ECLI:NL:RBLIM:2026:1852

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
ROE 24/2880
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.12 WaboArt. 4 Besluit omgevingsrechtArt. 7:11 AwbArt. 8:50 AwbArt. 4.3 Invoeringswet Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering omgevingsvergunning opslagloods wegens strijd met bestemmingsplan

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Horst aan de Maas om een omgevingsvergunning voor een opslagloods te weigeren. De opslagloods is gelegen op het perceel waar ook een groepsaccommodatie wordt geëxploiteerd. Het college had aanvankelijk een vergunning verleend, maar deze later herroepen en de aanvraag alsnog geweigerd vanwege strijd met het bestemmingsplan.

De rechtbank stelt vast dat de opslagloods feitelijk ook bedrijfsmatig wordt gebruikt ten behoeve van de groepsaccommodatie, wat niet is toegestaan binnen de bestemming “Recreatie – Verblijfsrecreatie” volgens artikel 46.1 van het bestemmingsplan. De rechtbank oordeelt dat het college de vergunning terecht heeft geweigerd omdat de opslagloods niet voor bedrijfsmatige opslag mag worden gebruikt.

Verder is geoordeeld dat er geen sprake is van strijd met het vertrouwensbeginsel, omdat het primaire besluit in bezwaar volledig is heroverwogen en het college de vergunning mocht herroepen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de omgevingsvergunning voor de opslagloods wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 24/2880

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres, gevestigd in [vestigingsplaats] ,

(gemachtigden: mr. M. Stultiens en mr. L. Pronk),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Horst aan de Maas,het college
(gemachtigden: mr. J.R.P. Lamers, mr. R.C.H. Schrömbges en J.D. Oegema).

Als derde-partij nemen aan de zaak deel: [derde-partij 1] , [derde-partij 2] en

[derde-partij 3], uit [woonplaats] ,
(gemachtigde: mr. C.R. Jansen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering om een omgevingsvergunning te verlenen voor het veranderen (dichtzetten) van een overkapping (hierna ook aangeduid als de opslagloods) aan de [adres 1] in [plaats] . Eiseres is niet eens met deze weigering. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de opslagloods heeft kunnen weigeren, omdat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de opslagloods zal worden gebruikt ten behoeve van de groepsaccommodatie en dus in strijd met het bestemmingsplan is. Verder is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van strijd met het vertrouwensbeginsel. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Met het besluit van 26 oktober 2023 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen (dichtzetten) van een overkapping. Met het bestreden besluit van 28 maart 2024 op het bezwaar van de derde-partij heeft het college de omgevingsvergunning herroepen en de aanvraag alsnog geweigerd. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
4. Het college heeft op het beroep met een verweerschrift gereageerd en de
derde-partij heeft ook schriftelijk gereageerd.
5. Op 29 januari 2026 heeft in bijzijn van partijen een onderzoek ter plaatse (descente) plaatsgevonden als bedoeld in artikel 8:50 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Van het onderzoek ter plaatse is een proces-verbaal opgemaakt dat reeds naar partijen is gestuurd.
6. Aansluitend aan het onderzoek ter plaatse heeft de rechtbank dit beroep, samen met de beroepen in zaaknummers ROE 23/1932, ROE 24/2172, ROE 24/2881 en ROE 24/4465, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van het college, eiseres en haar gemachtigden, [belanghebbende] namens eiseres en [derde-partij 2] en zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
7. Eiseres is eigenaar van de gronden aan de [adres 1] en [adres 2] in [plaats] . Zij woont in een bedrijfswoning op dat perceel en de groepsaccommodatie [naam groepsaccommodatie] is ook op dat perceel gevestigd. Eiseres exploiteert deze groepsaccommodatie via de eenmanszaak ‘Groepsaccommodatie Sport- en Vakantiecentrum [naam groepsaccommodatie] ’. De derde-partij betreft [derde-partij 1] en [derde-partij 2] die aan de [adres 3] wonen en [derde-partij 3] die aan de [adres 4] woont.
8. Bij besluit van 4 oktober 2018 heeft het college aan Sport- en Vakantiecentrum [naam] een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een overkapping. Deze overkapping is nooit gerealiseerd, maar in plaats daarvan is een opslagloods gebouwd. Voor deze opslagloods is op 20 juli 2022 een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend. Deze aanvraag is aangeduid als het veranderen van de overkapping tot een opslagloods. Het college heeft bij besluit van 25 oktober 2022 geweigerd om daarvoor een omgevingsvergunning te verlenen.
9. Na deze weigering heeft Groepsaccommodatie Sport- en Vakantiecentrum [naam groepsaccommodatie] op 14 augustus 2023 de onderhavige aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend, omdat een klein gedeelte van de achterzijde van de opslagloods op 1,0 meter van de perceelsgrens is gelegen en dit is in strijd met het bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas” (hierna: het bestemmingsplan). Deze aanvraag betreft de legalisatie van de opslagloods voor de opslag van privégoederen en is naar aanleiding van een handhavingsprocedure ingediend. Deze rechtbank heeft op 24 februari 2026 een uitspraak gedaan in deze handhavingsprocedure. [1]
10. Het college heeft aanvankelijk voor de opslagloods op 26 oktober 2023 een omgevingsvergunning verleend op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) in samenhang met artikel 4, eerste lid, van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (kruimelgevallenregeling).
11. Op 18 september 2023 heeft een toezichthouder van de gemeente een controle ter plaatse uitgevoerd. In de opslagloods heeft de toezichthouder het volgende aangetroffen: een tractor met grasmaaier, een personenauto, verschillende soorten gereedschap, matrassen in plastic ten behoeve van de groepsaccommodatie en een hogedrukreiniger.
12. Nadat de derde-partij bezwaar tegen de verleende omgevingsvergunning heeft ingediend, heeft het college, in overeenstemming met het advies van de bezwaarschriftencommissie, bij het bestreden besluit besloten om de verleende omgevingsvergunning te herroepen en de aanvraag alsnog te weigeren. De reden daarvoor is dat de opslagloods (ook) bedrijfsmatig zal worden gebruikt, waardoor sprake is van strijd met het bestemmingsplan.
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
13. Het bestreden besluit is genomen op grond van de Wabo. Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden en is de Wabo ingetrokken. Omdat de aanvraag die heeft geleid tot het bestreden besluit vóór 1 januari 2024 is ingediend, volgt uit artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet dat dit geschil moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht. Dit betekent dat de Wabo, zoals die gold vóór
1 januari 2024 met aanverwante wetgeving, van toepassing blijft op deze zaak.
Heeft het college de omgevingsvergunning mogen weigeren?
14. Eiseres voert aan dat het college ten onrechte heeft geweigerd om een omgevingsvergunning te verlenen. Zij voert daartoe aan dat de opslagloods voor zowel privéopslag als voor bedrijfsmatige opslag mag worden gebruikt en verwijst daarvoor naar artikel 46.1 van het bestemmingsplan. In dat verband voert eiseres aan dat het gaat om de opslag van matrassen voor de groepsaccommodatie die verband houdt met het op de bestemming gerichte gebruik van de gronden, namelijk de recreatieve bestemming. Er is dan ook geen sprake van strijdig gebruik.
14.1.
De rechtbank stelt vast dat een vergunning voor de opslagloods is aangevraagd voor het gebruik als privéopslag bij de bedrijfswoning, terwijl uit een controle op 18 september 2023 van een toezichthouder is gebleken dat in de opslagloods
ookbedrijfsmatig ten behoeve van de groepsaccommodatie opslag plaatsvond. Eiseres heeft ook erkend dat ten tijde van het bestreden besluit zowel privé als bedrijfsmatige opslag in de opslagloods plaatsvond. De rechtbank stelt verder vast dat de omgevingsvergunning vervolgens door het college geweigerd is, omdat deze bedrijfsmatige opslag volgens het college niet is toegelaten volgens de regels van het bestemmingsplan. De rechtbank zal in het hiernavolgende uitsluitend ingaan op de vraag of het college de omgevingsvergunning op die grond terecht heeft geweigerd en daarbij in het midden laten of privé-opslag wel is toegelaten (omdat partijen daarover niet van mening verschillen).
14.2.
De opslagloods is onder andere gelegen binnen de bestemming “Recreatie – Verblijfsrecreatie” van het bestemmingsplan.
14.3.
In artikel 46.1, onder a van het bestemmingsplan is bepaald dat onder strijdig gebruik met de bestemmingen in ieder geval wordt verstaan het (laten) gebruiken van gronden en/of bouwwerken voor en/of als het (bedrijfsmatig) vervaardigen, opslaan, verwerken of herstellen van goederen en het opslaan en be- of verwerken van producten en mest; een en ander, tenzij dit gebruik verband houdt met het op de bestemming gerichte beheer of gebruik van de gronden en behoudens indien het gebruik blijkens de regels is toegestaan.
14.4.
Uit deze bepaling volgt volgens de rechtbank dat bedrijfsmatige opslag (ten behoeve van de groepsaccommodatie) niet in de opslagloods mag plaatsvinden. De uitzondering genoemd in artikel 46.1 (het gedeelte achter ‘tenzij’) maakt dit, in tegenstelling tot wat eiseres beweert, niet anders. Voor de uitzondering geldt namelijk dat het gebruik binnen de regels moet zijn toegestaan. Dat hier niet het geval: binnen de bestemming “Recreatie- verblijfsrecreatie” wordt geen opslag toegelaten. Er is dus, nu sprake is van (bedrijfsmatige) opslag, sprake van strijd met het bestemmingsplan.
14.5.
De rechtbank overweegt dat het college bij het bestreden besluit mocht betrekken dat de opslagloods feitelijk (mede) in gebruik was voor bedrijfsmatige opslag, ondanks dat de aanvraag enkel op privé opslag zag. Dit volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). [2]
14.6.
De rechtbank is concluderend van oordeel dat het college bij het bestreden besluit heeft kunnen overwegen dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de opslagloods zal worden gebruikt ten behoeve van opslag voor de groepsaccommodatie en dus in strijd met het bestemmingsplan is. Het college heeft op grond daarvan de aanvraag om een omgevingsvergunning kunnen weigeren. De overige beroepsgronden, met uitzondering van het beroep op het vertrouwensbeginsel, worden dan ook niet inhoudelijk besproken. Zoals ter zitting bevestigd heeft eiseres de overige beroepsgronden ten overvloede aangevoerd.
Is er sprake van strijd met het vertrouwensbeginsel?
15. Eiseres voert aan dat in het geval aan haar een omgevingsvergunning wordt verleend, dat zij erop mag vertrouwen dat die omgevingsvergunning aan de juiste uitgangspunten is getoetst en dat die omgevingsvergunning niet naderhand wordt ingetrokken, zoals in dit geval bij het bestreden besluit is gedaan.
15.1.
De rechtbank overweegt dat uit artikel 7:11 van Pro de Awb volgt dat in bezwaar een volledige heroverweging van het primaire besluit plaats dient te vinden met inachtneming van alle relevante belangen en dat deze heroverweging ruimte biedt om gebreken te herstellen. [3] Dat het primaire besluit in bezwaar is heroverwogen impliceert redelijkerwijs dat die heroverweging ertoe kan leiden dat een standpunt van een bestuursorgaan wijzigt ten opzichte van een eerder ingenomen standpunt in het primair besluit zoals dat ook hier is gebeurd. Van strijd met het vertrouwensbeginsel is de rechtbank dan ook niet gebleken.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college de omgevingsvergunning heeft mogen weigeren. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Drent, rechter, in aanwezigheid van
mr. A. Kloos, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2026.
De griffier is verhinderd
rechter
de uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 24 februari 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.In zaaknummer ROE 23/1932.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 30 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3140 en van
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2861, r.o. 4.1.