AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing schadevergoeding na afwijzing opleidingsverzoeken en onbevoegdverklaring bij immateriële schade
Verzoekster, die langdurig een bijstandsuitkering ontvangt, heeft meerdere keren het college van burgemeester en wethouders van Maastricht verzocht om toestemming voor het volgen van een opleiding met behoud van uitkering. Deze verzoeken zijn door het college afgewezen, waarna bezwaar, beroep en hoger beroep zijn ingesteld, die allen ongegrond werden verklaard.
Verzoekster stelde dat zij door het onzorgvuldig en onbehoorlijk handelen van het college materiële en immateriële schade heeft geleden en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank overweegt dat voor vergoeding van schade een onrechtmatig besluit vereist is, dat door de bestuursrechter is vernietigd of erkend. De afwijzing van de opleidingsverzoeken is echter in beroep en hoger beroep in stand gebleven, zodat geen onrechtmatig besluit is vastgesteld.
Daarnaast stelt verzoekster immateriële schade te hebben geleden door onbehoorlijke bejegening, maar de rechtbank is van oordeel dat dit feitelijk handelen betreft dat niet onder de reikwijdte van artikel 8:88 AwbPro valt. Daarom is de rechtbank onbevoegd om dit verzoek te beoordelen.
De rechtbank wijst het verzoek tot vergoeding van schade als gevolg van de afwijzing van de opleidingsverzoeken af en verklaart zich onbevoegd ten aanzien van het verzoek tot vergoeding van immateriële schade door onbehoorlijke bejegening. Verzoekster krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.
Uitkomst: Het verzoek tot schadevergoeding wegens afwijzing van opleidingsverzoeken wordt afgewezen en de rechtbank verklaart zich onbevoegd voor het verzoek tot vergoeding van immateriële schade door onbehoorlijke bejegening.
Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 25/1678
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2026
op het verzoek om schadevergoeding in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, het college
(gemachtigde: M.A. Otten).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek tot schadevergoeding van verzoekster op grond van de artikelen 8:88 en 8:90 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
1.1.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
1.2.
De rechtbank heeft het verzoek op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Verzoekster is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Wat ging aan deze procedure vooraf?
2.1.
Verzoekster ontvangt al geruime tijd (van 2009 tot 2010 en vanaf 2013) een bijstandsuitkering. Verzoekster heeft het college verschillende keren om toestemming verzocht om – met behoud van haar bijstandsuitkering – een opleiding te volgen.
2.2.
Op 14 april 2020 heeft verzoekster het college (opnieuw) om toestemming verzocht om op kosten van het college een opleiding te volgen. Met het besluit van
1 februari 2021 heeft het college de aanvraag van verzoekster afgewezen.
Verzoekster heeft tegen deze beslissing bezwaar gemaakt. Bij besluit van 15 maart 2021 heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard. Verzoekster heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld. In de uitspraak van 15 november 2022 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
2.3.
Verzoekster heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. In zijn uitspraak van 14 januari 2025 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
2.4.
Verzoekster heeft het college laten weten dat zij als gevolg van structureel en langdurig onzorgvuldig bestuurlijk handelen door het college schade heeft geleden. Zij heeft het college om vergoeding van deze schade verzocht.
2.5.
Bij brief van 8 januari 2024 heeft het college het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Beoordeling door de rechtbank
Juridisch kader
3. Op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die een belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.
4. Volgens vaste rechtspraak zoekt de bestuursrechter bij het beantwoorden van de vraag of er voldoende aanleiding is om een gevraagde schadevergoeding toe te kennen, zoveel mogelijk aansluiting bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. [1] Voor vergoeding van schade is vereist dat sprake is van een onrechtmatig besluit en dat sprake is van een causaal verband tussen het onrechtmatige besluit en de gestelde schade. Vervolgens komen alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking die in een zodanig verband staan met dat besluit, dat zij het bestuursorgaan – mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade – als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend.
5. Voor nadeel dat niet uit vermogensschade bestaat, heeft een benadeelde overeenkomstig artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is aangetast of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
6. Van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich daarop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is nodig dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Voor vergoeding van immateriële schade is onvoldoende dat sprake is van min of meer sterk psychisch onbehagen en van zich gekwetst voelen door het onrechtmatig genomen besluit. [2] Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is. In beginsel zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. In voorkomend geval kunnen de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. [3]
De standpunten van partijen
7. Verzoekster stelt dat zij gedurende de periode van 8 maart 2009 tot en met
31 december 2022 als gevolg van onzorgvuldig bestuurlijk handelen door het college materiële en immateriële schade heeft geleden. In deze periode heeft zij het college verschillende keren om toestemming verzocht om – met behoud van haar bijstandsuitkering – een opleiding te volgen, om haar kansen op de arbeidsmarkt te verbeteren. Het college heeft haar verzoeken niet ingewilligd.
7.1.
In 2013 heeft het college een belastbaarheidsrapport over verzoekster laten opstellen. Daarin is vermeld dat haar situatie voldeed aan het criterium ‘geen duurzaam benutbare mogelijkheden’ en dat zij niet inzetbaar was in een traject naar werk. Dit belastbaarheidsrapport is volgens verzoekster leidend geweest bij de behandeling van haar dossier. Het college heeft haar vanaf 2013 zonder nadere motivering vrijgesteld van haar sollicitatieplicht. Daarna is verzoekster geen sollicitatieplicht meer opgelegd. Zij stelt dat zij buiten alle re-integratiekaders is geplaatst, zonder dat haar situatie op enig moment opnieuw is beoordeeld en/of is herzien.
7.2.
De volgens verzoekster vooringenomen (zelfs stigmatiserende) en afwijzende handelwijze van het college heeft directe gevolgen gehad voor haar rechten als werkzoekende, voor haar psychische welzijn, voor haar financiële situatie en haar maatschappelijk perspectief en heeft tot structurele uitsluiting van verzoekster geleid. Als gevolg daarvan is zij in een sociaal isolement geraakt.
7.3.
Verzoekster stelt dat zij over de periode van 8 maart 2009 tot en met 31 december 2022 materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 164.000,00 bruto, bestaande uit gemiste inkomsten (± € 158.000,00) en gemiste pensioenopbouw (± € 6.000,00). Bij het begroten van de schade is verzoekster uitgegaan van beroepen als stewardess en maatschappelijk werkster, die zij op basis van haar capaciteiten wellicht had kunnen beoefenen, maar die zij als gevolg van de vooringenomen en afwijzende houding van het college nooit heeft kunnen uitoefenen. Verzoekster vraagt ook om vergoeding van haar immateriële schade.
8. Volgens het college heeft verzoekster niet aangegeven waarin de oorzaak van de door haar gestelde schade is gelegen. Zij heeft niet duidelijk gemaakt of de schade het gevolg is van een (onrechtmatig) besluit of van feitelijk handelen. Het college stelt zich op het standpunt dat hij verzoekster ruimschoots in de gelegenheid heeft gesteld om het (vermeend) onrechtmatige handelen en de schade die zij als gevolg daarvan zou hebben geleden nader toe te lichten. Verzoekster heeft echter niet op de vragen van het college gereageerd. Daarmee heeft zij de gestelde schade niet aannemelijk gemaakt en/of onderbouwd. Het verzoek tot schadevergoeding moet volgens het college daarom worden afgewezen.
8.1.
Ter zitting heeft het college betwist dat hij zich niet of onvoldoende zou hebben ingespannen om verzoekster te laten re-integreren. In dat verband heeft het college wel onderzoek naar de capaciteiten van verzoekster nodig geacht. De geleverde inspanningen hebben echter niet tot het gewenste resultaat geleid. Het college heeft verder aangegeven dat het volgen van (passende) scholing voor verzoekster nog steeds tot de mogelijkheden behoort. Het college erkent echter niet dat hij onrechtmatig jegens verzoekster zou hebben gehandeld.
Het oordeel van de rechtbank
9. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Awb moet sprake zijn van een onrechtmatig besluit of een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit. Een besluit is onrechtmatig als het door de bestuursrechter is vernietigd of als het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen, heeft erkend dat dit onrechtmatig is.
10. De rechtbank begrijpt verzoeksters standpunt zo dat verzoekster stelt schade te hebben geleden doordat het college haar verzoeken om een opleiding te mogen volgen heeft afgewezen en als gevolg van de onbehoorlijke en onzorgvuldige bejegening door het college.
Schade als gevolg van de afwijzing van de verzoeken om een opleiding te mogen volgen
12. Verzoekster stelt dat de schade die zij heeft geleden, is veroorzaakt door het feit dat het college haar verzoeken om – met behoud van haar bijstandsuitkering en op zijn kosten – een opleiding te mogen volgen om haar kansen op de arbeidsmarkt te verbeteren, heeft afgewezen. Volgens verzoekster zijn deze besluiten in strijd met het verbod van vooringenomenheid genomen en onzorgvuldig tot stand gekomen.
13. Voor zover verzoekster daarmee stelt dat deze besluiten onrechtmatig zijn en aan het verzoek tot schadevergoeding ten grondslag kunnen worden gelegd, overweegt de rechtbank als volgt.
14. De afwijzing van de betreffende verzoeken heeft niet geleid tot een onrechtmatig besluit in de zin van artikel 8:88 vanPro de Awb. Ook de laatste keer dat verzoekster een dergelijk verzoek heeft gedaan (op 14 april 2020), is het bestreden besluit (van 15 maart 2021) in beroep en in hoger beroep in stand gebleven. Dit besluit kan dan ook niet aan het verzoek tot schadevergoeding ten grondslag worden gelegd. Het verzoek tot vergoeding van de als gevolg van de afwijzing van de verzoeken gestelde geleden schade moet daarom worden afgewezen.
Schade als gevolg van de onbehoorlijke en onzorgvuldige bejegening
15. Verzoekster stelt verder dat zij als gevolg van de onbehoorlijke en onzorgvuldige bejegening door (medewerkers van) het college (immateriële) schade heeft geleden. Deze schadeoorzaak moet naar het oordeel van het rechtbank als feitelijk handelen worden aangemerkt en valt niet onder de reikwijdte van artikel 8:88 vanPro de Awb. Dat betekent dat de rechtbank niet bevoegd is om van het verzoek tot vergoeding van de als gevolg van de onbehoorlijke en onzorgvuldige bejegening geleden (immateriële) schade kennis te nemen. Zij mag dit verzoek tot schadevergoeding niet beoordelen.
Conclusie en gevolgen
16. De rechtbank wijst het verzoek tot vergoeding van de geleden schade als gevolg van de afwijzing van de verzoeken om een opleiding te mogen volgen af. Ten aanzien van het verzoek tot vergoeding van de schade als gevolg van de onbehoorlijke en onzorgvuldige bejegening door het college is de rechtbank onbevoegd. Zij mag dit verzoek niet beoordelen. Verzoekster krijgt het griffierecht van de rechtbank niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek tot vergoeding van de schade, geleden als gevolg van de afwijzing van de verzoeken om een opleiding te mogen volgen, af;
verklaart zich ten aanzien van het verzoek tot vergoeding van de schade, geleden als gevolg van de onbehoorlijke en onzorgvuldige bejegening door het college, onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.E. Derks, rechter, in aanwezigheid van
mr. D.M.B. Gerards, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2026
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 3 maart 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.