ECLI:NL:RBLIM:2026:2074

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
11738632 \ CV EXPL 25-2699
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Dohmen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:5 BWArt. 7:28 BWArt. 6:127 BWArt. 6:212 BWArt. 6:248 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verjaring vordering koopprijs maatwerkkeuken onder consumentenkoopregels

Gopa Immo N.V. vordert betaling van het resterende bedrag van €7.000,- voor de levering en plaatsing van een maatwerkkeuken bij gedaagden. De overeenkomst bevat elementen van zowel aanneming van werk als consumentenkoop. Gedaagden betwisten betaling wegens gebreken en beroepen zich op verjaring van de vordering op grond van artikel 7:28 BW Pro.

De rechtbank stelt vast dat de overeenkomst een gemengde overeenkomst is waarbij de regels van consumentenkoop prevaleren volgens artikel 7:5 lid 4 BW Pro, omdat de geleverde roerende zaken (keukenelementen) na montage hun zelfstandigheid verliezen maar vóór montage roerend waren. Hierdoor geldt de tweejarige verjaringstermijn van consumentenkoop.

Gopa heeft onvoldoende onderbouwd dat de verjaring is gestuit of dat toepassing van verjaring onaanvaardbare gevolgen heeft. Ook het beroep op opschorting, redelijkheid en billijkheid en misbruik van recht faalt. De vordering is daarom verjaard en wordt afgewezen. Gopa wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot betaling van de koopprijs is verjaard en wordt afgewezen; Gopa wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11738632 \ CV EXPL 25-2699
Vonnis van 11 maart 2026
in de zaak van
de rechtspersoon naar buitenlands recht
GOPA IMMO N.V.,
gevestigd te 3680 Neeroeteren, gemeente Maaseik (België),
eisende partij,
hierna te noemen: Gopa,
gemachtigde: mr. S.P.J. Oudenhoven,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

2.
[gedaagde 2],
beiden wonende te [plaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
gemachtigde: ARAG SE.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de mondelinge behandeling van 30 januari 2026, ter gelegenheid waarvan Gopa spreekaantekeningen heeft overgelegd.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Gopa is een leverancier van onder andere (maatwerk)keukens.
2.2.
Op 25 september 2019 hebben partijen een overeenkomst gesloten voor de levering en plaatsing van een volledige keuken op maat in de woning van [gedaagden] voor een totale aanneemsom van € 34.000,00 inclusief btw. De keuken is in augustus 2020 geleverd en geïnstalleerd.
2.3.
Gopa heeft op 28 augustus 2020 de factuur ter hoogte van € 34.000,00 gestuurd. [gedaagden] hebben op 19 januari 2021 een deelbetaling van € 20.000,00 gedaan.
2.4.
Bij brief van 2 juni 2021 heeft Gopa [gedaagden] gesommeerd om tot betaling van het restant, te weten € 14.000,00, over te gaan.
2.5.
In reactie hierop hebben [gedaagden] bij brief van 24 juni 2021 medegedeeld dat de keuken niet conform de overeenkomst is vanwege klachten over de kastdeuren en de kookplaat. [gedaagden] hebben nog € 7.000,00 betaald en schrijven dat zij een oplossing voor de hiervoor genoemde klachten verwachten. Tot op heden staat er nog € 7.000,00 open.
2.6.
Bij brief van 28 juni 2021 heeft Gopa [gedaagden] opnieuw gesommeerd tot betaling van het restant, te weten € 7.000,00, over te gaan. In reactie hierop herhalen [gedaagden] bij brief van 1 juli 2021 hun klachten en verzoeken om een oplossing.
2.7.
Vervolgens heeft Gopa het verzuim aan de zijde van [gedaagden] bij brief van 11 september 2023 bevestigd en hen opnieuw gesommeerd tot betaling.
2.8.
Omdat verdere correspondentiewisseling tussen partijen niet tot betaling dan wel een oplossing heeft geleid, heeft Gopa deze procedure aanhangig gemaakt.

3.Het geschil

3.1.
Gopa vordert - samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad dat de kantonrechter [gedaagden] veroordeelt:
  • tot betaling van € 7.000,00 althans een in goede justitie te bepalen bedrag;
  • tot betaling van de wettelijke rente over voornoemd bedrag vanaf de datum van het verschuldigd zijn (27 september 2020) tot aan de dag van algehele voldoening, zijnde € 1.407,62, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag;
  • tot betaling van € 725,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
  • in de proceskosten.
3.2.
Gopa vordert nakoming door [gedaagden] van hun betalingsverplichtingen zoals overeengekomen. Subsidiair beroept zij zich op ongerechtvaardigde verrijking. Meer subsidiair stelt zij dat [gedaagden] zich onrechtmatige jegens haar gedragen. Zowel subsidiair als meer subsidiair dienen [gedaagden] de schade van Gopa te vergoeden.
3.3.
[gedaagden] voeren verweer en beroepen zich op verjaring van de vordering tot betaling van de koopprijs bij een consumentenkoop na twee jaar, zoals bedoeld in artikel 7:28 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW). Als de vordering niet is verjaard, beroepen zij zich op verrekening van de vordering van Gopa met de schade die zij lijden door de wanprestatie door Gopa ex artikel 6:127 BW Pro. Zij voeren aan dat Gopa onvoldoende heeft gesteld voor de inhoudelijke beoordeling van de stelling dat zij ongerechtvaardigd zouden zijn verrijkt dan wel onrechtmatig hebben gehandeld. Daarnaast betwisten zij dat hiervan sprake is.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Bevoegdheid en toepasselijke recht
4.1.
Gopa is gevestigd in Maaseik, België, en [gedaagden] zijn woonachtig in [plaats] , Nederland. Hierdoor heeft de zaak een grensoverschrijdend karakter. Dat betekent dat de kantonrechter ambtshalve moet beoordelen of hij bevoegd is om van de vordering van Gopa kennis te nemen.
4.2.
Op grond van artikel 4 van Pro de Verordening (EU) nr. 1215/2012 (Brussel I-bis) kunnen [gedaagden] worden opgeroepen voor de gerechten van de lidstaat waar zij woonachtig zijn. Daaruit volgt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft.
4.3.
Gelet op de woonplaats van [gedaagden] te [plaats] is de kantonrechter van de rechtbank Limburg, locatie Roermond, relatief bevoegd om van het geschil kennis te nemen conform artikel 99 en Pro 101 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
4.4.
Ten aanzien van de vraag welk recht van toepassing is, stelt de kantonrechter vast dat partijen het erover eens zijn dat Nederlands recht op dit geschil van toepassing is.
Kwalificatie overeenkomst
4.5.
Tussen partijen is niet in geschil dat de overeenkomst elementen bevat van zowel een overeenkomst van aanneming van werk als van een koopovereenkomst. Eveneens is niet in geschil dat de overeenkomst is gesloten tussen Gopa handelend in de uitoefening van haar bedrijf en [gedaagden] , twee natuurlijke personen die
niethandelen in de uitoefening van hun beroep of bedrijf.
4.6.
Partijen twisten over de vraag of de overeenkomst (ook) als een consumentenkoop is te kwalificeren en zo ja welke rechtsregels, die ten aanzien van aanneming van werk of die ten aanzien van consumentenkoop, dienen te prevaleren in geval van strijdigheid.
4.7.
Gopa stelt dat de bepalingen ten aanzien van een overeenkomst van aanneming van werk dienen te prevaleren, omdat het hier gaat om een maatwerkkeuken speciaal ontworpen en vervaardigd voor de woning van [gedaagden] en omdat de prestatie van Gopa een wezenlijk en overwegend aannemingscomponent heeft.
4.8.
[gedaagden] beroepen zich op artikel 7:5 lid 4 BW Pro en stellen dat zij bij Gopa losse elementen, roerende zaken, hebben gekocht die Gopa na de levering gemonteerd heeft.
Het deel van de prestatie dat ziet op aanneming van werk is ondergeschikt aan dat deel van de prestatie dat ziet op koop van de roerende zaken, mede gezien de koopprijs afgezet tegen de, veel lagere, aanneemcomponent. Daarom prevaleren de regels van consumentenkoop.
4.9.
In artikel 7:5 lid 4 BW Pro is bepaald dat als de te leveren roerende zaak nog tot stand moet worden gebracht en de overeenkomst op grond waarvan deze zaak moet worden geleverd voldoet aan de omschrijving van artikel 7:750 BW Pro, de overeenkomst mede wordt aangemerkt als een consumentenkoop als de overeenkomst is gesloten door een aannemer die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, en een opdrachtgever, natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. De bepalingen van deze titel (koop en ruil) en die van afdeling 1 van titel 12 (aanneming van werk) zijn dan naast elkaar van toepassing. In geval van strijd prevaleren de bepalingen van deze titel, aldus de bepalingen van de titel koop en ruil.
4.10.
Artikel 7:5 lid 4 BW Pro is bij wet [1] ingevoerd als aanvulling op de bestaande tekst van artikel 7:5 BW Pro en vloeit voort uit artikel 1 lid 4 van Pro de Richtlijn betreffende bepaalde aspecten van de verkoop en de garanties voor consumptiegoederen [2] (hierna: de Richtlijn), welke bepaling luidt: “
Overeenkomsten tot levering van te vervaardigen of voort te brengen consumptiegoederen vallen eveneens onder deze richtlijn.”.
4.11.
In de memorie van toelichting [3] bij artikel 7:5 lid 4 BW Pro is onder meer overwogen:

Indien evenwel de materialen geheel of ten dele afkomstig zijn van degene die het werk moet opleveren en het bij het vervaardigen van de zaak van belang is dat deze op een bepaalde wijze tot stand wordt gebracht, kan dit afhankelijk van de omstandigheden als een koopovereenkomst, als aanneming van werk, danwel als een gemengde overeenkomst worden beschouwd. Men denke bijvoorbeeld aan de vervaardiging en levering van een kunstgebit of maatpak. Het zal dan van de omstandigheden afhangen hoe de overeenkomst moet worden getypeerd.”.
4.12.
Als er sprake is van een overeenkomst met elementen van aanneming van werk en waarbij sprake is van de levering van een consumptiegoed is verder in deze memorie van toelichting [4] overwogen:

De richtlijn vereist in ieder geval dat indien het een consumptiegoed betreft de regels van koop van toepassing zijn. Dit betekent dat indien sprake zou zijn van aanneming van werk, toch ook de regels van consumentenkoop van toepassing zijn, en deze zo nodig de regels van aanneming van werk moeten verdringen. Dit is in het nieuw voorgestelde artikel 5 lid 4 tot Pro uitdrukking gebracht. Zou evenwel sprake zijn van een gemengde overeenkomst, dan zijn ingevolge artikel 215 van Pro Boek 6 BW de bepalingen van beide soorten overeenkomsten naast elkaar van toepassing. Indien evenwel deze bepalingen voor een specifieke rechtsvraag niet verenigbaar zijn, moet gekozen worden tussen de regels van koop of van aanneming van werk. De richtlijn vereist echter ook voor dat geval dat de regels van consumentenkoop prevaleren, zodat voor deze situatie een van artikel 215 van Pro Boek 6 BW afwijkende regel moet worden gecreëerd. Ook dit is in het nieuw voorgestelde artikel 5 lid 4 tot Pro uitdrukking gebracht.”.
4.13.
Uit het voorgaande volgt dat voor zover aan de vereisten van artikel 7:5 lid 4 BW Pro is voldaan, de overeenkomst die elementen van een overeenkomst van aanneming van werk en van consumentenkoop bevat (mede) wordt aangemerkt als een consumentenkoop waarbij de bepalingen van consumentenkoop prevaleren ook als het koopelement een ondergeschikte rol speelt.
4.14.
Partijen twisten over de vraag of de onderhavige situatie onder het bereik van artikel 7:5 lid 4 BW Pro valt.
4.15.
Hoewel niet in geschil is dat er sprake is van een consumentenkoop, valt de situatie volgens Gopa niet onder artikel 7:5 lid 4 BW Pro, omdat er geen sprake is van ‘roerende zaken’. Gopa stelt dat de maatwerkkeuken na de montage haar zelfstandigheid heeft verloren omdat deze vanaf dat moment functioneel verbonden is met de woning van [gedaagden] .
4.16.
[gedaagden] stellen dat zij losse keukenelementen hebben gekocht die bij haar nog tot stand dienden te worden gebracht, zodat de situatie wel onder het bereik van artikel 7:5 lid 4 BW Pro valt.
4.17.
De wet bepaalt dat roerend zijn: alle zaken die niet onroerend zijn zoals de grond of de met de grond duurzaam verenigde gebouwen, beplanting en werken (artikel 3:2 lid 1 en Pro 2 BW). Natrekking van roerende zaken waardoor zij bestanddeel van een andere roerende of onroerende zaak zijn geworden, staat niet aan toepassing van de bepalingen die zien op consumentenkoop in de weg voor zover de zaken vóór de natrekking wel aan deze regeling onderworpen waren. Dit volgt uit de wetsgeschiedenis en uit uitspraken van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch. [5] Met andere woorden: als de zaken die gekocht worden vóór de plaatsing roerend zijn, dan wordt de koopovereenkomst als consumentenkoop gekwalificeerd. Dat blijft ook zo als de roerende zaken door de plaatsing hun roerende karakter verliezen.
4.18.
Aangezien [gedaagden] bij Gopa losse keukenelementen hebben gekocht en niet ter zake doet dat deze losse elementen vervolgens na montage hun zelfstandigheid zijn verloren doordat zij door natrekking bestanddeel zijn geworden van de woning van [gedaagden] , hebben zij bij Gopa roerende zaken gekocht zodat artikel 7:5 lid 4 BW Pro op de tussen partijen gesloten overeenkomst van toepassing is.
4.19.
Daaruit volgt dat de overeenkomst van partijen een gemengde overeenkomst is, nu de overeenkomst zowel elementen van een overeenkomst van aanneming van werk als van consumentenkoop bevat. Dat betekent dat in geval van strijdigheid tussen de regels van beide contractstypen de bepalingen van consumentenkoop op basis van de Richtlijn dienen te prevaleren. Het maakt daarbij overigens niet uit of het koopelement een ondergeschikte rol heeft, hetgeen [gedaagden] bovendien gemotiveerd hebben weersproken.
4.20.
De uitspraken waarnaar Gopa in haar spreekaantekeningen heeft verwezen, maken het voorgaande niet anders. Te meer, nu deze uitspraken niets met het onderhavige geschil en onderwerp van doen hebben. Tussen de genoemde uitspraken is niet één uitspraak vindbaar die betrekking heeft op de vraag die hier voorligt, namelijk of sprake is van een consumentenkoop. Een deel van de genoemde uitspraken is namelijk in het geheel niet vindbaar. [6] Een ander deel van de genoemde uitspraken zijn strafrechtelijke of familierechtelijke uitspraken of hebben betrekking op heel andere materie. [7]
Beroep op verjaring
4.21.
Gopa vordert primair betaling van de resterende koopprijs op grond van nakoming.
4.22.
Het meest verstrekkende verweer van [gedaagden] is dat de vordering van Gopa tot betaling van de koopprijs is verjaard gelet op het bepaalde in artikel 7:28 BW Pro.
4.23.
Artikel 7:28 BW Pro bepaalt: “
Bij een consumentenkoop verjaart de rechtsvordering tot betaling van de koopprijs door verloop van twee jaren.
4.24.
[gedaagden] stellen dat er meer dan twee jaar is verstreken sinds de sommatie van Gopa van 28 juni 2021. Gopa heeft hen vervolgens pas bij brief van 11 september 2023, circa 2 jaar en 2 maanden later, opnieuw gesommeerd tot betaling over te gaan. Tussentijds is de verjaring niet gestuit, aldus [gedaagden] .
4.25.
Naast het verweer van Gopa dat hier sprake is van een gemengde overeenkomst waarbij de regels ter zake aanneming van werk dienen te prevaleren, heeft zij het volgende aangevoerd. [gedaagden] hebben hun betalingsverplichting opgeschort vanwege de stelling dat er gebreken in het werk zijn. Opschorting staat aan verjaring van een vordering in de weg. Een beroep op verjaring zou daarnaast in deze omstandigheden in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 BW Pro) en misbruik van recht opleveren (artikel 3:13 BW Pro), aldus Gopa.
4.26.
Zoals hiervoor al is overwogen, houdt het verweer van Gopa dat – kort gezegd – de regels aangaande aanneming van werk dienen te prevaleren boven de regels die betrekking hebben op consumentenkoop geen stand. Daarom geldt hier niet de verjaringstermijn van artikel 3:307 BW Pro, zoals Gopa stelt, maar de verjaringstermijn zoals bedoeld in artikel 7:28 BW Pro bij consumentenkoop.
4.27.
De kantonrechter is van oordeel dat Gopa haar stelling dat het beroep van [gedaagden] op opschorting aan verjaring in de weg staat, onvoldoende heeft onderbouwd. Niet gesteld of gebleken is op welke (wettelijke) grondslag die stelling berust. Voor zover Gopa bedoeld heeft een beroep te doen op artikel 6:56 BW Pro, geldt dat daaruit slechts volgt dat de bevoegdheid tot opschorting ook na verjaring van diens rechtsvordering op de wederpartij blijft bestaan. Daarvan is hier geen sprake. Uit genoemd artikel volgt in ieder geval niet dat een vordering niet kan verjaring zodra of zolang een beroep op opschorting wordt gedaan. Daarom passeert de kantonrechter dit verweer.
4.28.
Ten aanzien van het beroep van Gopa op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid overweegt de kantonrechter als volgt. Een verbintenis, beding of (wettelijke) regel moet buiten toepassing worden gelaten als onverkorte toepassing in de bewoordingen van de artikelen 6:2 lid 2 BW en 6:248 lid 2 BW “
(…) in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.”. In deze formulering is de bedoeling van de wetgever tot uitdrukking gebracht dat de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid terughoudend moet worden toegepast. [8] Daarbij gaat het er niet om of een bepaling strijdig is met de redelijkheid en billijkheid, maar getoetst moet worden of sprake is van naar objectieve maatstaven onaanvaardbare gevolgen. [9] Voor het honoreren van een dergelijk beroep gelden zware motiveringseisen.
4.29.
De kantonrechter stelt voorop dat enige motivering door Gopa van haar beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid in de gegeven omstandigheden ontbreekt. Zij heeft niets concreets aangevoerd ter onderbouwing van haar stelling dat een beroep door [gedaagden] op de verjaring van haar vordering zoals bedoeld in artikel 7:28 BW Pro naar objectieve maatstaven onaanvaardbare gevolgen met zich brengt. Daar komt nog bij dat bedoeld is om in uitzonderlijke en schrijnende gevallen een verbintenis, beding of (wettelijke) regel buiten toepassing te laten. Te denken valt aan de vaste rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot de blootstelling aan asbest waarbij de schade als het ware verborgen is gebleven omdat de schade zich al gemanifesteerd had maar de symptomen pas veel later tot uiting kwamen en veelal pas geconstateerd werden nadat de verjaringstermijn van dertig jaar al was verstreken. In die situaties kunnen de benadeelden de vordering niet eerder instellen of stuiten, omdat zij niet weten dat zij ziek zijn. [10] Niet gesteld of gebleken is dat hier van een dergelijke uitzonderlijke of schrijnende situaties sprake is waardoor niet kan worden vastgesteld dat een beroep op verjaring in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Gopa wist dat zij een vordering had en kon de verjaring stuiten of een vordering instellen, maar zij heeft dat niet (tijdig) gedaan. Daarom slaagt het beroep op artikel 6:248 lid 2 BW Pro niet.
4.30.
De stelling van Gopa dat [gedaagden] met hun beroep op verjaring misbruik maken van recht dan wel hun bevoegdheid, kan de kantonrechter niet volgen. Ook ter zake dit punt heeft Gopa niets dan wel onvoldoende gesteld. Zo is niet gesteld of gebleken dat [gedaagden] zich op verjaring beroepen met geen ander doel dan Gopa te schaden. Daarom passeert de kantonrechter ook dit verweer.
4.31.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat, nu niet is weersproken dat er tussen beide sommatiebrieven van Gopa meer dan twee jaar is verstreken en er van stuitingshandelingen niet is gebleken, de vordering van Gopa tot betaling van (het restant van) de koopsom op grond van artikel 7:28 BW Pro is verjaard. Dat betekent ook dat aan de verdere (inhoudelijke) beoordeling van het onderhavige geschil niet meer wordt toegekomen.
Ongerechtvaardigde verrijking en onrechtmatige daad
4.32.
Gopa legt (meer) subsidiair aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagden] ongerechtvaardigd zijn verrijkt dan wel dat zij onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld.
4.33.
De kantonrechter stelt voorop dat Gopa ook ten aanzien hiervan uiterst weinig heeft gesteld ter onderbouwing van haar stelling dat van ongerechtvaardigde verrijking dan wel onrechtmatige daad sprake is. Reeds daarom kan de kantonrechter hieraan voorbij gaan.
4.34.
Wellicht ten overvloede merkt de kantonrechter op dat de omstandigheid dat de vordering van Gopa uit hoofde van nakoming van de betaling van de koopprijs is verjaard, zoals hiervoor is overwogen, naar het oordeel van de kantonrechter mee dat er geen sprake is van ongerechtvaardigde verrijking of onrechtmatig handelen aan de zijde van [gedaagden] . Artikel 6:212 BW Pro vereist naast een eventuele verarming aan de zijde van Gopa en een eventuele verrijking aan de zijde van [gedaagden] dat de vermogensverschuiving ook ongerechtvaardigd is. Dat is niet het geval. De verjaring vormt de rechtvaardiging van een eventuele vermogensverschuiving die tussen partijen zou hebben plaatsgevonden.
Datzelfde geldt voor de stelling dat onrechtmatig is gehandeld. De verjaring vormt de rechtvaardiging voor enig handelen door [gedaagden] , voor zover daar al sprake van zou zijn.
Proceskosten
4.35.
Gopa is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
864,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van Gopa af,
5.2.
veroordeelt Gopa in de proceskosten van € 864,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Gopa niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dohmen en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.

Voetnoten

1.Wet van 6 maart 2003, Stb 2003, 110.
2.Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999, PbEG L 171.
3.TK, 2000 – 2001, 27809, nr. 3, p. 13.
4.TK, 2000 – 2001, 27809, nr. 3, p. 13.
5.Kamerstukken II 2000/01, 27 809, nr. 3, p. 13 en hof Arnhem-Leeuwarden 21 februari 2012, ECLI:NL:GHLEE:2012:BV6422 (inbouwkeuken) en hof ’s-Hertogenbosch 9 september 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:3542 (op maat gemaakte deur).
9.H.N. Schelhaas,
10.Hoge Raad 28 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5635