ECLI:NL:RBLIM:2026:1359

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
ROE 23/1029, ROE 23/1030 en ROE 23/1031
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7.14 WaterwetArt. 4.21 Invoeringswet OmgevingswetArt. 3:2 AwbArt. 3:9 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvragen nadeelcompensatie vanwege dijkversterking Projectplan Dijkversterking

Eisers hebben afzonderlijk aanvragen ingediend voor nadeelcompensatie vanwege de inwerkingtreding van het Projectplan Dijkversterking, waarbij een keermuur nabij hun woningen met 73 cm werd verhoogd. Zij stellen schade te lijden door verminderd uitzicht en waardevermindering van hun woningen.

Het dagelijks bestuur van het waterschap Limburg heeft de aanvragen afgewezen, mede op advies van een onafhankelijke Adviescommissie, die rekening hield met een voordeel door de verbeterde veiligheid en een drempel van 5% voor het normaal maatschappelijk risico hanteerde. Eisers betwisten deze voordeelverrekening en de hoogte van de drempel.

De rechtbank oordeelt dat het dagelijks bestuur terecht het voordeel van de veiligheidsvergroting heeft meegenomen, onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak. Ook is de keuze voor een drempel van 5% passend gezien de ruimtelijke structuur en het ruimtelijk beleid. De beroepen zijn ongegrond verklaard, waardoor de aanvragen om nadeelcompensatie worden afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank wijst de beroepen af en bevestigt dat het dagelijks bestuur de aanvragen om nadeelcompensatie terecht heeft afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummers: ROE 23/1029, ROE 23/1030 en ROE 23/1031

uitspraak van de meervoudige kamer van in de zaken tussen

[eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] , allen uit [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. E.G.J.M. Meijer),
en

het dagelijks bestuur van het waterschap Limburg

(gemachtigde: mr. H.X. Botter).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers die gaan over de afwijzing van hun aanvragen om nadeelcompensatie in verband met de inwerkingtreding van het Projectplan Dijkversterking [naam projectplan] (hierna: het Projectplan). Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van hun aanvragen. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvragen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het dagelijks bestuur van het waterschap Limburg (hierna: het dagelijks bestuur) de aanvragen om nadeelcompensatie in verband met de inwerkingtreding van het Projectplan heeft mogen afwijzen. Anders dan eisers stellen, heeft het dagelijks bestuur bij het bepalen van de schade het voordeel van de vergroting van de veiligheid van de woningen van eisers langs een dijk mogen meenemen. Ook is de rechtbank van oordeel dat het dagelijks bestuur zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de drempel voor het normaal maatschappelijk risico op 5% mag worden vastgesteld. Eisers krijgen dus geen gelijk en de beroepen zijn ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben ieder afzonderlijk een aanvraag ingediend voor nadeelcompensatie in verband met de inwerkingtreding van het Projectplan. Het dagelijks bestuur heeft deze aanvragen met de besluiten van 8 november 2022 afgewezen.
3. Met de beslissingen op bezwaar van 28 maart 2023 (hierna: de bestreden besluiten) heeft het dagelijks bestuur de bezwaren van eisers tegen de besluiten van
8 november 2022 ongegrond verklaard en is het dagelijks bestuur bij de afwijzing van de aanvragen gebleven.
3.1.
Eisers hebben beroep tegen de bestreden besluiten ingesteld. Het dagelijks bestuur heeft op de beroepen met een verweerschrift gereageerd.
3.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 8 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser 2] en [eiser 1] en hun echtgenoten, gemachtigde van eisers, gemachtigde van het dagelijks bestuur en [naam] , juridisch adviseur bij het waterschap Limburg.

Totstandkoming van de bestreden besluiten

4. [eiser 2] , [eiser 1] en [eiser 3] zijn ieder (mede-)eigenaar van een woning met bijbehorend perceel gelegen aan de [naam perceel] in [plaats] . [eiser 2] is eigenaar van de woning gelegen op nummer [nummer 1] , [eiser 1] is eigenaar van de woning op nummer [nummer 2] en [eiser 3] is eigenaar van de woning op nummer [nummer 3] . Zij hebben ieder afzonderlijk op 6 augustus 2021 het dagelijks bestuur verzocht om nadeelcompensatie op grond van artikel 7.14, eerste lid, van de Waterwet naar aanleiding van de inwerkingtreding van het Projectplan op 10 november 2017. Dit Projectplan is ten behoeve van dijkverbetering van de [naam projectplan] tot stand gekomen. De aanleiding voor de dijkverbetering zijn eerdere overstromingen en als gevolg daarvan het aanleggen van nooddijken die zijn berekend op een hoogwaterstand die zich eens in de 50 jaar (1/50 per jaar) voordoet. Deze nooddijken, die de status van primaire waterkeringen hebben gekregen, moeten op grond van de Waterwet voldoen aan een strenger beschermingsniveau dan 1/50, namelijk 1/250. Het Projectplan houdt – voor zover van belang – in dat de bestaande harde kering (keermuur) wordt versterkt en verhoogd met ongeveer 73 cm (dijkvak 10d van het Projectplan). De bestaande keermuur is over een lengte van 275 meter opgehoogd van NAP +20,40 tot NAP +21,10. De verhoging is uitgevoerd in steen en niet – zoals op andere locaties in de nabijheid van de woningen van eisers – in glas. Deze keermuur bevindt zich op een afstand van ongeveer 20 tot 30 meter van de woningen van eisers.
5. Eisers stellen dat zij schade lijden als gevolg van de dijkverhoging van 73 cm van de [naam projectplan] . Het uitzicht op de Maas, die op een afstand van ongeveer 75 meter van de woningen van eisers is gelegen, en het achterliggende landschap is door deze dijkverhoging verdwenen waardoor ook de situeringswaarde van hun woningen is verminderd, aldus eisers.
6. Het dagelijks bestuur heeft de verzoeken om nadeelcompensatie voorgelegd aan de onafhankelijke Adviescommissie Waterschap Limburg Dijkversterking [naam projectplan] [1] (hierna: de Adviescommissie) en heeft in overeenstemming met de adviezen van die Adviescommissie de verzoeken afgewezen. In de adviezen van de Adviescommissie staat dat bij de schadebegroting rekening moet worden gehouden met een voordeel vanwege de verbeterde bescherming tegen hoogwater door de dijkversterking. Ook is daarin te lezen dat de Adviescommissie van mening is dat sprake is van een normale maatschappelijke ontwikkeling die naar aard en omvang geheel in de lijn der verwachtingen lag. De ontwikkeling past volgens de Adviescommissie geheel in de structuur van de omgeving en geheel in een reeks van jaren gevoerd ruimtelijk beleid. De Adviescommissie gaat dan ook uit van een normaal maatschappelijk risico waarbij een drempel geldt van 5% van de waarde van de woningen onmiddellijk voor het ontstaan van de schade. Dat betekent dat de schade, die onder die drempel van 5% ligt, binnen het normaal maatschappelijk risico valt en dus niet voor vergoeding in aanmerking komt.
7. Bij de bestreden besluiten heeft het dagelijks bestuur het advies van de Bezwarencommissie Waterschap Limburg (hierna: de Bezwarencommissie) gevolgd en de bezwaren ongegrond verklaard. De Bezwarencommissie heeft geconcludeerd dat de uitgevoerde dijkverhoging een normale maatschappelijke ontwikkeling is die een drempel van 5% rechtvaardigt.

Overgangsrecht Omgevingswet

8. Op grond van artikel 4.21, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft het oude recht van toepassing op een verzoek om schadevergoeding als de schade is veroorzaakt door de uitoefening van een taak of bevoegdheid als bedoeld in artikel 7.14, eerste lid, van de Waterwet, en als het verzoek is ingediend binnen vijf jaar nadat de schade zich heeft geopenbaard. De rechtbank stelt vast – en dat is ook niet in geschil – dat de verzoeken van eisers zijn ingediend binnen vijf jaar nadat de gestelde schade zich heeft geopenbaard. Verder is de gestelde schadeoorzaak gelegen in de uitoefening van een taak of bevoegdheid als bedoeld in artikel 7.14 van de Waterwet, te weten de inwerkingtreding van het Projectplan. Dat betekent dat het oude recht op de verzoeken van eisers om nadeelcompensatie van toepassing is.

Wettelijke basis

9. In artikel 7.14, eerste lid, van de Waterwet is bepaald dat aan degene die als gevolg van de rechtmatige uitoefening van een taak of bevoegdheid in het kader van het waterbeheer schade lijdt of zal lijden, op zijn verzoek door het betrokken bestuursorgaan een vergoeding wordt toegekend, voor zover de schade redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd.

Beoordeling door de rechtbank

Omvang van het geding
10. Op zitting hebben eisers beroepsgronden aangevoerd die zijn gericht tegen het besluit tot vaststelling van het Projectplan. Dit besluit staat in rechte vast. [2] In deze procedure kunnen echter alleen aan de orde komen de besluiten waartegen eisers beroep hebben ingesteld, namelijk de beslissingen op bezwaar van 28 maart 2023 met betrekking tot de afwijzing van de aanvragen om nadeelcompensatie in verband met de inwerkingtreding van het Projectplan. De beroepsgronden gericht tegen de vaststelling van het Projectplan vallen buiten de omvang van dit geding en deze worden dan ook niet inhoudelijk besproken.
11. Verder stelt de rechtbank vast dat in deze procedure tussen partijen het navolgende niet in geschil is:
  • de dijkverhoging is de schadeoorzaak en er bestaat een causaal verband tussen de dijkverhoging en de door eisers gestelde schade, bestaande uit vermindering van uitzicht op de Maas en het achterliggende landschap vanuit de woningen;
  • de peildatum voor nadeelcompensatie ligt op 10 november 2017, te weten de datum waarop het Projectplan in werking is getreden;
  • de juistheid van de taxatierapporten van 10 oktober 2022 staat niet ter discussie, met uitzondering van de daarin opgenomen voordeelverrekening;
  • er is geen sprake van actieve risicoaanvaarding aan de zijde van eisers.
12. Het voorgaande betekent dat de omvang van dit geding zich beperkt tot de gehanteerde voordeelverrekening en de omvang van het normaal maatschappelijk risico.
Voordeelverrekening
13. Eisers voeren aan dat in de adviezen van de Adviescommissie en de rapporten van de taxateur is vermeld dat bij het bepalen van de schade rekening is gehouden met een voordeel vanwege de verbeterde bescherming tegen hoogwater, maar volgens eisers is daarbij onvoldoende gemotiveerd dat de dijkverhoging de vermogenspositie van eisers positief heeft beïnvloed. Het is de taak van het waterschap Limburg om de burgers tegen wateroverstromingen te beschermen (zorgplicht) en het uitvoeren van die taak maakt dan ook niet dat de woningen in waarde stijgen. Ook is het gestelde voordeel niet in geld waardeerbaar. Daarbij verwijzen eisers naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 11 december 2013. [3]
13.1.
De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat het dagelijks bestuur voor de berekening van de schade en het voordeel als gevolg van de dijkverhoging gebruik heeft gemaakt van de adviezen van de Adviescommissie en de taxatierapporten die onderdeel uitmaken van die adviezen. De Adviescommissie is als onafhankelijke en onpartijdige deskundige aan te merken. Het dagelijks bestuur mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. [4] Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van Pro de Awb voor andere adviseurs. Indien een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan de adviseur een reactie op wat over het advies is aangevoerd.
13.2.
Concreet voor wat betreft de taxatierapporten is het vaste jurisprudentie van de Afdeling [5] dat een bestuursrechter een taxatie slechts terughoudend kan toetsen. Bij de waardering van onroerende zaken spelen daarbij niet alleen de taxatiemethode, maar ook de kennis en ervaring van de deskundige een rol. [6]
13.3.
Het dagelijks bestuur heeft zich op grond van het advies van de Adviescommissie op het standpunt gesteld dat bij het bepalen van de schade het voordeel van de vergroting van de veiligheid van een woning langs een dijk mag worden meegenomen. Daarvoor heeft het dagelijks bestuur verwezen naar de door de Adviescommissie genoemde uitspraak van de Afdeling van 4 december 2002. [7] De rechtbank is van oordeel dat het dagelijks bestuur zich onder verwijzing naar deze uitspraak op juiste gronden op het standpunt heeft gesteld dat bij het bepalen van de schade het voordeel van de vergroting van de veiligheid van een woning langs een dijk mag worden meegenomen. De rechtbank overweegt daartoe dat de Afdeling in deze uitspraak heeft overwogen dat bij nadeelcompensatie is uitgegaan van de mogelijkheid dat het nadeel als gevolg van uitzichtverlies is gecompenseerd met voordeel van algemene nutte. Een omstandigheid zoals de vergroting van de veiligheid van het wonen langs een dijk kan als voordeel van de dijkversterking worden aangemerkt. Volgens de Afdeling doet het feit dat dit voordeel een algemeen karakter heeft niet eraan af dat dit ook een positief effect heeft op de woonsituatie en de waarde van een woning en in zoverre ook een individueel voordeel oplevert. [8] Met andere woorden: uit deze uitspraak volgt dat het is toegestaan om bij het bepalen van de schade – naast het nadeel dat door een dijkversterking/-verhoging wordt geleden – ook rekening te houden met een voordeel door een dijkversterking. Het voordeel, de vergroting van de veiligheid van een woning, hoeft – anders dan eisers stellen – volgens de Afdeling niet kwantificeerbaar te worden gemaakt. [9] Gelet daarop heeft het dagelijks bestuur, onder verwijzing naar het advies van de Adviescommissie, zich in het bestreden besluit op juiste gronden op het standpunt gesteld dat sprake is van een voordeel dat met de schade kan worden verrekend. Dat, zoals eisers nog hebben aangevoerd, het dagelijks bestuur een zorgplicht heeft, staat niet aan de voordeelverrekening in de weg.
13.4.
De rechtbank is voorts van oordeel dat eisers’ verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 11 december 2013 niet tot een ander oordeel leidt. In deze uitspraak gaat het om een verzoek om nadeelcompensatie, ingediend door een transportbedrijf vanwege het afsluiten van de Hollandse Brug voor vrachtverkeer. In de besluitvorming naar aanleiding van dat verzoek heeft het bestuursorgaan (de minister van Infrastructuur en Milieu) een extra korting van 5% op het schadebedrag van het transportbedrijf onder meer gemotiveerd door zich – kort gezegd – op het standpunt te stellen dat tijdens de werkzaamheden aan de Hollandse Brug ook een extra rijstrook in noordelijke richting mogelijk is gemaakt en dit in de toekomst leidt tot voordeel. Deze motivering achtte de Afdeling niet toereikend. De Afdeling overwoog dat als een toekomstig voordeel op geld waardeerbaar is en in voldoende mate vaststaat dat het de vermogenspositie van de benadeelde zal beïnvloeden, dit voordeel dan bij de vaststelling van de schadevergoeding kan worden betrokken. Van belang is wel dat het alleen in algemene zin veronderstellen van de mogelijkheid niet volstaat om een korting wegens voordeelverrekening toe te passen. Hieruit leidt de rechtbank af dat de Afdeling nog steeds de lijn hanteert dat voordeel bij de vaststelling van de schadevergoeding mag worden betrokken, maar dat slechts een veronderstelde mogelijkheid van toekomstig voordeel geen korting op het schadebedrag rechtvaardigt. De rechtbank is van oordeel dat in de uitspraak van 11 december 2013 sprake is van een andere situatie dan die van eisers in de onderhavige zaak. In de situatie van eisers gaat het immers niet om een verondersteld mogelijk toekomstig voordeel, maar ontstond het voordeel (de vergroting van de veiligheid van een woning) gelijktijdig met het nadeel (het verminderde uitzicht), namelijk door de inwerkingtreding van het Projectplan. In de zaak van eisers heeft het dagelijks bestuur bovendien, in overeenstemming met het advies van de Adviescommissie, geen korting op het schadebedrag toegepast vanwege dit voordeel, maar is in de taxatierapporten een waardevermindering per saldo vastgesteld, waarbij de taxatiewaarde van de woningen vóór en na de inwerkingtreding van het Projectplan is vergeleken.
13.5.
Het voorgaande betekent dat het dagelijks bestuur voor wat betreft de voordeelverrekening naar het oordeel van de rechtbank de adviezen van de Adviescommissie en de taxatierapporten – als onderdeel van die adviezen – aan de bestreden besluiten ten grondslag heeft mogen leggen. Het dagelijks bestuur is er terecht van uitgegaan dat de adviezen op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en inhoudelijk concludent zijn. De rechtbank is verder van oordeel dat het dagelijks bestuur ook waarde heeft mogen hechten aan de taxatierapporten. Eisers hebben geen contra-expertise over de voordeelverrekening overgelegd. Ook hebben zij geen andere stukken overgelegd die aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de adviezen van de Adviescommissie en de daaraan ten grondslag liggende taxatierapporten. De beroepsgronden van eisers met betrekking tot de voordeelverrekening slagen daarom niet.
Omvang normaal maatschappelijk risico
14. Eisers voeren aan dat het dagelijks bestuur bij het normale maatschappelijk risico een drempel van 2% van de waarde van de woningen voorafgaande aan de inwerkingtreding van het Projectplan had moeten toepassen en niet een drempel van 5%. Volgens eisers had het dagelijks bestuur kunnen kiezen voor een andere wijze van uitvoering van de dijkversterking in de vorm van glas of cleverdam waardoor geen belemmering van het uitzicht zou ontstaan en dus ook geen schade. Een deel van de dijkversterking is – ter hoogte van andere percelen – in glas uitgevoerd om de belemmering van het uitzicht te voorkomen en dit had het dagelijks bestuur ook ter hoogte van de percelen van eisers kunnen doen. Ook zijn appartementen op een talud gebouwd zodat er uitzicht op de Maas is. Volgens eisers kan het dagelijks bestuur niet stellen dat de uitvoeringswijze in steen naar haar aard in de ruimtelijke structuur en binnen het gevoerde beleid past, omdat voor alle woningen langs het water een wijze van uitvoering is gekozen waarbij het uitzicht op de Maas gewaarborgd blijft. Dit betekent volgens eisers dat het dagelijks bestuur de adviezen van de Adviescommissie niet aan de bestreden besluiten ten grondslag had mogen leggen.
14.1.
Bij een verzoek om nadeelcompensatie bestaat alleen aanspraak op een vergoeding als de schade moet worden aangemerkt als buiten het normaal maatschappelijk risico vallende schade. Bij het normaal maatschappelijk risico gaat het onder meer om de algemene maatschappelijke ontwikkelingen en nadelen waarmee degene die daardoor wordt geraakt rekening had moeten houden, ook al bestaat geen zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop deze zich zal concretiseren en de omvang van de nadelen die daaruit eventueel zullen voortvloeien. Hoe groot het normaal maatschappelijk risico is, moet worden bepaald met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval. [10] Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling [11] is de vaststelling van de omvang van het normaal maatschappelijk risico in de eerste plaats aan het dagelijks bestuur dat daarbij beoordelingsruimte toekomt. De rechtbank toetst of het dagelijks bestuur binnen de marges van zijn beoordelingsruimte is gebleven.
14.2.
De rechtbank stelt vast dat in de adviezen van de Adviescommissie staat dat naar aanleiding van de taxaties van de woningen van eisers van vóór en na de inwerkingtreding van het Projectplan de waardevermindering daarvan het volgende is:
  • [eiser 2] : € 15.000,- en dit betreft 3,5%;
  • [eiser 1] : € 20.000 en dit betreft 4,4%;
  • [eiser 3] € 7.500,- en dit betreft 4,3%.
14.3.
De rechtbank stelt verder vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de dijkverhoging kan worden gezien als een normale maatschappelijke ontwikkeling. De omvang van het normaal maatschappelijk risico is wel in geschil.
14.4.
De rechtbank is van oordeel dat het dagelijks bestuur, in navolging van de Adviescommissie, bij de bepaling van de omvang van het normaal maatschappelijk risico aansluiting heeft kunnen zoeken bij de rechtspraak van de Afdeling over de nadeelcompensatie bij dijkversterking. In de uitspraak van 8 juli 2015 [12] heeft de Afdeling geoordeeld dat voor de beoordeling of de schade binnen het normaal maatschappelijk risico valt van belang is dat de ligging van een woning vlakbij een dijk leidt tot een verhoogde kans op het ontstaan van uitzichtschade als gevolg van de ophoging van de dijk. In een dergelijk geval ligt het in de rede een drempel van 5% te hanteren. Ook in het geval van eisers is sprake van uitzichtschade als gevolg van de ophoging van de dijk.
14.5.
Daarnaast heeft het dagelijks bestuur bij de bepaling van de omvang van het normaal maatschappelijk risico, in overeenstemming met de adviezen van de Adviescommissie, aansluiting gezocht bij de rechtspraak van de Afdeling [13] over het stelsel van planschade. Daarin zijn de navolgende handvatten gegeven voor de hoogte van de te hanteren drempel:
  • Als de ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en het gedurende een reeks van jaren gevoerde ruimtelijke beleid past, mag het bestuursorgaan een drempel van 5% van de waarde van de onroerende zaak toepassen.
  • Als aan één van beide indicatoren maar voor een deel wordt voldaan, is het hanteren van een drempel van 4% in beginsel aangewezen.
  • Als aan één van beide indicatoren in zijn geheel niet wordt voldaan of als aan beide indicatoren deels wordt voldaan, is het hanteren van een drempel van 3% in beginsel aangewezen.
  • Als slechts aan één van beide indicatoren voor een deel wordt voldaan, of als aan beide indicatoren in het geheel niet wordt voldaan, is in beginsel het toepassen van het minimumforfait van 2% aangewezen.
14.5.1.
De rechtbank kan het dagelijks bestuur allereerst volgen in de conclusie dat de ontwikkeling naar haar aard en omvang past in de ruimtelijke structuur van de omgeving. De rechtbank overweegt daartoe dat sprake is van een verhoging van een bestaande dijk, de keermuur, gelegen aan de Maas en de woningen van eisers zich in de nabije omgeving van de keermuur en de Maas bevinden. Ook de wijze van uitvoering van de dijkverhoging in steen is passend in de structuur van de omgeving. De stenen keermuur is gelegen aan een beklinkerde weg en aan de buitendijkse zijde van de keermuur is ook bestrating aanwezig. Dat de verhoging in steen naar haar aard niet in de ruimtelijke structuur zou passen, omdat voor alle andere woningen langs het water een wijze van uitvoering is gekozen waarbij het uitzicht op de Maas gewaarborgd blijft, volgt de rechtbank niet. Met dit betoog hebben eisers de motivering van het dagelijks bestuur waarom voor een stenen verhoging is gekozen niet inhoudelijk weersproken. De enkele stelling dat er volgens eisers alternatieven bestaan, betekent niet dat de gekozen uitvoeringswijze ter hoogte van de woningen van eisers niet zou passen binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving.
14.5.2.
De rechtbank kan ook ten aanzien van het ruimtelijk beleid het standpunt van het dagelijks bestuur volgen. Eisers hebben niet weersproken dat de dijkversterking past binnen het gedurende een reeks van jaren gevoerde ruimtelijk beleid. Alleen de wijze van uitvoering daarvan zou volgens eisers niet binnen dat beleid passen. De rechtbank overweegt dat het dagelijks bestuur zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het ruimtelijk beleid niet was gericht op het uitvoeren van de dijkverhoging in glas. Naar aanleiding van een notitie van Arcadis genaamd “Afweging oplossingsrichtingen [naam perceel] ” van 27 oktober 2016 waarin mogelijke vormen van de dijkverhoging zijn onderzocht, heeft het dagelijks bestuur in de situatie van eisers gekozen voor een verhoogde keermuur in steen. Het bestaan van alternatieven van de dijkverhoging maakt niet dat de dijkverhoging in steen, naar haar aard en omvang niet binnen het jarenlang gevoerde ruimtelijke beleid zou passen. De rechtbank is niet gebleken van beleid waaruit zou volgen dat bij de dijkverhoging zoveel mogelijk het uitzicht behouden moet worden. Eisers hebben niet naar beleid verwezen, maar alleen voorbeelden genoemd waarbij volgens hen wel rekening is gehouden met het uitzicht. De rechtbank overweegt in dat verband dat in de “nota van beantwoording van zienswijzen Dijkversterking [naam projectplan] ” (hierna: de nota) naar aanleiding van de terinzagelegging van het ontwerpprojectplan Waterwet Dijkversterking, de ontwerplegger en de m.e.r.-beoordelingsbesluiten is uitgelegd waarom ervoor is gekozen om de keermuur deels in glas op te hogen. Bij de woningen dicht op de kademuur of waar bedrijfsbelangen worden beïnvloed, is vanwege de ruimtelijke kwaliteit hiervoor gekozen. Dat niet de hele kademuur in glas wordt opgehoogd, heeft met de kosten te maken. Daarnaast wordt in de genoemde nota aangegeven dat niet is gekozen voor een cleverdam vanwege de beheersinspanning en als gevolg daarvan de grote belasting voor het waterschap. In de procedure tot vaststelling van het Projectplan is dus het bestaan van alternatieven onderzocht en dit heeft niet tot het door eisers gewenste resultaat geleid.
14.5.3.
De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat het dagelijks bestuur zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de dijkverhoging naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en het gedurende een reeks van jaren gevoerde ruimtelijke beleid past en dus een drempel voor het normaal maatschappelijk risico van 5% mocht worden gehanteerd zoals het dagelijks bestuur, onder verwijzing naar de adviezen van de Adviescommissie, heeft gedaan. Ook deze beroepsgrond van eisers slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

15. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en het dagelijks bestuur de aanvragen om nadeelcompensatie in verband met de inwerkingtreding van het Projectplan heeft mogen afwijzen.
16. Omdat de beroepen ongegrond zijn, krijgen eisers het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Krens, voorzitter, mr. M.B.L. van der Weele,
mr. S.A. Lemmens, leden, in aanwezigheid van mr. A. Kloos, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2026.
De griffier is verhinderd om de
uitspraak te ondertekenen.
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 9 februari 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.De adviescommissie als bedoeld in artikel 5 van Pro de Verordening Nadeelcompensatie Waterschap Limburg.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 oktober 2018, gepubliceerd onder ECLI:NL:RVS:2018:3225.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:737.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:876.
8.Onder 2.4.1.
9.Onder 2.3.2.
10.Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2476.
11.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1205.
12.ECLI:NL:2015:2108.
13.Zie de uitspraken van de Afdeling van 3 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2402, onder 7.15 en 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690, onder 100.