de schade thans nog niet aan de orde is;
- toewijzing van de vordering voor Wulro c.s. zou betekenen dat zij aanzienlijke tijd en middelen moet besteden aan het verzamelen van de documenten, hetgeen hoge kosten met zich brengt.
verzochte bescheiden onvoldoende bepaald zijn(akte procedurele aspecten, IV.2.4). Het inzagerecht kan slechts worden uitgeoefend, aldus Wulro c.s., met betrekking tot bepaalde bescheiden. Uit de vordering moet dus blijken om welke stukken het gaat en om welke reden zij van belang zijn. De vordering tot inzage in
allecorrespondentie en
alleinformatie omtrent de ingekochte eieren voldoet daar niet aan.
geen rechtsbetrekkingis in de zin van artikel 843a Rv (akte procedurele aspecten, IV.2.5.). Daartoe voeren Wulro c.s. aan dat nog niet onherroepelijk is vastgesteld dat Wulro , Interovo en Global zich schuldig hebben gemaakt aan kartelvorming. Bovendien is de Stichting niet inningsbevoegd.
gewichtige redenen die zich verzetten tegen inzage(akte procedurele aspecten, IV.2.6). Op dit punt voeren Wulro c.s. aan dat de inzage vertrouwelijke bescheiden betreft (waaronder gegevens jonger dan vijf jaar), dat een deel van de bescheiden onder het afgeleide verschoningsrecht vallen (waaronder in ieder geval het rapport van en alle correspondentie met Oxera) en dat een deel van de bescheiden niet meer beschikbaar is aangezien de administratie slechts zeven jaar wordt bewaard.
5.De beslissing
29 april 2026voor akte uitlaten aan de zijde van de Stichting met de doeleinden zoals vermeld in rechtsoverweging 4.81, waarna Wulro c.s.
op de rolzitting van 6 weken later een antwoordaktekunnen nemen;
29 april 2026voor het nemen van een akte aan de zijde van de Stichting om zich uit te laten zoals bedoeld in rechtsoverweging 4.62 van dit vonnis, zonder dat Wulro c.s. een antwoordakte op dit punt kunnen nemen;