ECLI:NL:RBLIM:2026:219

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
ROE 25/2687
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning voor appartementen in gemeentelijk monument

Op 12 januari 2026 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Limburg uitspraak gedaan in een zaak betreffende een verzoek om voorlopige voorziening tegen een omgevingsvergunning die op 4 juni 2025 was verleend voor het realiseren van vijf appartementen in een gemeentelijk monument en het bouwen van een nieuwbouwwoning op het achtererf. Verzoekers, bewoners van een naastgelegen perceel, hebben beroep ingesteld tegen de vergunning en vroegen om schorsing van de omgevingsvergunning, omdat de vergunninghouder al met de bouw was begonnen. De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen aanleiding was om de vergunning te schorsen, ondanks dat het parkeeronderzoek dat aan de vergunning ten grondslag lag deels verouderd was. De voorzieningenrechter weegt de belangen van de verzoekers en de vergunninghouder en concludeert dat de vrees van de verzoekers voor wateroverlast en geluidsoverlast onvoldoende onderbouwd is om de vergunning te schorsen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af en stelt dat de gebreken in de motivering van de ruimtelijke onderbouwing niet zodanig zijn dat het bestreden besluit geschorst moet worden. De uitspraak is gedaan door mr. K.M.J.A. Smitsmans, in aanwezigheid van mr. L. van der Genugten, griffier.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
Zaaknummer: ROE 25/2687
uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 januari 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam] en [naam] , uit Meerssen, verzoekers

(gemachtigde: mr. A.A.M. van Hoorn),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meerssen, het college
(gemachtigden: mr. R. Baltesen en mr. H.M.J.G. Neelis).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: H.P.A.F. Crombag uit Valkenburg (vergunninghouder)
(gemachtigden: mr. R. Sharaf en mr. G.A.M. van de Wouw).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een omgevingsvergunning die op 4 juni 2025 werd verleend en bij besluit van 30 september 2025 is gewijzigd. Verzoekers wonen naast de locatie waarvoor de omgevingsvergunning is afgegeven en zijn het niet met de vergunning eens. Zij hebben daarom beroep ingesteld tegen de vergunning. Omdat vergunninghouder is begonnen met bouwen, hebben verzoekers de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen en de omgevingsvergunning te schorsen.
1.1.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat er geen reden is om de omgevingsvergunning te schorsen. Hij wijst daarom het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij besluit van 4 juni 2025 heeft het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van vijf appartementen in een voormalig hotel, tevens een gemeentelijk monument, het bouwen van een erfafscheiding en het oprichten van een levensloopbestendige woning (het bouwplan) op het perceel plaatselijk bekend als [adres] te Meerssen, kadastraal bekend als Meerssen, sectie D, nummer 1791 (de locatie).
2.1.
Verzoekers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld.
2.2.
Bij besluit van 30 september 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het besluit van 4 juni 2025 gewijzigd.
2.3.
Verzoekers hebben hangende hun eerder ingediende beroepschrift om een voorlopige voorziening verzocht. Daarnaast hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een ordemaatregel te treffen. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek afgewezen.
2.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, de gemachtigde van verzoekers, de gemachtigden van het college, vergunninghouder en zijn architect, [naam] , de gemachtigde van vergunninghouder mr. R. Sharaf en [naam] , geluidsdeskundige.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Verzoekers zijn woonachtig aan de [adres] te Meerssen. Hun perceel grenst aan het perceel van de locatie. Vergunninghouder heeft op 13 december 2023 voor het bouwplan een omgevingsvergunning aangevraagd. Op 27 december 2024 heeft het college een concept van de aangevraagde omgevingsvergunning ter inzage gelegd.
3.1.
Verzoekers hebben het college een brief gestuurd waarin zij hun zienswijzen hebben geuit. Op 22 mei 2025 heeft de gemeenteraad van de gemeente Meerssen een verklaring van geen bedenkingen afgegeven. Vervolgens heeft het college op 4 juni 2025 de aangevraagde omgevingsvergunning verleend.
3.2.
Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen dit besluit en hebben op 16 juli 2025 om een voorlopige voorziening verzocht. Dit verzoek is op 12 augustus 2025 ter zitting behandeld. Een dag voor de zitting, op 11 augustus 2025, heeft het college het besluit van 4 juni 2025 ingetrokken. Het college heeft hierbij aangegeven de omgevingsvergunning te willen herstellen, en wel op de volgende onderdelen:
  • Het vergunnen van het plaatsen van een overkapping voor de vijf parkeerplaatsen op eigen terrein;
  • Het vergunnen van de bouw van vier bergingen;
  • Het vergunnen van het plaatsen van een overkapping om het wooncomplex met de parkeerplaatsen en de bergingen te verbinden.
3.3.
Op 25 augustus 2025 heeft de voorzieningenrechter uitspraak gedaan op het verzoek van verzoekers van 16 juli 2025. Vanwege het intrekken van het besluit was er voor verzoekers geen spoedeisend belang meer bij het treffen van een voorlopige voorziening en is het verzoek afgewezen. Ten overvloede heeft de voorzieningenrechter overwogen dat het besluit van 4 juni 2025 gebrekkig was. [1]
3.4.
Het college heeft met het bestreden besluit van 30 september 2025 beoogd het besluit van 4 juni 2025 te herstellen. Met het bestreden besluit zijn de volgende activiteiten vergund:
  • Het bouwen van een bouwwerk zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo);
  • Het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b van de Wabo voor het uitvoeren van bouwwerkzaamheden gelet op de dubbelbestemmingen ‘waarde-archeologie’ en ‘waarde-cultuurhistorie’;
  • Het handelen met gevolgen voor beschermde monumenten zoals bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder b van de Wabo;
  • Het handelen in strijd met het bestemmingsplan “Meerssen” dat op de locatie van toepassing is (hierna: het bestemmingsplan) zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wabo.
3.5.
Verzoekers kunnen zich niet met het bestreden besluit verenigen. Zij hebben hangende hun nog altijd lopende beroepsprocedure tegen het besluit van 4 juni 2025 nogmaals een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
Toetsingskader
4. Op 1 januari 2024 is de Wabo ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat voor die datum de aanvraag om de omgevingsvergunning is ingediend, is in deze zaak de Wabo met de aanverwante wetgeving nog van toepassing. Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet.
4.1.
De voor deze uitspraak relevante wet- en regelgeving is als bijlage aan deze uitspraak toegevoegd.
Het verzoek om voorlopige voorziening
5. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Kan het bestreden besluit worden aangemerkt als een 6:19 besluit en is daarmee sprake van een connexe beroepsprocedure?
6. Het college is van mening dat het beroep van verzoekers tegen het besluit van 4 juni 2025 vanwege artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege betrekking heeft op het bestreden besluit. Die beroepsprocedure is dus, althans volgens het college, de beroepsprocedure waar dit verzoek om voorlopige voorziening connex aan moet zijn gelet op artikel 8:81 van de Awb. Verzoekers zijn, vreemd genoeg omdat ze zelf om een voorlopige voorziening vragen, echter van mening dat geen sprake is van een artikel 6:19 Awb besluit. De voorzieningenrechter dient daarom, overigens ook ambtshalve, te beoordelen of het bestreden besluit kwalificeert als een 6:19 Awb besluit. Als dat namelijk niet zo is, dan is het verzoek om voorlopige voorziening reeds hierom niet-ontvankelijk. Er loopt dan geen connexe bezwaar- of beroepsprocedure in relatie het bestreden besluit. Dat is een wettelijk vereiste.
6.1.
Artikel 6:19 van de Awb bepaalt, voor zover relevant, dat een ingesteld beroep van rechtswege mede betrekking heeft op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van een bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. In dit geval is het bestreden besluit bedoeld ter wijziging van het besluit van 4 juni 2025. Volgens verzoekers is het toepassen van artikel 6:19 van de Awb in dit geval niet mogelijk, omdat het bestreden besluit onder andere is genomen op basis van een programma van eisen van 29 juli 2025, dat ten tijde van het besluit van 4 juni 2025 nog niet bestond. Daarnaast zijn verzoekers van mening dat de aanvraag met het verlenen van een vergunning voor het strijdig gebruik van gronden met de dubbelbestemming ‘waarde-archeologie’ en ‘waarde-cultuurhistorie’ verlaten is. Tenslotte vinden verzoekers dat de fundering in het bouwplan gewijzigd is ten aanzien van de fundering bij de aanvraag. Zij vinden dat dit geen wijziging van ondergeschikte aard is en dat daarom artikel 6:19 van de Awb niet toegepast kan worden.
7. Voor de vraag of het bestreden besluit kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 6:19 van de Awb, wat het bouwplan betreft, is het van belang of het gaat om een wijziging van ondergeschikte aard. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft overwogen [2] dient de vraag of zich een wijziging van ondergeschikte aard voordoet, per concreet geval te worden beantwoord. Als de wijziging van de oorspronkelijke aanvraag zo ingrijpend is dat redelijkerwijs niet meer van hetzelfde bouwplan kan worden gesproken, dan moet daarvoor een nieuwe aanvraag worden ingediend. [3]
7.1.
In dit geval betreft de wijziging van de omgevingsvergunning het uitvoeren van de fundering op palen in plaats van een fundering op staal. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is daarmee geen sprake van een wijziging die zo ingrijpend is dat niet meer van hetzelfde bouwplan kan worden gesproken. Wat de aanpassingen van het bouwplan betreft kan het bestreden besluit worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 6:19 van de Awb.
7.2.
Verder is bij de vraag of er sprake had moeten zijn van een nieuwe aanvraag en dus van het niet kunnen toepassen van artikel 6:19 van de Awb van belang of het bestreden besluit is gebaseerd op dezelfde feitelijke en juridische grondslag als het besluit van 4 juni 2025. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college met het bestreden besluit de aanvraag van vergunninghouder niet verlaten, ondanks dat de bouwwerkzaamheden wat de dubbelbestemmingen betreft pas in het bestreden besluit zijn vergund. De documenten die ten grondslag liggen aan de beoordeling van het college ten aanzien van de dubbelbestemmingen waren namelijk wel onderdeel van de aanvraag die door vergunninghouder is ingediend. In zoverre is de aanvraag dus niet gewijzigd.
7.3.
Het bestreden besluit kan daarom naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter worden beschouwd als een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb. Het beroep van verzoekers heeft daarom van rechtswege betrekking op het bestreden besluit en dat betekent dat die beroepsprocedure heeft te gelden als de connexe procedure voor het verzoek om voorlopige voorziening.
Spoedeisend belang
8. Als tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om het bestreden besluit te schorsen. De bouwwerkzaamheden zouden daarmee uitgesteld worden totdat de rechtbank uitspraak doet op het beroep.
9. Vergunninghouder is reeds gestart met het uitvoeren van werkzaamheden ten behoeve van het bouwplan en is niet voornemens om hiermee te stoppen alvorens op het beroep is beslist. Verzoekers hebben in zoverre een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.
Tussenconclusie
10. De voorzieningenrechter constateert dat aan de formele vereisten voor een verzoek tot voorlopige voorziening is voldaan. Hij zal daarom over gaan tot de (verdere) inhoudelijke beoordeling van het verzoek en het geven van een voorlopig rechtmatigheidsoordeel. De voorzieningenrechter beperkt zich daarbij tot wat er op zitting is besproken aan de hand van de met partijen afgestemde zittingsagenda. De omvang van het beroep en de stukken die daarin met name door verzoekers en vergunninghouder over en weer zijn ingediend, zijn uitgebreid en soms zelfs nog kort voor de zitting ingediend of aangevuld. Een uitputtende behandeling van een dergelijk beroep verhoudt zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet tot het karakter van een verzoek om voorlopige voorziening. De omvang van het beroep is ook de reden waarom de voorzieningenrechter niet besluit om tot kortsluiting als bedoeld in artikel 8:86 van de Awb over te gaan.
De waterafvoer
11. Verzoekers vinden dat de ruimtelijke onderbouwing die aan het bestreden besluit ten grondslag ligt gebrekkig is op het gebied van de infiltratie van het water dat van de locatie afkomstig is. Zij vinden dat onvoldoende is onderzocht in hoeverre het bouwplan voorziet in een deugdelijke waterberging en vrezen dat het overtollige water van de locatie op hun perceel terecht zal komen. Zij hebben daartoe een rapport van het bureau [naam] overgelegd, waaruit volgens hen blijkt dat een waterdoorlatendheidsonderzoek ontbreekt bij de ruimtelijke onderbouwing. Volgens verzoekers is er daarom geen sprake van een goede ruimtelijke ordening en had het college de omgevingsvergunning niet mogen verlenen.
12. Vergunninghouder stelt dat er in de waterberging is voorzien door middel van het plaatsen van infiltratiekratten. Er heeft nog geen waterdoorlatendheidsonderzoek plaatsgevonden. Volgens vergunninghouder kon dit onderzoek echter eerder niet uitgevoerd worden vanwege de beplanting op het achtererfgebied die inmiddels is weggehaald. Verzoekers hebben niet weersproken dat het onderzoek niet eerder uitgevoerd kon worden. Tussen partijen is niet in geschil dat het onderzoek nog moet en zal plaatsvinden.
13. Het college is van mening, mede op basis van het door verzoekers ingediende rapport van het bureau Kragten, dat de infiltratiekratten van vergunninghouder voldoende zijn om in de waterberging te voorzien. Uit het rapport van [naam] blijkt dat er sprake is van een infiltratietekort van 0,96 m3 voor de nieuwbouwwoning op het achtererfgebied. Daarentegen is er een sprake van een overschot in de waterberging voor het (lager gelegen) te realiseren appartementencomplex. Volgens vergunninghouder en het college kan het tekort in de waterberging op het achtererfgebied met het overschot van het hoofdgebouw gecompenseerd worden. Voor zover hiermee alsnog niet voldoende in de waterberging is voorzien, verplicht het gemeentelijk beleid vergunninghouder om het overtollige water via het riool af te voeren. Verzoekers weerspreken dit niet. Zij vrezen echter dat, ondanks dit beleid, het water alsnog op hun perceel terecht komt.
14. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter bestaat er geen aanleiding om het bestreden besluit te schorsen vanwege het ontbreken van het waterdoorlaatbaarheidsonderzoek. Ondanks het ontbreken van het onderzoek is niet aannemelijk geworden dat de voorziene waterberging in het bouwplan ontoereikend gaat zijn. Uit het eigen rapport van verzoekers is immers gebleken dat er op het gehele perceel na het plaatsen van de infiltratiekratten (ruim) voldoende afvoercapaciteit aanwezig is. Daarnaast is de voorzieningenrechter ook niet gebleken dat vergunninghouder bij gebrek aan voldoende afvoercapaciteit (in strijd met het gemeentelijk beleid) het water niet via het riool, maar op andere wijze zou laten afvoeren, en al helemaal niet dat daarbij het water op het perceel van verzoekers terecht komt. Voor zover dat na ingebruikname van de locatie wel het geval blijkt te zijn, is het aan het college om daarop toe te zien en, indien nodig en mogelijk, om handhavend op te treden. De enkele vrees van verzoekers dat zij wateroverlast zullen ervaren, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende om te stellen dat er sprake is van strijd met de goede ruimtelijke ordening op grond waarvan de omgevingsvergunning niet verleend had mogen worden.
Het geluid
15. Volgens verzoekers heeft het college de omgevingsvergunning verleend op basis van een gebrekkig geluidsonderzoek. Het is verzoekers vooral te doen om de gevolgen voor de achtergevel van hun woning, maar ook om de belangen van de toekomstige bewoners van de locatie. Verzoekers zijn van mening dat er in het geluidsrapport van het college onterecht gebruik is gemaakt van het omgevingstype ‘gemengd gebied’ voor de locatie. Volgens de door verzoekers ingediende rapport van [naam] moet de ligging van de locatie worden gekwalificeerd als een ‘rustige woonwijk’, waardoor er andere geluidsnormen gelden. Daarnaast is het volgens verzoekers niet duidelijk of er, kort gezegd, buitenunits gerealiseerd zullen worden en wat hiervan de invloed is op het geluid dat afkomstig is van de locatie.
16. Voor zover het rapport van Peutz de mogelijke gevolgen voor de toekomstige bewoners van de locatie bespreekt, is de voorzieningenrechter van oordeel dat dit geen belang is waarvoor verzoekers in deze procedure op kunnen komen. Op grond van artikel 8:69a van de Awb kan een besluit niet vernietigd worden wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt. Daarom zal de voorzieningenrechter het standpunt van verzoekers dat de belangen van de toekomstige bewoners onvoldoende zijn geborgd passeren.
16.1.
Ten aanzien van de kwalificatie van het omgevingstype van de locatie overweegt de voorzieningenrechter dat niet aannemelijk is geworden dat er voor de voorzijde van het perceel, waar het monument op is gevestigd, een ander omgevingstype kan gelden dan voor de toekomstige woning op het achtererfgebied, waar het volgens verzoekers veel rustiger is. Het college heeft op de zitting naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende gemotiveerd waarom de locatie in zijn geheel als ‘gemengd gebied’ te kwalificeren valt, gelet niet alleen op de planologie van de omgeving, maar ook het doorstromend verkeer van en naar de kern van Meerssen en omstreken en de bedrijvigheid in de omgeving. Het is ook moeilijk voorstelbaar dat de te bouwen woning, die slechts enkele meters van het monument vandaan komt te liggen, in een totaal andere omgeving zou liggen die een rustiger omgevingstype als het gaat om geluid rechtvaardigt.
16.2.
Ten aanzien van de door verzoekers gevreesde buitenunits overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Tussen partijen bestaat onenigheid over wat er door vergunninghouder is aangevraagd en wat er daadwerkelijk is vergund. Uit het document “Bouwakoetische gegevens” van 19 maart 2024 blijkt volgens de voorzieningenrechter niet dat het bouwplan voorziet in het plaatsen van buitenunits ten aanzien van een verwarmingsinstallatie. In zoverre klopt het dus niet wat verzoekers aandragen. Wel wordt er melding gemaakt van een beoogde ijskelder, waardoor een buitenunit niet langer nodig zou zijn. Of de ijskelder daadwerkelijk geplaatst wordt en daardoor geen buitenunits zullen worden aangebracht, is op basis van het document niet geheel duidelijk. Wel is door vergunninghouder ter zitting toegezegd dat van buitenunits geen sprake is. De voorzieningenrechter leidt daaruit af dat er geen buitenunits worden geplaatst. Uit de documenten die onderdeel uitmaken van het bestreden besluit blijkt ook niet dat er een of meer buitenunits zijn vergund of beoogd.
16.3.
Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter ten aanzien van de ruimtelijke onderbouwing van het geluid geen reden om het bestreden besluit te schorsen.
Waarde-archeologie
17. Volgens verzoekers heeft het college ten onrechte besloten dat het bouwplan in overeenstemming is met de dubbelbestemming ‘waarde-archeologie’ gelet op hetgeen in artikel 38.2.3 van het bestemmingsplan is bepaald. Zij verwijzen naar het archeologisch rapport van ArcheoPro van maart 2024, waarbij enkel naar de archeologische waarde van het achtererfgebied is gekeken. Naar de grond onder het pand dat op de locatie aanwezig is, is volgens hen niet gekeken, waardoor het bouwplan in strijd is met voornoemd artikel van het bestemmingsplan.
18. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter strekt de bepaling van het bestemmingsplan waarop verzoekers zich beroepen niet tot het beschermen van hun belangen. Artikel 38.2.3 strekt er immers toe de eventuele archeologische waarden in de bodem op de locatie te beschermen en dat is niet het belang van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor omwonenden zoals verzoekers dat hebben. Op grond van artikel 8:69a van de Awb kan deze beroepsgrond naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De voorzieningenrechter ziet daarom in dit standpunt geen aanleiding om het bestreden besluit te schorsen.
Waarde-cultuurhistorie
19. Verzoekers zijn verder van mening dat het college ten onrechte heeft besloten dat het bouwplan past binnen de planregels ten aanzien van de dubbelbestemming ‘waarde-cultuurhistorie’, gelet op wat er in artikel 44.3 van het bestemmingsplan is bepaald. Volgens verzoekers is het verslag van de Adviescommissie Fysieke Leefomgeving (de commissie), dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, onvoldoende duidelijk over de vraag of het bouwplan past binnen of een kwalitatieve bijdrage levert aan de cultuurhistorische en oudheidkundige waarden. Daarnaast zijn verzoekers van mening dat er wel wezenlijke veranderingen worden aangebracht in het stedenbouwkundige beeld. Dat de commissie akkoord is met de stedenbouwkundige opzet, maakt volgens verzoekers niet dat er geen wezenlijke veranderingen plaatsvinden.
20. Voor zover verzoekers van mening zijn dat er onvoldoende onderzoek gedaan is naar de cultuur-historische waarden van het achtererfgebied en de daarop te vestigen woning, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college onweersproken heeft gesteld dat het achtererfgebied geen cultuurhistorische waarde bevat, en dat daarom artikel 44.3 van het bestemmingsplan geen belemmering vormt voor het vergunnen van de bouw op het achtererfgebied.
20.1.
De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat het stedenbouwkundige beeld niet wezenlijk verandert als gevolg van de verbouwingen aan het monument. Dat blijkt uit de door vergunninghouder overgelegde bouwtekeningen. Voor zover verzoekers betogen dat het bouwplan geheel niet stedenbouwkundig in te passen is, oordeelt de voorzieningenrechter dat uit het advies van de commissie blijkt dat het bouwplan stedenbouwkundig akkoord is bevonden. Verzoekers hebben hiertegen geen andersluidend deskundigenbericht ingebracht, zodat het college van het positieve advies van de commissie uit heeft mogen gaan. Dat verzoekers het bouwplan (van met name de woning) niet mooi en/of wenselijk vinden, is daarvoor onvoldoende.
Het parkeeronderzoek
21. Het bestemmingsplan bepaalt in artikel 59.3.2, onder a dat er op eigen terrein in de parkeerbehoefte voorzien moet worden. Het bouwplan voldoet hier niet aan. Het college heeft daarom getoetst aan de ‘Nota Parkeerbeleid 2022-2025’ (de parkeernota) zoals bedoeld in artikel 59.3.2, onder b, van het bestemmingsplan. Volgens het college is er sprake van een tekort aan 2,8 (afgerond 3) parkeerplaatsen op eigen terrein en wordt dit ruimtelijk aanvaardbaar geacht gelet op de ruimtelijke ontwikkeling in de omgeving.
22. Volgens verzoekers is er geen tekort is van 3 parkeerplaatsen, maar minstens 4, omdat er in de ruimtelijke onderbouwing van het college ten onrechte wordt gerekend met het verkeerde soort woning. Van de vijf te realiseren appartementen zouden er volgens verzoekers niet vijf, maar drie worden verhuurd, en worden de overige twee appartementen verkocht, waardoor er sprake is van een andere parkeerbehoefte. Ter zitting hebben verzoekers vervolgens gesteld dat het rapport “Parkeeronderzoek Centrum Meerssen” van 3 december 2021 dat ten grondslag ligt aan de parkeernota verouderd is en niet langer kan onderbouwen dat het parkeertekort in de omgeving kan worden opgevangen.
22.1.
De discussie tussen partijen is derhalve beperkt tot of er drie of vijf parkeerplaatsen in de openbare ruimte moeten worden opgevangen en of het onderzoek waarop het college de ruimtelijke onderbouwing baseert voldoende duidelijk is.
22.2.
De voorzieningenrechter constateert dat tijdens de zitting is gebleken dat (een deel van) de informatie uit het rapport achterhaald is. Het is onduidelijk of de openbare parkeerplaatsen die in het rapport zijn genoemd en op basis waarvan de parkeerdruk is gemeten nog steeds allemaal openbaar toegankelijk zijn. In ieder geval lijkt een deel van de gebruikte parkeerplaatsen enkel beschikbaar te zijn voor bewoners met een daarvoor bestemde parkeervergunning. Die zijn dan ook niet openbaar toegankelijk. In zoverre is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd, omdat het parkeeronderzoek dat ten grondslag ligt aan de ruimtelijke onderbouwing niet lijkt aan te sluiten op de feitelijke situatie ten tijde van het bestreden besluit.
22.3.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is dit echter geen gebrek waarvoor het bestreden besluit geschorst hoeft te worden. Het gebrek in de motivering van de ruimtelijke onderbouwing ten aanzien van het opvangen van de parkeercapaciteit kan naar verwachting dan ook nog door het college hersteld worden in de beroepsprocedure. De voorzieningenrechter overweegt daarover als volgt. Het gaat in deze zaak om een vrij beperkt aantal benodigde parkeerplaatsen, ten hoogste vijf. Na het parkeeronderzoek is er bovendien onweersproken een supermarkt in de omgeving van de locatie verdwenen. De voorzieningenrechter is daarom voorlopig van oordeel dat, hoewel het parkeeronderzoek verouderd is, omdat de minimale parkeerbehoefte waarin niet op eigen terrein kan worden voorzien, beperkt is, het niet onaannemelijk is dat er in de directe omgeving voldoende parkeercapaciteit is om de resterende parkeerbehoefte van het bouwplan op te vangen. Uit het parkeeronderzoek blijkt namelijk wel dat er in de omgeving relatief veel parkeergelegenheid is en de voorzieningenrechter heeft dan ook niet de verwachting dat een nieuw parkeeronderzoek als uitkomst zal hebben dat er geen ten hoogste vijf plekken in de directe omgeving beschikbaar zijn.
Beleid
23. Verzoekers verwijzen tot slot naar de beleidsregel ‘Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021’. In deze beleidsregel is geregeld dat goede woningbouwplannen niet hoeven te worden gecompenseerd. Voor zover verzoekers betogen dat er strijd zou zijn met deze beleidsregel door de omgevingsvergunning te verlenen zonder dat sprake is geweest van compensatie (eerst een bestaand pand slopen, dan pas nieuwbouw), is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze beleidsregel niet strekt tot de bescherming van de belangen van verzoekers, maar tot een algemeen belang, namelijk het voorkomen van leegstand in de provincie. Verzoekers hebben ter zitting ook niet kunnen aanduiden welke gevolgen dit beleid zou moeten of kunnen hebben voor het bestreden besluit of wat hun belang is bij naleving van deze beleidsregel. Artikel 8:69a van de Awb verzet zich dan ook tegen een inhoudelijke beoordeling.
23.1.
Voor zover verzoekers hebben gesteld dat de verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad van de gemeente Meerssen is gebaseerd op een ander bouwplan dan vergund is, namelijk een eerder bouwplan dat besproken zou zijn in het kader van voormelde beleidsregel, en verzoekers daarmee kennelijk de verklaring van geen bedenkingen ter discussie stellen, overweegt de voorzieningenrechter dat uit het dossier blijkt dat aan de gemeenteraad dezelfde ruimtelijke onderbouwing is voorgelegd die uiteindelijk onderdeel is geworden van de vergunning. Dat klopt feitelijk dus al niet. De voorzieningenrechter ziet ook voor het overige geen aanleiding voor het oordeel dat de gemeenteraad onjuist geïnformeerd was toen door haar de verklaring van geen bedenkingen werd afgegeven. Dat er in eerdere gesprekken met de gemeente of met andere gremia mogelijk sprake was van een ander (beperkter) bouwplan van vergunninghouder, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet relevant voor de besluitvorming door de gemeenteraad. Een verklaring van geen bedenkingen door de gemeenteraad moet worden afgegeven over het aangevraagde bouwplan. Dat ligt immers te beslissing voor bij het college. Of de gemeenteraad van eerdere (bouw)plannen van vergunninghouder op de hoogte is geweest of niet kan dan ook in het midden blijven.
Is er een andere aanleiding om het bestreden besluit te schorsen?
24. In het aanvullend beroepschrift van 8 december 2025 schrijven verzoekers dat zij vrezen dat de sloopwerkzaamheden en funderingswerkzaamheden schade zullen veroorzaken aan hun woning. Volgens hen is er op dit moment sprake van het slopen van de binnenkant van het bestaande pand, terwijl vergunninghouder toegezegd had enkel de funderingswerzkaamheden uit te voeren.
25. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben verzoekers niet concreet onderbouwd welke onomkeerbare gevolgen de uitvoering van het bouwplan volgens hen voor hun woning zou hebben. Van de door verzoekers gevreesde schade aan hun woning is nog niet gebleken, ondanks dat vergunninghouder al gestart is met de funderings- en sloopwerkzaamheden. De enkele gestelde vrees is daarvoor onvoldoende. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het beroep niet afgewacht kan worden.

Conclusie en gevolgen

26. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de gebreken die aan het bestreden besluit kleven niet zodanig zijn dat hiervoor het bestreden besluit geschorst moet worden. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek om een voorlopige voorziening af. Verzoekers krijgen hun griffierecht niet terug. Voor een proceskostenvergoeding bestaat evenmin aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.J.A. Smitsmans, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L. van der Genugten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op: 12 januari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 12 januari 2026.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Bijlage
Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.
De aangevraagde omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ kan slechts worden geweigerd indien sprake is van één van de weigeringsgronden opgesomd in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo. Het in dit artikel neergelegde stelsel voor beoordeling van aanvragen is een zogenoemd limitatief-imperatief stelstel. Dit betekent dat dwingend is voorgeschreven dat een omgevingsvergunning moet worden geweigerd als één of meer van de weigeringsgronden in dat artikel zich voordoen en moet worden verleend als geen van de weigeringsgronden zich voordoet. Het college mag de omgevingsvergunning dus niet weigeren om andere redenen en ten behoeve van andere belangen dan die staan genoemd in artikel 2.10 van de Wabo.
Op grond van artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo - voor zover van belang - wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder a, de omgevingsvergunning geweigerd indien:
de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het
bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften uit het Bouwbesluit 2012;
(…)
de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan;
het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft zowel
op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand (...).
Op grond van artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo wordt in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.
Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef, en onder a, onder 3, van de Wabo kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, slechts worden verleend indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.
Op het perceel van de locatie geldt de bestemming ‘wonen’ op grond van het bestemmingsplan. Daarnaast gelden de dubbelbestemmingen ‘waarde – cultuurhistorie’ en ‘waarde-archeologie’ op het perceel. Voor het afwijken van de bestemming ‘wonen’ heeft het college een vergunning verleend als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3 van de Wabo. Voor de bouwwerkzaamheden in het kader van de dubbelbestemmingen ‘waarde-cultuurhistorie’ en ‘waarde-archeologie’ heeft het college een omgevingsvergunning verleend in overeenstemming met het bestemmingsplan.
Waarde-cultuurhistorie
Op grond van artikel 44.3 van het bestemmingsplan kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het bouwen ten behoeve van de onderliggende bestemmingen, met dien verstande dat:
  • de cultuurhistorische en oudheidkundige waarden niet worden aangetast;
  • de nieuwbouw past binnen c.q. een kwalitatieve bijdrage levert aan de
cultuurhistorische en oudheidkundige waarden;
  • er geen wezenlijke veranderingen worden aangebracht in het stedenbouwkundige beeld;
  • voor zover het monumenten betreft, hierover advies dient te worden
ingewonnen van een ter zake deskundige instantie.
Waarde-archeologie
Op grond van artikel 38.2.3 onder a van het bestemmingsplan moet er voor de waarden van categorie 2 t/m 6 aan het bevoegd gezag een rapport overgelegd worden waarin de archeologische waarde van het terrein dat verstoord zal worden naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. Op grond van artikel 38.2.3 onder b van het bestemmingsplan wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen uitsluitend verleend als:
1. uit dit rapport blijkt dat er geen monumentale waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad of door nader archeologisch onderzoek de aanwezige archeologische waarden zijn veilig gesteld;
2. schade door de bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften.
Parkeren
Daarnaast bepaalt het bestemmingsplan in artikel 59.3.2 dat ten aanzien van bouwen en parkeernormen het volgende geldt:
a. op eigen terrein wordt in voldoende mate in de parkeerbehoefte voorzien;
b. de op het tijdstip van aanvraag van de omgevingsvergunning geldende parkeernorm moet worden gehanteerd volgens de ‘Nota Parkeerbeleid 2022-2025’ of diens rechtsopvolger.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg van 25 augustus 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:8307.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3805.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 19 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1174.