ECLI:NL:RBLIM:2026:1421

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
ROE 22/1146
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:14 WaterwetArt. 2.34 Invoeringswet WaterwetArt. 4.21 Invoeringswet OmgevingswetArt. 3:310 BWArt. 3:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening afwijzing nadeelcompensatie wegens wortelrot door retentiebekken

Eiser, eigenaar van een rabarberteeltbedrijf, verzocht het Waterschap Limburg om nadeelcompensatie wegens schade aan gewassen door wortelrot veroorzaakt door een hoge grondwaterstand in 2016, gerelateerd aan een nabijgelegen retentiebekken. Het waterschap wees het verzoek af, stellende onder meer dat het verzoek was verjaard, sprake was van actieve risicoaanvaarding en dat er geen causaal verband bestond.

De rechtbank oordeelde dat het verzoek gebaseerd was op rechtmatig handelen van het waterschap, namelijk de aanleg (2001) en het beheer (2016) van het retentiebekken. Voor de aanleg was de Waterwet niet van toepassing, maar de verordening nadeelcompensatie van het waterschap wel. De rechtbank stelde vast dat de verjaringstermijnen niet waren verstreken en dat actieve risicoaanvaarding niet was aangetoond, mede omdat het perceel al jaren zonder schade werd gebruikt.

Op basis van een deskundigenrapport werd het causaal verband tussen de schade en het retentiebekken aannemelijk geacht. De rechtbank vond echter dat de omvang en onderbouwing van de schade onvoldoende waren beoordeeld door het waterschap. Daarom vernietigde de rechtbank het bestreden besluit en beval een hernieuwde, zorgvuldige beoordeling binnen twaalf weken, waarbij ook het griffierecht en proceskosten aan eiser werden vergoed.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en het waterschap moet binnen twaalf weken een nieuw besluit nemen over het bezwaar van eiser.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats: Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 22 / 1146

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , handelend onder de naam [eiser] , eiser,

en

het dagelijks bestuur van het Waterschap Limburg, verweerder

(gemachtigde: mr. H.X. Botter).

Samenvatting

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser over de afwijzing van zijn verzoek om nadeelcompensatie door verweerder. Eiser is het niet eens met die afwijzing en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder de afwijzing van het verzoek om nadeelcompensatie onvoldoende heeft onderzocht en gemotiveerd. Om die reden vernietigt de rechtbank de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding. Verweerder dient opnieuw te beslissen op het bezwaar van eiser.

Procesverloop

Met het besluit van 17 augustus 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om nadeelcompensatie afgewezen.
Met de beslissing op bezwaar van 12 april 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het tegen het primaire besluit gerichte bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2025. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [belanghebbende] , werkzaam als juridisch adviseur bij waterschap Limburg.

Overwegingen

Aanleiding van deze procedure

1. Eiser is eigenaar van de in 2015 opgerichte eenmanszaak [eiser] en houdt zich met die onderneming bezig met de teelt en verkoop van rabarber en verkoop van aanverwante producten. In 2015 is voor deze rabarberteelt een perceel gelegen aan de [adres 1] en de [adres 2] in [plaats] (hierna: het schadeperceel) via een mondelinge overeenkomst gepacht van [naam 1] . Ten oosten van het schadeperceel ligt een zogenoemd retentiebekken dat in 2001 door Waterschap Limburg (hierna: het waterschap) is aangelegd om overtollig water, zoals bij hevige regenval, tijdelijk op te vangen (hierna: het retentiebekken). Bij deze aanleg is tussen het retentiebekken en het schadeperceel een stuw geplaatst, evenals een duiker op dezelfde plek, in aansluiting op een sloot vanuit waar ontwatering van het schadeperceel naar het retentiebekken plaatsvindt. De duiker is in 2011 voorzien van een terugslagklep, waardoor er geen water vanuit het retentiebekken naar de sloot kan stromen, maar de sloot bij een gevuld retentiebekken ook niet kan afwateren. Door het retentiebekken stroomt de beek Boabel.
Een afbeelding van de hierboven beschreven situatie.
2.1.
Met een verzoek van 28 mei 2021 (hierna: het verzoek) heeft eiser verweerder verzocht om hem op grond van artikel 7.14 van de Waterwet een bedrag van € 4.086.216,- aan nadeelcompensatie toe te kennen, vermeerderd met € 35.762,80 aan buitengerechtelijke kosten en deskundigenkosten en met wettelijke rente vanaf 1 september 2016. De reden voor dit verzoek luidt – kort gezegd – dat het schadeperceel in de periode juni-juli 2016 ernstig is vernat als gevolg van een langdurige hoge grondwaterstand, nadat er begin juni 2016 forse neerslag is gevallen, waardoor de rabarbergewassen op het schadeperceel door wortelrot nagenoeg volledig verloren zijn gegaan. De oorzaak hiervan is volgens eiser gelegen in de aanwezigheid van het retentiebekken.
2.2.
Voorafgaand aan het verzoek heeft de rechtbank Limburg, naar aanleiding van een verzoekschrift van eiser tot het verkrijgen van een voorlopig deskundigenbericht, bij beschikking van 27 september 2018 [1] [naam 2] opdracht gegeven om als onafhankelijke deskundige de door eiser gestelde wateroverlast op het schadeperceel te onderzoeken. De bevindingen daarvan zijn neergelegd in het deskundigenrapport van 20 mei 2021. Onder meer dit deskundigenrapport is door eiser overgelegd ter onderbouwing van zijn verzoek.
3. Met het primaire besluit heeft verweerder het verzoek afgewezen. Het daartegen gerichte bezwaar van eiser heeft verweerder met het bestreden besluit, conform het advies van de Bezwarencommissie Waterschap Limburg, ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat er meerdere redenen zijn die de afwijzing van het verzoek rechtvaardigen. Volgens verweerder 1) heeft eiser aan zijn verzoek onrechtmatig handelen door het waterschap ten grondslag gelegd ter zake waarvan de bestuursrechter niet bevoegd is, 2) is de mogelijkheid om nadeelcompensatie te krijgen verjaard, 3) is sprake van actieve risicoaanvaarding door eiser, 4) ontbreekt een causaal verband tussen de gestelde schade en de vermeende schadeoorzaak en 5) is deze gestelde schade onvoldoende of onjuist onderbouwd.
4. In beroep betwist eiser elk van deze redenen. Verweerder heeft deze redenen in het verweerschrift en ter zitting gehandhaafd.

Het oordeel van de rechtbank

Startpunt van deze procedure, bevoegdheid rechtbank en relevante regelgeving
5.1.
De rechtbank stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat deze procedure is gestart met het verzoek en dus niet al eerder met een zogenoemd schademeldformulier dat eiser in 2016 bij het waterschap heeft ingediend. De rechtbank zal daar bij de verdere beoordeling ook vanuit gaan.
5.2.
Het bestreden besluit is, evenals het primaire besluit, gebaseerd op de Waterwet. Dit betekent dat de rechtbank bevoegd is om de rechtmatigheid van het bestreden besluit te beoordelen.
5.3.
De regelgeving die voor deze beoordeling van belang is, is te vinden in de bijlage bij deze tussenuitspraak.
Schadeveroorzakende gebeurtenis(sen)
6.1.
De rechtbank overweegt dat uit het verzoek niet duidelijk blijkt wat volgens eiser de schadeveroorzakende gebeurtenis is en evenmin of hij die gebeurtenis aanmerkt als rechtmatig of onrechtmatig handelen van het waterschap. Hij wijst immers op de wijze waarop het retentiebekken in 2001 is aangelegd alsook op het beheer van het retentiebekken door het waterschap. Daarnaast stelt hij enerzijds dat het retentiebekken niet voldoet aan de normen, het lokale watersysteem ondeugdelijk heeft gefunctioneerd en het waterschap de zorgplicht heeft geschonden. Anderzijds stelt hij dat de door hem geleden schade het gevolg is van de rechtmatige taakuitoefening van het waterschap.
6.2.
Ter zitting heeft eiser – desgevraagd – deze onduidelijkheid erkend en toegelicht dat hij stelt schade te hebben geleden door de rechtmatige aanleg van het retentiebekken in 2001, waarin het waterschap vanaf begin juni 2016 overtollig water heeft opgeslagen om het gebied stroomafwaarts van de beek Boabel van wateroverlast te ontzien.
6.3.
Gelet op deze toelichting kan het standpunt van verweerder dat het verzoek moest worden afgewezen, omdat daarin wordt uitgegaan van onrechtmatig handelen door het waterschap, niet overeind blijven. De rechtbank vat de ter zitting door eiser gegeven verduidelijking [2] namelijk zo op dat hij zowel de aanleg van het retentiebekken in 2001 als het beheer van het retentiebekken vanaf begin juni 2016 als schadeveroorzakende gebeurtenis aanmerkt en dat beide gebeurtenissen volgens hem voortkomen uit rechtmatig handelen door het waterschap. Daarbij wordt opgemerkt dat eiser beide schadeveroorzakende gebeurtenissen ook al uitdrukkelijk in de bezwaarfase naar voren heeft gebracht. [3]
6.4.
In het bestreden besluit heeft verweerder de overige, hiervoor genoemde redenen om het verzoek af te wijzen uitsluitend toegespitst op de aanleg van het retentiebekken in 2001 als schadeveroorzakende gebeurtenis. Nu het verzoek ook is gebaseerd op het beheer als schadeveroorzakende gebeurtenis, beoordeelt de rechtbank hieronder voor beide schadeveroorzakende gebeurtenissen of deze overige redenen voor afwijzing van het verzoek overeind kunnen blijven.
De aanleg in 2001: van toepassing zijnde regelgeving en verjaring
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat als uitgegaan wordt van de aanleg van het retentiebekken in 2001 als schadeveroorzakende gebeurtenis, artikel 7.14 van de Waterwet niet van toepassing is. De Waterwet is immers op 22 december 2009 in werking getreden en in artikel 2.34, eerste lid, van de Invoeringswet Waterwet is bepaald dat artikel 7.14 van de Waterwet niet van toepassing is indien de schade is veroorzaakt door een uitoefening van een taak of bevoegdheid die plaatsvond voor het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel.
7.2.
Dit betekent dat de Verordening Nadeelcompensatie Waterschap Limburg van toepassing is, gelet op de datum waarop het verzoek is ingediend. In deze verordening zijn geen specifieke verjaringsregels opgenomen. Op grond van vaste rechtspraak [4] zijn in dat geval de algemene verjaringsregels die zijn neergelegd in titel 11 van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) van overeenkomstige toepassing op een aanspraak op nadeelcompensatie. Hier gaat het specifiek om de bepaling van artikel 3:310, eerste lid, van het BW, waarvan de tekst in de bijlage bij deze uitspraak is opgenomen.
7.3.
Voor het aanvangen van de verjaringstermijn op grond van artikel 3:310, eerste lid, BW is vereist dat een benadeelde bekend is met de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. De benadeelde moet daadwerkelijk in staat zijn om ook een rechtsvordering ter zake in te stellen. Daarvoor dient hij voldoende zekerheid te hebben dat hij de betrokken schade lijdt of zal lijden. [5] Dit houdt niet in dat voor het aanvangen van de verjaringstermijn is vereist dat de benadeelde – behalve met de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon – daadwerkelijk bekend is met de juridische beoordeling van die feiten en omstandigheden. [6]
7.4.1.
Verweerder heeft met de enkele verwijzing naar een door eiser op 29 februari 2012 gedane melding niet aangetoond dat de zogenoemde relatieve verjaringstermijn van vijf jaren op dat moment was aangevangen en dus ten tijde van de indiening van het verzoek om nadeelcompensatie was verstreken. Deze melding van eiser bij het voorheen bestaande Waterschap Peel en Maasvallei ziet op een hoge waterstand van “de beek aan de Nieuwebaan”, een hoog grondwaterpeil en een drassig perceel. Naar aanleiding van de melding heeft het toenmalige waterschap een stuw en een deel van de zijtak van de beek Boabel schoongemaakt. Daargelaten dat in deze melding het verband tussen de destijds ondervonden problemen en de aanleg van het retentiebekken niet of niet voldoende naar voren komt, blijkt hieruit niet dat eiser ten tijde van deze melding al bekend was met de feiten en omstandigheden die betrekking hadden op de schade die hij ruim vier jaar later in 2016 zou lijden. Evenmin blijkt hieruit dat eiser destijds al voldoende zekerheid had dat hij deze schade zou lijden en daadwerkelijk in staat was om hiervoor een rechtsvordering in te stellen. Dit betekent dat de relatieve verjaringstermijn niet al met de melding van 29 februari 2012 is aangevangen, maar pas in de periode juni-juli 2016, waarna het verzoek binnen de relatieve verjaringstermijn van vijf jaren is ingediend.
7.4.2.
Verweerder heeft ook niet aangetoond dat de zogenoemde absolute verjaringstermijn van twintig jaren was verstreken ten tijde van de indiening van het verzoek. Bepalend daarvoor is dat verweerder het aanvangsmoment van die termijn in het geheel niet heeft geconcretiseerd, terwijl dit wel op zijn weg ligt als degene die zich op verjaring beroept. De datum waarop de besluitvorming is genomen die ten grondslag ligt aan de aanleg van het retentiebekken in 2001 en de datum waarop deze aanleg feitelijk is afgerond, heeft verweerder, ook desgevraagd ter zitting, niet kunnen geven.
7.5.
De conclusie is dat, uitgaande van de aanleg van het retentiebekken in 2001 als schadeveroorzakende gebeurtenis, de Verordening Nadeelcompensatie Waterschap Limburg de van toepassing zijnde regeling is en dat verweerder eiser voor deze schadeveroorzakende gebeurtenis in het bestreden besluit ten onrechte verjaring heeft tegengeworpen.
Het beheer in 2016: van toepassing zijnde regelgeving en verjaring
8.1.
De rechtbank is – ter beoordeling van beide gestelde schadeveroorzakende gebeurtenissen, zie hiervoor in 6.4 – van oordeel dat als uitgegaan wordt van het beheer van het retentiebekken in 2016 als schadeveroorzakende gebeurtenis, artikel 7.14 van de Waterwet wel van toepassing is. Op 1 januari 2024 is artikel 7.14 van de Waterwet weliswaar ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden, maar in artikel 4.21 van de Invoeringswet Omgevingswet heeft de wetgever regels van overgangsrecht gegeven voor een verzoek om vergoeding van schade die is veroorzaakt door de uitoefening van een taak of bevoegdheid als bedoeld in artikel 7.14, eerste lid, van de Waterwet. In het eerste lid is bepaald dat het oude recht van toepassing blijft op het verzoek om schadevergoeding tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt en, bij toewijzing van het verzoek, de toegewezen schadevergoeding volledig is betaald. Het verzoek van eiser dateert van 28 mei 2021. Dit betekent dat in dit geval artikel 7.14 van de Waterwet, zoals die bepaling gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
8.2.
De aanspraak van eiser op nadeelcompensatie, voor zover deze verband houdt met het beheer van het retentiebekken in 2016 als schadeveroorzakende gebeurtenis, was ten tijde van de indiening van het verzoek niet verjaard. Uit artikel 7.14, derde lid, van de Waterwet volgt dat een bestuursorgaan een verzoek om nadeelcompensatie kan afwijzen, indien vijf jaren zijn verlopen na de dag waarop de schade zich heeft geopenbaard dan wel nadat de benadeelde redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn van de schade, doch in elk geval na verloop van twintig jaren na de schadeveroorzakende gebeurtenis. In het geval van eiser is het verzoek ingediend binnen vijf jaar na openbaring van de schade in de periode juni-juli 2016 en ook binnen twintig jaar na de schadeveroorzakende gebeurtenis.
8.3.
De conclusie is dat als moet worden uitgegaan van het beheer van het retentiebekken in 2016 als schadeveroorzakende gebeurtenis, artikel 7.14 van de Waterwet wel van toepassing is en dat verweerder eiser ook voor deze schadeveroorzakende gebeurtenis geen verjaring kan tegenwerpen.
Actieve risicoaanvaarding
9.1.
De vraag die vervolgens voorligt, is of de door eiser in de periode juni-juli 2016 geleden schade niet voor vergoeding in aanmerking komt vanwege actieve risicoaanvaarding, in die zin dat deze schade voor hem voorzienbaar was op het moment dat hij met [eiser] het schadeperceel pachtte in 2015 en daarmee een investering deed.
9.2.
Volgens vaste rechtspraak [7] is voor het aannemen van risicoaanvaarding niet vereist dat verwezenlijking van de schadeveroorzakende overheidsmaatregel volledig en onherroepelijk vaststaat. Evenmin is vereist dat de schadeveroorzakende maatregel tot in details is uitgewerkt of dat de omvang van de nadelige gevolgen geheel nauwkeurig is bepaald. Beslissend is of op het moment van investering de mogelijkheid van de schadeveroorzakende overheidsmaatregel zodanig kenbaar was, dat een redelijk denkende en handelende ondernemer bij de beslissing tot investering daarmee rekening moest houden.
9.3.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser ten tijde van zijn investering in 2015 behoorde te weten en feitelijk wist dat het risico bestond dat een (door hevige regenval) vol retentiebekken ertoe kon leiden dat er tijdelijk niet meer kon worden afgewaterd, met een drassig schadeperceel tot gevolg. De rechtbank volgt dit standpunt echter niet, omdat een deugdelijke onderbouwing daarvoor ontbreekt en overweegt daartoe het volgende.
9.3.1.
De rechtbank stelt voorop dat zij bij de motivering van haar oordeel geen onderscheid hoeft te maken tussen de twee gestelde schadeveroorzakende gebeurtenissen, omdat de redenering en uitkomst voor beide dezelfde is. Gemakshalve worden aanleg en beheer hierna gezamenlijk aangeduid als ‘de aanwezigheid van het retentiebekken’.
9.3.2.
Dat ontwatering van het schadeperceel al sinds 2001 zichtbaar plaatsvindt via een sloot naar het retentiebekken en dat volgens verweerder bekend mag worden verondersteld dat deze afwatering niet mogelijk is bij een vol retentiebekken, betekent op zichzelf niet dat sprake is van actieve risicoaanvaarding. Van belang voor dit oordeel is dat het schadeperceel voorafgaand aan de investering van eiser in 2015 kennelijk al voor een periode van meer dan tien jaar voor akkerbouw werd gebruikt en dit ondanks de aanwezigheid van het retentiebekken nimmer tot schade heeft geleid. Volgens eiser heeft hij namelijk in een andere hoedanigheid dan met [eiser] , namelijk als vennoot in een maatschap met zijn broer, in elk geval sinds 2002 verschillende gewassen verbouwd op het schadeperceel, waaronder vanaf 2011-2012 rabarber, en is hij pas voor het eerst in de periode juni-juli 2016 geconfronteerd met schade. Dit is door verweerder niet weersproken. Gelet op deze lange voorgeschiedenis van ‘schadeloze’ landbouw op het schadeperceel kan niet gesteld worden dat de mogelijkheid van schade door de aanwezigheid van het retentiebekken voor eiser in 2015 zodanig kenbaar was dat hij daar bij zijn investering rekening mee had moeten houden.
9.3.3.
Ook de door eiser op 29 februari 2012 gedane melding maakt niet dat gesproken kan worden van actieve risicoaanvaarding. In lijn met wat reeds onder 7.4.1 is overwogen, komt uit deze melding onvoldoende verband naar voren tussen de destijds ondervonden problemen en de aanwezigheid van het retentiebekken.
9.3.4.
Tot slot is actieve risicoaanvaarding ook niet aangetoond met een brief van het Waterschap Peel en Maasvallei van 17 december 2013 die aan [naam 1] als eigenaar van het perceel is gericht, die eiser in bezwaar heeft overgelegd. Bijlage van de brief is een plattegrond met daarop een inundatiegebied weergegeven dat stroomafwaarts van het retentiebekken ligt. In de brief is onder meer vermeld dat bij hoogwater het retentiebekken voor opvang van water zorgt en stroomafwaarts delen van landbouwpercelen kunnen overlopen, maar dat investering in een technische maatregel om wateroverlast te voorkomen niet rendabel is. Eiser stelt dat hij deze brief pas eind 2021 onder ogen heeft gekregen en verweerder heeft op zijn beurt niet aannemelijk gemaakt dat eiser al eerder, vóór de investering in 2015, op de hoogte was van de inhoud van de brief. Al om die reden gaat het beroep van verweerder op actieve risicoaanvaarding niet op, nog daargelaten of de inhoud van de brief actieve risicoaanvaarding kan onderbouwen ten aanzien van het schadeperceel dat niet stroomafwaarts ligt.
9.4.
De conclusie is dat verweerder eiser in het bestreden besluit ten onrechte actieve risicoaanvaarding heeft tegengeworpen.
Causaal verband
10.1.
Volgens vaste rechtspraak [8] is de hoofdregel dat de belanghebbende die in een verzoek om nadeelcompensatie stelt dat hij voor vergoeding in aanmerking komende schade lijdt als gevolg een rechtmatige gedraging van een bestuursorgaan de gestelde schade op objectieve en verifieerbare wijze aannemelijk maakt. De bewijslast van het bestaan en de omvang van de schade en het causaal verband met de gestelde oorzaak van de schade rust dus op de verzoeker.
10.2.
Om dezelfde reden als genoemd onder 9.3.1 beoordeelt de rechtbank in de onderstaande overwegingen de schadeveroorzakende gebeurtenissen van aanleg en beheer samen.
10.2.1.
Eiser is er naar het oordeel van de rechtbank op basis van het overgelegde deskundigenrapport van [naam 2] in geslaagd om het causale verband aannemelijk te maken tussen de door hem in de periode juni-juli 2016 geleden schade en de aanleg van het retentiebekken in 2001 dan wel het beheer van het retentiebekken in 2016. Daartoe acht de rechtbank het volgende redengevend.
10.2.2.
[naam 2] concludeert op pagina 24 van het deskundigenrapport:
“De factoren die hebben bijgedragen aan de geclaimde schade zijn de neerslag, de aanleg van het bekken alsmede de wijze van afwatering van het schadeperceel naar het bekken en tot slot het beheer van het watersysteem (…) Zonder de aanleg van het retentiebekken zou de verhoging van de grondwaterstanden alleen door de neerslag zijn opgetreden en daardoor kleiner zijn geweest. Daarnaast zou een natuurlijke afwatering van het schadeperceel naar de Boabel mogelijk zijn geweest. (…) De conclusie in dit verband is dat de geclaimde schade in belangrijke mate is veroorzaakt door de aanleg van het retentiebekken (…) en de hiermee samenhangende wijziging van de afwatering van het schadeperceel.”
10.2.3.
In bijlage 2 bij het deskundigenrapport reageert [naam 2] op opmerkingen van expertisebureau Lemkes & Velthuis BV [9] die zijn gemaakt naar aanleiding van het eerder door [naam 2] verstrekte concept-deskundigenrapport. In deze bijlage [10] concretiseert [naam 2] de onder 10.2.2. weergegeven conclusie door in te gaan op de theoretische berekening van de grondwaterstijghoogte ter plaatse van het schadeperceel op 25 juni 2016 zonder de aanwezigheid van het retentiebekken. Hieruit valt – kort gezegd – af te leiden dat bij de hoogste grondwaterstanden in die berekening nog niet onmiddellijk zuurstofgebrek optreedt en – naar de rechtbank begrijpt – dus ook geen wortelrot. [naam 2] concludeert vervolgens:
“Het hogere peil in het retentiebekken en het niet functioneren van de afwatering via de perceelsloot zorgen voor een verdere grondwaterstandverhoging die bovendien langer aanhoudt dan zonder retentiebekken. De opgetreden gewasschade kan derhalve grotendeels hieraan worden toegeschreven.”
10.2.4.
Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier geen concrete aanknopingspunten om aan de juistheid van de conclusie van [naam 2] te twijfelen. De rechtbank maakt hieruit op dat de grondwaterstand destijds ter plaatse van het schadeperceel zonder de aanwezigheid van het retentiebekken niet zo lang zo hoog zou zijn geweest dat er gewasschade zou zijn ontstaan. Dit betekent dat de door eiser geleden schade niet enkel en alleen door de hevige regenval is ontstaan, maar dat deze in ieder geval grotendeels is toe te rekenen aan de aanwezigheid van het retentiebekken.
10.3.
De conclusie is dat er een causaal verband bestaat tussen de door eiser in de periode juni-juli 2016 geleden schade en de aanwezigheid van het retentiebekken.
Onderbouwing van de gestelde schade
11.1.
De slotvraag is in welke mate de door eiser gestelde schade daadwerkelijk aan de aanwezigheid van het retentiebekken en dus aan het waterschap is toe te rekenen.
11.2.
Volgens de onder 10.1 aangehaalde vaste rechtspraak ligt het op de weg van eiser om het bestaan en de omvang van de schade aan te tonen.
11.3.
In het verzoek haalt eiser drie schadeposten aan, waarop hij vervolgens een kapitalisatiefactor van tien toepast. Een van deze schadeposten betreft volgens hem rechtstreekse schade en is als bijlage bij het verzoek onderbouwd met een taxatierapport van 16 februari 2017, opgesteld door [naam 3] , Agrarisch Register-Taxateur VRT. De andere twee schadeposten bestaan volgens hem uit gevolgschade en zijn onderbouwd met de bij het verzoek gevoegde bijlagen 3 en 4.
11.4.
In het bestreden besluit en in beroep is verweerder niet op deze afzonderlijke schadeposten ingegaan. Verweerder heeft het algemene standpunt ingenomen dat de door eiser gestelde schade onvoldoende, althans onjuist, is onderbouwd, omdat de schade voor zover deze is ontstaan door de hevige regenval niet aan het waterschap kan worden toegerekend. Het is volgens verweerder daarom niet juist om naar de totale schade te kijken als gevolg van de stijging van de grondwaterstand. Daarnaast heeft verweerder toepassing van een kapitalisatiefactor van tien betwist.
11.5.
De rechtbank acht zich op dit onderdeel onvoldoende voorgelicht om de slotvraag te kunnen beoordelen. De discussie tussen partijen heeft zich tot op heden namelijk met name gericht op de redenen tot afwijzing van het verzoek, waarover de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld. Een inhoudelijke beoordeling door verweerder van en een debat over het bestaan van de schade, de omvang daarvan en de onderbouwing daarvoor, toegespitst op de afzonderlijke schadeposten, heeft onvoldoende plaatsgevonden. Anders gezegd: het onderwerp ‘het bestaan en omvang van de schade’ is nog niet uitgekristalliseerd. Vanwege het oordeel over het causale verband, gaat het door verweerder ingenomen algemene standpunt in elk geval niet langer op of behoeft dit tenminste een nadere motivering of nader onderzoek. In het kader van zorgvuldige besluitvorming zal een dergelijke inhoudelijke beoordeling alsnog plaats moeten vinden, met daarbij onder meer aandacht voor het taxatierapport van [naam 3] en de bij het verzoek gevoegde bijlagen 3 en 4. Het ligt voor de hand om ten behoeve van deze inhoudelijke beoordeling eiser nogmaals de gelegenheid te geven om de door hem gestelde schade desgewenst te wijzigen, nader te motiveren of te onderbouwen.
11.6.
De rechtbank geeft partijen wel mee dat op basis van de huidige informatie niet valt in te zien waarom de in het verzoek door eiser gehanteerde kapitalisatiefactor van tien aanvaardbaar is, ongeacht van welke schadeveroorzakende gebeurtenis wordt uitgegaan. Allereerst is voor het hanteren van een kapitalisatiefactor vereist dat voor onbepaalde tijd terugkerende inkomensschade wordt geleden, wat in het geval van eiser niet aan de orde lijkt te zijn. Voor wat betreft de hoogte van de kapitalisatiefactor is bovendien relevant dat eiser geen eigenaar van het schadeperceel was en hij naar eigen zeggen de pachtovereenkomst voor dit perceel na het ontstaan van de schade in 2016 heeft beëindigd en sinds 2017 een nabijgelegen perceel pacht voor de rabarberteelt.
Conclusie en gevolgen
12.1.
Gelet op hetgeen onder 6.1 tot en met 10.3 is overwogen, is het bestreden besluit op verschillende onderdelen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in samenhang met artikel 7:12, eerste lid, van die wet, onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.
12.2.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien, omdat de discussie over het onderwerp ‘het bestaan en omvang van de schade’ nog te veel open ligt. Hierdoor bestaat er ook nog geen duidelijkheid over wat een rechtmatige uitkomst van dit geschil is. De onder 11.5 genoemde herbeoordeling door verweerder moet hier verandering in brengen.
12.3.
De rechtbank bepaalt daarom met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder binnen een termijn van twaalf weken een nieuw besluit op het bezwaar van eiser moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
12.4.
Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 184,- vergoeden. Daarnaast krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij in beroep heeft gemaakt, zijnde in dit geval de kosten van rechtsbijstand. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht bedraagt die vergoeding € 934,-, omdat de toenmalig gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend (1 punt). De waarde per punt bedraagt € 934,- en de rechtbank gaat uit van een zaak van gemiddeld gewicht met wegingsfactor 1.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van eiser te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B.L. van der Weele, voorzitter, en mr. G.J. Krens en
mr. S.A. Lemmens, leden, in aanwezigheid van mr. A. Kloos, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.
de griffier is verhinderd de uitspraak voorzitter
mede te ondertekenen
Afschrift verzonden aan partijen op: 11 februari 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: de voor deze zaak relevante regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Artikel 3:46
Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.
Artikel 7:12
1. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Daarbij wordt, indien ingevolge artikel 7:3 van Pro het horen is afgezien, tevens aangegeven op welke grond dat is geschied
(…)
Artikel 8:72
(…)
4. De bestuursrechter kan, indien toepassing van het derde lid niet mogelijk is, het bestuursorgaan opdragen een nieuw besluit te nemen of een andere handeling te verrichten met inachtneming van zijn aanwijzingen. Daarbij kan hij:
(…)
b. het bestuursorgaan een termijn stellen voor het nemen van het nieuwe besluit of het verrichten van de andere handeling.
(…)
Burgerlijk Wetboek
Artikel 3:310
1. Een rechtsvordering tot vergoeding van schade of tot betaling van een bedongen boete verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade of de opeisbaarheid van de boete als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden, en in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt of de boete opeisbaar is geworden.
Invoeringswet Omgevingswet
Artikel 4.21
1. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet schade is veroorzaakt door de uitoefening van een taak of bevoegdheid als bedoeld in artikel 7.14, eerste lid, van de Waterwet, blijft het oude recht van toepassing op een verzoek om schadevergoeding dat wordt ingediend binnen vijf jaar nadat de schade zich heeft geopenbaard of de benadeelde redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn van de schade, maar in ieder geval binnen twintig jaar na de schadeveroorzakende gebeurtenis.
2. Het oude recht blijft van toepassing op het verzoek om schadevergoeding tot het besluit onherroepelijk wordt en, bij toewijzing van het verzoek, de toegewezen schadevergoeding volledig is betaald.
3. Afdeling 4.1 is in die gevallen niet van toepassing.
Invoeringswet Waterwet
Artikel 2.34
1. De artikelen 7.14 tot en met 7.17 van de Waterwet zijn niet van toepassing indien de schade is veroorzaakt door een uitoefening van een taak of bevoegdheid die plaatsvond voor het tijdstip van inwerkingtreding van die artikelen.
(…)
Waterwet (zoals deze luidde ten tijde van belang)
Artikel 7.14
1. Aan degene die als gevolg van de rechtmatige uitoefening van een taak of bevoegdheid in het kader van het waterbeheer schade lijdt of zal lijden, wordt op zijn verzoek door het betrokken bestuursorgaan een vergoeding toegekend, voor zover de schade redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd.
2. Het verzoek tot vergoeding van de schade bevat een motivering, alsmede een onderbouwing van de hoogte van de gevraagde schadevergoeding. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur dan wel verordening van provincie of waterschap kunnen regels worden gesteld omtrent de inrichting, indiening en motivering van een verzoek tot schadevergoeding.
3. Het bestuursorgaan kan het verzoek afwijzen, indien vijf jaren zijn verlopen na de dag waarop de schade zich heeft geopenbaard dan wel nadat de benadeelde redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn van de schade, doch in elk geval na verloop van twintig jaren na de schadeveroorzakende gebeurtenis. Bij of krachtens de in het tweede lid bedoelde algemene maatregel van bestuur dan wel verordening van provincie of waterschap kunnen regels worden gesteld omtrent de behandeling en de wijze van beoordeling van een verzoek tot schadevergoeding.
(…)

Voetnoten

1.Geregistreerd onder zaaknummer C/03/250564 en rekestnummer HA RK 18/130.
2.Een dergelijke verduidelijking is volgens rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) toelaatbaar. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 9 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1199, 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:402, en 16 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:504.
3.Zie bijvoorbeeld pagina 2 van het verslag van de hoorzitting op 20 januari 2022 bij de Bezwarencommissie Waterschap Limburg en de door eiser in de bezwaarfase overgelegde brief van 30 januari 2022.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 12 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2942.
5.Zie het arrest van de Hoge Raad van 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:552 en de uitspraak van de Afdeling van 22 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2764.
6.Zie het arrest van de Hoge Raad van 23 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2047.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 17 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7731.
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:223.
9.Dit expertisebureau is ingeschakeld door de verzekeraar van het waterschap.
10.Te vinden op pagina 9, de tekst boven het kopje ‘Vraag 4.1’,