ECLI:NL:RBLIM:2026:2406

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
ROE 24/3524
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.R.N. Crombaghs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:1 APV HeerlenArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen invordering dwangsom wegens vermeende drugshandel op straat

De burgemeester legde eiser een last onder dwangsom op wegens overtreding van artikel 3:1 van Pro de Algemene plaatselijke verordening Heerlen (APV), gericht op drugshandel op straat. Op 25 juni 2023 werd eiser staande gehouden door de politie, waarbij indicaties voor drugshandel werden gevonden, zoals meerdere mobiele telefoons, een aanzienlijk geldbedrag en zenuwachtig gedrag. De burgemeester vorderde daarop een dwangsom van € 5.000,-.

Eiser voerde aan dat de overtreding niet aannemelijk was gemaakt, omdat er geen concrete feiten waren die wezen op straathandel, zoals transacties of getuigenverklaringen. De rechtbank oordeelde dat de enkele indicaties onvoldoende zijn om het kennelijke doel van drugshandel op een openbare plaats vast te stellen. Het feit dat eiser in een rijdende auto werd aangetroffen, maakt dit niet anders.

De rechtbank vernietigde het invorderingsbesluit en oordeelde dat eiser geen dwangsom heeft verbeurd. Tevens werd de burgemeester veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser. De uitspraak trad in de plaats van het vernietigde besluit en bevestigt dat de burgemeester niet bevoegd was tot invordering zonder voldoende bewijs van overtreding.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het invorderingsbesluit en oordeelt dat eiser geen dwangsom heeft verbeurd wegens onvoldoende bewijs van overtreding van artikel 3:1 APV.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 24/3524

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. Van Ek),
en

de burgemeester van de gemeente Heerlen

(gemachtigde: mr. Quadvlieg).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de invordering van een dwangsom. De burgemeester heeft eiser met een last onder dwangsom verboden om artikel 3:1 van Pro de Algemene plaatselijke verordening Heerlen (APV) te overtreden. Dit artikel gaat over drugshandel op straat. De burgemeester stelt zich op het standpunt dat eiser niet aan de last heeft voldaan en is daarom overgegaan tot invordering van de dwangsom. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de burgemeester niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiser artikel 3:1 van Pro de APV heeft overtreden. Dat betekent dat de burgemeester onterecht een invorderingsbesluit heeft genomen. Eiser krijgt gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 24 juli 2023 heeft de burgemeester een dwangsom van
€ 5.000,- ingevorderd (het invorderingsbesluit).
2.1.
Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De burgemeester is met zijn beslissing op bezwaar van 13 juni 2024 (het bestreden besluit) bij de invordering gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 30 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de burgemeester.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat de zaak over?
3. Met het besluit van 4 april 2023 heeft de burgemeester aan eiser een last onder dwangsom opgelegd, inhoudende dat eiser bij iedere volgende overtreding van artikel 3:1 van Pro de APV een dwangsom verbeurt van € 5.000,- met een maximum van € 20.000,-. Dit besluit staat in rechte vast.
3.1.
Op 3 juli 2023 heeft de burgemeester een bestuurlijke rapportage ontvangen van de politie. Hierin staat dat de politie eiser op 25 juni 2023 in Heerlen in zijn auto zag rijden. Vervolgens heeft de politie hem een stopteken gegeven, waarna eiser is staande gehouden en gecontroleerd. De aanleiding was dat het voertuig op naam van eiser stond en dat hij eerder dat jaar al was staande gehouden op verdenking van handel en bezit van harddrugs en witwassen. Tijdens de controle werden drie mobiele telefoons aangetroffen. Op een van de telefoons kwam op dat moment ogenschijnlijk een bestelling binnen. Daarnaast trof de politie meerdere kentekenbewijzen aan en een aanzienlijk geldbedrag
(€ 1.985,-). Eiser vertoonde tijdens de controle zichtbaar gespannen gedrag, onder meer blijkend uit trillende handen. Op het moment dat de politie iets hards ter hoogte van eisers broekrand constateerde, rende eiser weg. Bij een eerdere aanhouding (29 januari 2023) had eiser (ook) ter hoogte van zijn broekrand drugs bewaard. Nadat eiser opnieuw was staande gehouden, was het harde voorwerp verdwenen. Bij eiser zelf en langs zijn vluchtroute zijn geen drugs aangetroffen. Volgens de politie is het zeer aannemelijk dat eiser tijdens zijn vluchtpoging een handelshoeveelheid drugs heeft weggegooid.
3.2.
De burgemeester acht het op grond van de bestuurlijke rapportage aannemelijk dat eiser op 25 juni 2023 het kennelijke doel had om drugs te verhandelen op een openbare plaats in Heerlen en daarmee artikel 3:1 van Pro de APV heeft overtreden. Hiermee heeft eiser een dwangsom van € 5.000,- verbeurd. De burgemeester heeft deze dwangsom ingevorderd.
4. Eiser voert aan dat de burgemeester niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij artikel 3:1 van Pro de APV heeft overtreden. Volgens eiser steunt het besluit tot invordering uitsluitend op vermoedens en ervaringsfeiten, zonder dat er sprake is van concrete, objectieve omstandigheden die wijzen op drugshandel op straat. Eiser wijst erop dat uit de rapportage niet blijkt dat (bijvoorbeeld) voorbijgangers zijn aangesproken of dat daadwerkelijk een transactie is waargenomen. Naar zijn mening is de enkele samenloop van de in de bestuurlijke rapportage benoemde ervaringsfeiten en vermoedens onvoldoende om de overtreding aannemelijk te maken. Nu de burgemeester de overtreding niet aannemelijk heeft gemaakt, kon hij niet overgaan tot invordering van de dwangsom. Ook stelt eiser dat de burgemeester, voordat hij tot invordering overging, overleg had moeten voeren met de officier van justitie om te voorkomen dat hij dubbel wordt bestraft. Daarnaast voert eiser aan dat het bedrag dat wordt ingevorderd te hoog is en dat dit voor hem tot een onevenredig zware last leidt.
Heeft de burgemeester aannemelijk gemaakt dat eiser artikel 3:1 van Pro de APV heeft overtreden?
5. In artikel 3:1 van Pro de APV staat dat het verboden is op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijk doel om drugs, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Dit ‘kennelijke doel’ kan blijken uit ervaringsfeiten en concrete omstandigheden, zoals het aanspreken van voorbijgangers of het waarnemen van transacties. [1] Dit artikel is specifiek gericht om overlast van
straathandelin drugs tegen te gaan. Het vervoeren of aanwezig hebben van drugs, en het gebruik van de openbare weg om naar bijvoorbeeld een woning te rijden, ook als dat gebeurt met het kennelijke doel om daar drugs te verhandelen, valt dus niet onder hetgeen artikel 3:1 van Pro de APV beoogt tegen te gaan omdat dit niet leidt tot de overlast op de openbare weg. [2] Het is aan de burgemeester om aannemelijk te maken dat eiser de bepaling uit de APV heeft overtreden en daarmee niet aan de last heeft voldaan.
6. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de bestuurlijke rapportage niet dat eiser zich op 25 juni 2023 op een openbare plaats binnen de gemeente Heerlen heeft opgehouden met het kennelijke doel om
op straatte handelen in drugs dan wel daarin te bemiddelen of behulpzaam te zijn. De rechtbank overweegt dat de hoeveelheid contant geld en de aanwezigheid van de mobiele telefoons (met de ogenschijnlijk binnenkomende bestelling), meerdere kentekenbewijzen, de harde bobbel ter hoogte van de broekrand en het zenuwachtige gedrag van eiser, indicaties kunnen zijn voor drugshandel. Uit die indicaties kan echter niet worden opgemaakt dat eiser het kennelijke doel had om op
een openbare plaatsin drugs te handelen. Dat is wel nodig om een overtreding van artikel 3:1 van Pro de APV vast te kunnen stellen. In het geval van eiser ontbreken er concrete omstandigheden of feiten die wijzen op straathandel. Eiser is door de politie staande gehouden nadat ze hem zagen rijden. Eiser is niet op heterdaad betrapt op straathandel, er is geen transactie waargenomen op straat of in de betreffende auto, er zijn geen verklaringen van klanten of getuigen dat eiser bezig was met (bemiddeling in) straathandel en is het onbekend waar eiser naartoe reed.
7.1.
Ter zitting heeft de burgemeester aangegeven dat het voor de beoordeling of eiser het kennelijk doel had om drugs te verhandelen op een
openbare plaatsniet van belang is dat eiser op het moment dat hij door de politie werd gesignaleerd, in een auto reed in plaats van stilstond langs de weg. Ter onderbouwing verwijst hij naar een uitspraak van de Afdeling. [3] Uit deze uitspraak volgt volgens de burgemeester dat indien voorwerpen in een auto worden aangetroffen die als objectieve indicatoren voor drugshandel kunnen worden aangemerkt, dit voldoende grond vormt voor de conclusie dat artikel 3:1 van Pro de APV wordt overtreden. De rechtbank volgt de burgemeester daarin niet. In deze uitspraak wordt namelijk verwezen naar een bestuurlijke rapportage waaruit blijkt dat een auto langere tijd stilstond met een draaiende motor. Gelet op deze omstandigheid en de andere omstandigheden in die zaak, werd aannemelijk geacht dat de betrokkene zich op straat ophield met het kennelijke doel om daar drugs te verhandelen. Zoals hiervoor geoordeeld doen dergelijke indicaties, die er op wijzen dat eiser het kennelijke doel had om op straat in drugs te handelen, zich hier niet voor.
7. De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiser artikel 3:1 van Pro de APV heeft overtreden. De burgemeester was daarom niet bevoegd om over te gaan tot invordering van een dwangsom. Deze beroepsgrond slaagt.
7.1.
Nu deze beroepsgrond slaagt ziet de rechtbank geen aanleiding de overige beroepsgronden nog te bespreken.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond. Eiser heeft geen dwangsom verbeurd en de burgemeester is ten onrechte tot invordering overgegaan. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien omdat de uitkomst in het geval de burgemeester opnieuw op het bezwaar zou beslissen, geen andere zou kunnen zijn dan dat het invorderingsbesluit van 24 juli 2023 wordt herroepen. Dit betekent dat eiser het bedrag van € 5.000,- niet hoeft te betalen.
8.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de burgemeester het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten in beroep. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De rechtbank zal de burgemeester daarnaast veroordelen in de kosten die eiser in bezwaar heeft gemaakt, nu eiser daar in de bezwaarfase om heeft verzocht en het invorderingsbesluit wordt herroepen wegens een aan de burgemeester te wijten onrechtmatigheid. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 4 punten op (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting in bezwaar met een waarde van € 666,-, en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting in beroep met een waarde per punt van € 934,-, allen met een wegingsfactor 1). Toegekend wordt € 3.200.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 13 juni 2024;
- herroept het invorderingsbesluit van 24 juli 2023;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigende bestreden besluit;
- bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 3.200,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R.N. Crombaghs, rechter, in aanwezigheid van
N.I.W. Smeets, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2026
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 13 maart 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2297, r.o. 5.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2170, r.o. 5.
3.De uitspraak van de Afdeling van 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3817.