ECLI:NL:RBLIM:2026:2681

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
11871317 CV EXPL 25-3622
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Piëtte
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:629 lid 1 BWArt. 7:629 lid 3 sub c BWArt. 7:629a lid 1 BWArt. 7:640a BWArt. 7:638 lid 8 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Loonvordering afgewezen wegens ontbreken deskundigenverklaring bij weigering passend werk tijdens re-integratie

Werknemer, werkzaam als lasser niveau D, meldde zich ziek in augustus 2022 en doorliep een re-integratietraject waarbij werkgever passend laswerk aanbood. Werknemer weigerde dit laswerk te verrichten, waarop werkgever de loonbetaling stopzette vanaf 15 november 2023. Werknemer vorderde betaling van loon, vakantietoeslag, vakantie-uren, ADV-uren, onterecht ingehouden verlof en bonussen.

De rechtbank oordeelde dat werknemer geen loon toekomt over de periode van loonstop omdat hij passende arbeid weigerde te verrichten en geen deskundigenverklaring van het UWV had overgelegd zoals vereist in art. 7:629a lid 1 BW. De functie van werknemer omvatte laswerkzaamheden, en het aangeboden werk paste binnen zijn belastbaarheid volgens bedrijfsarts en UWV.

De vordering tot betaling van vakantietoeslag en ADV-uren werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing of verval. Wel werd werknemer een bruto bedrag van € 315,69 toegekend voor 13,27 niet-betaalde vakantie-uren en een bonus van € 250,00 bruto. Daarnaast werd werkgever veroordeeld tot betaling van wettelijke rente, wettelijke verhoging en proceskosten. De overige vorderingen werden afgewezen.

Uitkomst: Loonvordering afgewezen wegens ontbreken deskundigenverklaring; wel toewijzing van bonus en betaling resterende vakantie-uren.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11871317 \ CV EXPL 25-3622
Vonnis van 29 april 2026
in de zaak van
[werknemer],
te [plaats 1] (België),
eisende partij,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. M.J.E. Spee,
tegen
[werkgever] B.V.,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [werkgever] ,
gemachtigde: mr. M.C.V. Dornstedt.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 4 maart 2026, waarbij namens [werknemer] een pleitnota is overgelegd.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[werknemer] , geboren op [datum] 1986, is met ingang van 24 juni 2019 voor 40 uur per week in dienst getreden als lasser, aanvankelijk als lasser niveau C. Sinds begin 2020 vervult [werknemer] de functie van lasser niveau D. Dit is het hoogste niveau binnen die functie. Op de arbeidsovereenkomst is de collectieve arbeidsovereenkomst Metalektro (hierna: de cao) van toepassing.
2.2.
Op 8 augustus 2022 heeft [werknemer] zich ziekgemeld.
2.3.
In de probleemanalyse van 22 augustus 2022 heeft de bedrijfsarts opgemerkt dat een werkgerelateerde factor (door [werknemer] ervaren hoge werkdruk) een rol speelt bij het ziekteverzuim. De bedrijfsarts concludeert dat [werknemer] op dat moment niet in staat is te starten met werkhervatting en dat het van belang is dat [werknemer] zich op herstel kan focussen. Als einddoel van de re-integratie vermeldt de bedrijfsarts: werkhervatting in eigen functie.
2.4.
In de daaropvolgende periode is [werknemer] regelmatig gezien door de bedrijfsarts. De daaropvolgende schriftelijke terugkoppelingen van de bedrijfsarts aan [werkgever] komen er telkens op neer dat [werknemer] niet in staat is zijn werkzaamheden te hervatten en dat [werkgever] wordt geadviseerd contact met [werknemer] te blijven onderhouden.
2.5.
Op 22 mei 2023 heeft de bedrijfsarts aan [werkgever] geadviseerd om in het kader van het bereiken van het eerste ziektejaar een arbeidsdeskundig onderzoek in te zetten. Voor dat arbeidsdeskundig onderzoek heeft de bedrijfsarts de beperkingen van [werknemer] vastgelegd in een Actuele Mogelijkhedenlijst (AML) van 22 juni 2023.
2.6.
Vervolgens heeft een arbeidsdeskundig re-integratieonderzoek plaatsgevonden. Daarvan is een rapport van 27 juni 2023 opgemaakt. De arbeidsdeskundige heeft in dat rapport geconcludeerd dat het eigen werk niet passend is te maken aan de beperkingen zoals die zijn vastgesteld in de AML.
Verder heeft de arbeidsdeskundige voor zover hier van belang in het rapport vermeld:
“Met de huidige beperkingen zou het laswerk in de werkplaats/shop het dichtst bij zijn mogelijkheden en inzetbaarheid liggen. Werknemer zou hier eerst re-integratietaken op zich kunnen nemen. Hij kan dan in relatieve afzondering zijn werk doen en aan hem kan dan een afgebakende taak aangeboden worden. De heer [werknemer] kiest er zelf voor, om voor hem moverende redenen, niet te willen of kunnen werken in de shop.
(…)
Het geheel overziende constateer ik een ernstige discrepantie tussen hetgeen de werkgever verwacht van een lasser niveau D en de invulling die de heer [werknemer] daar zelf aangeeft. De werkgever verwacht een functionaris die zelf daadwerkelijk last en van daaruit ook actief in het productieproces betrokken is. Vanuit het functieniveau D zal hij leerlingen begeleiden, maar het zal zeer zeker niet betekenen dat hij bijna volledig staftaken of niet-productieve taken verricht. In de beleving van de heer [werknemer] is hij meer dan volledig bezet met regel-dingen, aansturen, dirigeren, coördineren en begeleiding van het hele proces.
Naar mijn mening kan er niet eerder over re-integratie gesproken worden, dan dat dit spanningsveld is opgeheven. Het is noodzakelijk dat deze tegenstelling in beleving niet meer bestaat om tot een duurzame inzetbaarheid van de heer [werknemer] te komen. Ik adviseer dan ook dringend eerst een gesprek te arrangeren met de betrokkenen waarbij ook HR aanwezig is.”
2.7.
In het rapport eerstejaarsevaluatie van 10 juli 2023 concludeert de bedrijfsarts dat [werknemer] in staat is te starten met werkhervatting in aangepast (eigen) werk. De bedrijfsarts adviseert: “kies voor afgebakende taken, zonder veelvuldige deadlines en of een hoog handelingstempo. Start initieel met 2 x 2 uur per week en evalueer regelmatig hoe het in de praktijk is gegaan. Breidt per twee weken stapsgewijs de uren uit, bijvoorbeeld 2 x 3 uur per week.”
2.8.
Op 2 augustus 2023 heeft [werknemer] gesproken met zijn (toenmalige) leidinggevende
[persoon 1] en met [persoon 2] (Business Partner HR). [persoon 2] heeft vervolgens in een brief van dezelfde datum aan [werknemer] (onder meer) het volgende medegedeeld:
“Wij hebben gesproken over de inhoud van uw functie, Lasser Niveau D. wij hebben toegelicht dat een Lasser van dit niveau een coördinerende, meewerkende rol heeft. Wij hebben een gesprek over hoe dit voor u in de dagelijkse praktijk uitpakt en hoe u last had van hoge werkdruk.
Het is van belang dat u nu zonder tempo druk en deadlines uw re-integratie kan starten en daar hebben we afspraken over gemaakt. U begint op 3 augustus om met de QC inspecteur de werkzaamheden voor de komende tijd te bespreken die u, passend bij uw mogelijkheden en beperkingen, kan gaan oppakken.”
Verder staat in deze brief dat [werkgever] spoor 2 gaat opstarten.
2.9.
[werknemer] heeft vervolgens hervat in aangepaste werkzaamheden. [werkgever] heeft aan [werknemer] een evaluatie van de voortgang van de werkhervatting over de weken 32 tot en met 35 verstrekt. [werknemer] heeft die evaluatie overgelegd als productie 14. De evaluatie van week 35 vermeldt het volgende:
“Tevens gaat [werknemer] vanaf week 36 na 2 x 4 uur en vanaf week 38 wil hij gaan kijken om de uren te gaan verdelen over 3 werkdagen. Tevens dan eens gaan we vanaf dan kijken hoe het weer gaat met lassen 1 dag in de week voor te beginnen en dit dan gelijk evalueren.”
2.10.
Vanaf 1 september 2023 is [persoon 3] de leidinggevende van [werknemer] .
2.11.
In een e-mail van 9 oktober 2023 heeft [persoon 3] aan [werknemer] naar aanleiding van een gesprek met [werknemer] op 5 oktober 2023 meegedeeld/voorgesteld dat [werknemer] zijn lassersvaardigheden dient te oefenen om zijn lasserskwalificaties weer te kunnen behalen. Uit de e-mail blijkt dat [werknemer] in het gesprek naar voren heeft gebracht dat hij het uitvoeren van productie laswerkzaamheden met bijbehorende kwaliteit en kwantiteitseisen naast aansturing en coördinatie als stressvol ervaart.
2.12.
Bij e-mail van 11 oktober 2023 heeft [werknemer] afwijzend gereageerd op de e-mail van [persoon 3] . Hij beroept zich daarbij op een destijds met zijn leidinggevende opgesteld re-integratieplan en dat dit plan door [werknemer] niet gewijzigd wordt.
2.13.
[persoon 3] heeft daarop gereageerd bij e-mail van 18 oktober 2023. Daarin staat onder meer dat [werknemer] wordt verwacht bij “Ole 4”, alwaar hij zijn skills als lasser kan ophalen met als uiteindelijk doel zijn werkzaamheden op niveau van lasser D te gaan verrichten.
2.14.
Op 30 oktober 2023 heeft de bedrijfsarts aan [werkgever] (onder meer) het volgende bericht:
“In de afgelopen periode zijn de beperkingen in enige mate toegenomen. Hierbij lijkt een werk-gerelateerde factor een rol te spelen, namelijk met betrekking tot een verschil van inzicht in het invullen van de functie lasser D. Ik begrijp dat er reeds enkele gesprekken hierover hebben plaatsgevonden. Aangezien deze factor een negatieve invloed heeft op het herstel van de heer, adviseer ik u om in gesprek te blijven om te bespreken of er mogelijk naar een oplossing gezocht kan worden.
Ik adviseer u tevens om de uren stapsgewijs uit te blijven breiden per twee tot drie weken.”
2.15.
Op 2 november 2023 heeft [werknemer] naar aanleiding van het advies van de bedrijfsarts gesproken met [persoon 1] , [persoon 3] en [persoon 2] . Diezelfde dag heeft [werkgever] aan [werknemer] een brief gestuurd. Daarin staat (onder meer) dat met hem besproken is dat een lasser van zijn niveau “ook veel moet lassen”, en dat hij daarom als onderdeel van zijn re-integratie in de werkplaats zonder tempo druk en deadlines, rekening houdend met zijn beperkingen ook weer moet gaan lassen. De brief vermeldt ook dat [werknemer] het daar tijdens het gesprek niet mee eens was en toen boos is weggelopen. [werkgever] heeft [werknemer] er in de brief op gewezen dat een loonstop tot de mogelijkheden behoort en dat hij een deskundigenoordeel bij het UWV kan aanvragen als hij het niet eens is met de adviezen van de bedrijfsarts en de arbeidsdeskundigen.
2.16.
Op 9 november 2023 heeft [werknemer] in het kader van zijn re-integratie werkzaamheden voor [werkgever] verricht. Hij heeft toen geweigerd om laswerkzaamheden te verrichten. [persoon 3] heeft hem toen de keuze gegeven: óf lassen óf naar huis gaan. [werknemer] heeft ook daarna niet willen lassen en heeft toen de werkplek verlaten.
2.17.
Bij brief van 9 november 2023 heeft [werkgever] aan [werknemer] medegedeeld dat zij de betaling van zijn loon stopt.
2.18.
Bij brief van 10 november 2023 heeft [werkgever] onder meer het volgende aan [werknemer] medegedeeld:
“We hopen dat je bijdraait en ons bevestigt dat je alsnog wil meewerken. Ik hoor het graag. Als ik die bevestiging heb gehad, dan ben je a.s. maandag weer welkom in de werkplaats bij SABIC, voor 3 x 4 uur op de maandag, woensdag en vrijdag en 1 x 2 uur per wek op dinsdag en donderdag, dat is aan jou, maar wel na afstemming. Je volgt dan de aanwijzingen van je leidinggevenden en je gaat werken aan het weer behalen van je lascertificaten, je gaat dus lassen. Doe je dat niet dan beschouwen we dat als niet mee werken aan je re- integratie.”
2.19.
Op maandag 13 november 2023 heeft [werknemer] zich gemeld om werkzaamheden te verrichten. Hij is toen na korte tijd door de heer Vroomen naar huis gestuurd.
2.20.
Op 18 december 2023 heeft de bedrijfsarts een gedeeltelijke verslechtering van de medische situatie van [werknemer] en een toename van zijn beperkingen geconstateerd. De bedrijfsarts heeft [werknemer] wel in staat geacht om aangepast eigen werk uit te voeren.
2.21.
[werknemer] heeft voor het eerst bij brief van 30 januari 2024, [werkgever] verzocht om betaling van zijn loon vanaf medio november 2023. Aan dat verzoek is [werkgever] niet tegemoetgekomen.
2.22.
[werkgever] heeft een arbeidsdeskundig onderzoek laten verrichten. Van dat onderzoek is een rapport van 20 februari 2024 opgesteld. De arbeidsdeskundige heeft in dat rapport geconcludeerd dat:
  • [werknemer] op dat moment niet geschikt is voor het eigen werk van Lasser D bij [werkgever] in de volle omvang.
  • [werknemer] in staat is om een start te maken in het kader van de re-integratie
  • Het eigen werk in de volle omvang op dat moment niet passend is te maken aan de huidige beperkingen door voorzieningen of aanpassingen
  • [werknemer] niet geschikt is voor ander werk bij [werkgever]
  • [werknemer] geschikt is voor passend werk op de arbeidsmarkt.
2.23.
[werkgever] heeft verder aan UWV een deskundigenoordeel gevraagd over haar re-integratie-inspanningen.
2.24.
In het deskundigenoordeel van 28 februari 2024 heeft UWV geconcludeerd dat de re-integratie inspanningen van [werkgever] onvoldoende zijn. Het UWV heeft in dit oordeel ook geconcludeerd dat het aan [werknemer] aangeboden werk past binnen de door de bedrijfsarts vastgestelde belastbaarheid.
2.25.
De arbeidsongeschiktheid van [werknemer] is daarna nog regelmatig beoordeeld door de bedrijfsarts. De bedrijfsarts heeft daarbij steeds geconcludeerd dat [werknemer] in staat is aangepast eigen werk te verrichten.
2.26.
Op 25 juli 2024 heeft [werkgever] het UWV toestemming gevraagd om de arbeidsovereenkomst met [werknemer] op te zeggen.
2.27.
In een rapport van 26 augustus 2024 heeft de bedrijfsarts geconcludeerd dat [werknemer] op dat moment niet en naar verwachting evenmin in de komende 30 weken in staat is te hervatten in eigen werk en/of aangepast werk.
2.28.
Na verkregen toestemming van het UWV heeft [werkgever] de arbeidsovereenkomst met [werknemer] opgezegd per 4 december 2024.
2.29.
[werkgever] heeft daarna aan [werknemer] een eindafrekening verstrekt en uitbetaald. In die eindafrekening staat voor zover hier van belang:
  • een inhouding van € 411,44 bruto onder de vermelding: uren onbetaald verlof -16;
  • een uit te betalen bedrag van € 8.304,08 bruto van 322,93 vakantie-uren;
  • een inhouding van € 2.072,65 bruto onder de vermelding: vordering;
  • een uit te betalen bedrag van € 638,35 bruto van 26,81 ADV-uren.

3.Het geschil

3.1.
[werknemer] vordert - samengevat - veroordeling van [werkgever] tot betaling van:
  • het loon van 15 november 2023 tot en met 4 december 2024, althans tot en met 28 februari 2024;
  • de vakantietoeslag over de periode van 1 juni 2023 tot en met 4 december 2024, althans tot en met 28 februari 2024;
  • € 7.297,05 bruto van 306,47 vakantie-uren;
  • € 571,44 bruto van 24 ADV-uren;
  • € 411,44 bruto onterecht ingehouden verlof van 16 uur;
  • € 2.072,65 bruto onterechte inhouding,
  • twee bonussen van respectievelijk € 250,00 bruto en € 442,48 bruto;
  • de wettelijke verhoging over de hiervoor genoemde bedragen;
  • de wettelijke rente over de som van de hiervoor genoemde bedragen;
  • € 1.499,32 buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente
  • de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente
  • de nakosten.
3.2.
[werkgever] voert verweer. Zij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [werknemer] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [werknemer] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [werknemer] in de reëel gemaakte kosten van deze procedure ten bedrage van € 9.600,00 (exclusief kantoorkosten e.d.).
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter zal hieronder de afzonderlijke onderdelen van de vordering van [werknemer] beoordelen.
De loonvordering over de periode 15 november 2023 tot en met 4 december 2024 (althans tot en met 28 februari 2024)
4.2.
Partijen zijn het erover eens en dus staat vast, dat [werkgever] met ingang van
15 november 2023 geen loon meer betaald heeft aan [werknemer] . Ook nadien heeft [werkgever] geen loon meer aan [werknemer] betaald (met uitzondering van de eindafrekening). De vordering van [werknemer] om [werkgever] te veroordelen om aan hem alsnog het loon met ingang van 15 november 2023 te betalen, zal worden afgewezen. De kantonrechter legt hierna uit waarom deze vordering van [werknemer] zal worden afgewezen.
4.3.
In art. 7:629 lid 1 BW Pro is (onder meer) bepaald dat een werknemer die de bedongen arbeid niet heeft verricht omdat hij als gevolg van ziekte daartoe verhinderd is, gedurende 104 weken recht heeft op doorbetaling van loon. Dat recht heeft de werknemer echter niet als hij, hoewel hij daartoe in staat is, zonder deugdelijke grond passende arbeid waartoe de werkgever hem in de gelegenheid stelt, niet verricht. Dat is zo bepaald in art. 7:629 lid 3 aanhef Pro en onder c BW.
4.4.
Vast staat dat [werknemer] op 9 november en 13 november 2023 geweigerd heeft om de hem opgedragen laswerkzaamheden te verrichten. Die werkzaamheden heeft [werkgever] hem opgedragen in het kader van zijn re-integratie.
4.5.
[werknemer] vervulde de functie van lasser D. Onderdeel van die functie was dat [werknemer] laswerkzaamheden diende te verrichten. Partijen verschillen van mening over de vraag hoeveel laswerk [werknemer] binnen die functie diende te verrichten. Volgens [werknemer] bestond zijn functie voor (ongeveer) 10 procent uit laswerkzaamheden en voor 90% uit ander werk. [werkgever] heeft dat gemotiveerd betwist. Volgens haar maken de laswerkzaamheden een veel groter onderdeel uit van de functie dan door [werknemer] is gesteld. In reactie hierop heeft [werknemer] de door hem gestelde verhouding (10% lassen en 90% ander werk) niet aan kunnen tonen. Maar zelfs als hij dat wel had kunnen aantonen, zou hem dat niet baten. Een deugdelijke grond (in de zin van art. 7:629 lid 3 aanhef Pro en onder c bW) om daarom het hem opgedragen werk te weigeren is dat namelijk niet. Waar het namelijk om gaat, is dat [werkgever] van [werknemer] in het kader van zijn re-integratie mocht verlangen dat hij (ook) zijn laswerkzaamheden weer zou oppakken, al was het maar omdat [werknemer] zodoende weer zijn laskwalificaties kon halen. Het laswerk is nou eenmaal een onderdeel van de functie lasser D.
4.6.
[werknemer] betoogt daarnaast dat hij niet in staat was om laswerkzaamheden te verrichten. De juistheid van dat betoog is echter niet vast komen te staan. De diverse adviezen van de bedrijfsarts, maar ook het deskundigenbericht van het UWV van 28 februari 2024 vermelden niet dat de aangeboden laswerkzaamheden niet passend waren voor [werknemer] . De kantonrechter merkt verder op dat in het deskundigenoordeel van het UWV van 28 februari 2024 staat dat [werkgever] aangepast werk heeft aangeboden dat past binnen de door de bedrijfsarts vastgestelde belastbaarheid. Verder heeft [werkgever] erop gewezen dat ook uit het feit dat het UWV toestemming heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst met [werknemer] op te zeggen, blijkt dat [werkgever] aan haar re-integratieverplichting heeft voldaan en dus dat het aan [werknemer] aangeboden laswerk passend was. Anders had het UWV volgens [werkgever] de periode gedurende welke zij het loon tijdens ziekte aan [werknemer] moest doorbetalen, verlengd en zou het verzoek om toestemming tot opzegging van de arbeidsovereenkomst daarom zijn afgewezen. Tegen dit plausibele betoog van [werkgever] heeft [werknemer] niets relevants aangevoerd zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid daarvan.
4.7.
Op grond van voorgaande overwegingen heeft het er weliswaar alle schijn van dat het aangeboden laswerk moet worden aangemerkt als passende arbeid voor [werknemer] , maar een oordeel daarover, kan de kantonrechter echter niet geven. [werkgever] heeft namelijk gelijk met haar verweer dat de loonvordering van [werknemer] hoe dan ook afgewezen moet worden op grond van art. 7:629a lid 1 BW. Daarin is namelijk bepaald dat de rechter een vordering tot betaling van het loon tijdens ziekte afwijst indien bij de eis niet een verklaring is gevoegd van een deskundige, benoemd door het UWV omtrent de verhindering van de werknemer om de bedongen of andere passende arbeid te verrichten. [werknemer] heeft een dergelijke verklaring niet overgelegd. Hij stelt in dat verband dat het overleggen van die verklaring in redelijkheid niet van hem kan worden verlangd. De argumenten die hij daarvoor aanvoert overtuigen echter niet. Zo stelt hij dat zijn dienstverband is beëindigd en op hem geen re-integratieverplichtingen meer rusten, waarmee volgens hem het nut en de functie aan een deskundigenoordeel is komen te ontvallen, namelijk zonder rechterlijke tussenkomst een oplossing bieden voor een conflict. Naar het oordeel van de kantonrechter valt niet in te zien waarom op grond hiervan van [werknemer] in redelijkheid niet verlangd kan worden een deskundigenoordeel van het UWV over te leggen. Het deskundigenbericht in deze vorm is juist bedoeld om in te brengen in een gerechtelijke procedure. Verder stelt [werknemer] tevergeefs dat een deskundigenbericht niet zou bijdragen aan de oplossing van het geschil en dat een minnelijke oplossing via het UWV niet meer in de rede lag. [werknemer] gaat hierbij kennelijk er vanuit dat het UWV via het deskundigenbericht een bijdrage levert aan het oplossen van het geschil. Het doel van het deskundigenbericht is echter niet meer dan een (onafhankelijk) oordeel over de vraag of [werknemer] met het laswerk passende arbeid aangeboden is. Niet valt in te zien waarom [werknemer] die vraag niet aan het UWV voorgelegd heeft. De discussie over de functie-inhoud kan hem op dit punt evenmin baten, want zoals hiervoor als is geoordeeld was het laswerk onderdeel van zijn functie.
4.8.
Uit voorgaande overwegingen volgt dat het door [werknemer] gevorderde loon over de periode 15 november 2023 tot en met 4 december 2024 (althans tot en met 28 februari 2024) moet worden afgewezen op grond van art. 7:629a lid 1 BW.
de vakantietoeslag over de periode van 1 juni 2023 tot en met 4 december 2024, althans tot en met 28 februari 2024
4.9.
Omdat [werknemer] geen recht heeft op loon over de periode 15 november 2023 tot en met 4 december 2024, heeft hij evenmin recht op betaling van vakantiebijslag over die periode. Hij heeft in die periode immers geen vakantiebijslag opgebouwd. Dit deel van zijn vordering zal dus worden afgewezen.
4.10.
[werknemer] vordert ook betaling van vakantiebijslag over de periode van 1 juni 2023 tot 15 november 2023. Hij stelt echter niet dat [werkgever] hem over die periode geen vakantiebijslag heeft betaald. Ook anderszins heeft hij over dit deel van zijn vordering niets gesteld. [werknemer] heeft op dit punt dan ook niet voldaan aan zijn stelplicht. Daarom zal ook dit deel van zijn vordering afgewezen worden.
€ 7.297,05 bruto wegens 306,47 vakantie-uren
4.11.
Vaststaat dat [werkgever] aan [werknemer] bij de eindafrekening € 8.304,08 bruto heeft uitbetaald wegens 322,93 opgebouwde en niet-genoten vakantie-uren.
4.12.
[werknemer] voert aan dat de volgende vakantie-uren niet door hem waren opgenomen:
2022: 213,20 uur
2023: 216,00 uur
2024:
200,20 uur
Totaal: 629,40 uur.
Hij stelt daarom nog recht te hebben op uitbetaling van 306,47 vakantie-uren (629,40 – 322,93.
4.13.
[werkgever] betwist niet dat [werknemer] in de jaren 2022 tot en met 2024 in totaal 629,40 van de door hem opgebouwde vakantie-uren niet opgenomen heeft. Hieruit volgt dat die stelling van [werknemer] voor juist gehouden moet worden.
4.14.
[werkgever] stelt wel dat ieder jaar op 30 juni de in het vorig jaar niet genoten wettelijke vakantiedagen vervallen. [werkgever] doet hiermee kennelijk een beroep op art. 7:640a BW. Krachtens die bepaling vervallen inderdaad de vakantiedagen na zes maanden na afloop van het kalenderjaar waarin die dagen zij opgebouwd. Dat wil echter nog niet zeggen dat het verweer van [werkgever] op dit punt slaagt. Inmiddels is immers in navolging van jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie (zie onder meer HvJ EU 6 november 2018, C-684/16 (
Max Planck/Shimizu) het in Nederland vaste jurisprudentie dat de aanspraak op vakantiedagen niet kan vervallen als de werkgever de werknemer niet tijdig heeft geïnformeerd over de gevolgen van het niet tijdig opnemen van nog openstaande vakantiedagen. [werknemer] stelt dat [werkgever] hem daarover niet heeft geïnformeerd. [werkgever] heeft daar echter tegen aangevoerd dat [werknemer] wel degelijk via het voor hem toegankelijke STEP-systeem kon zien dat en wanneer vakantie-uren zouden vervallen. [werknemer] heeft daar niet meer op gereageerd en daarom gaat de kantonrechter ervan uit dat [werkgever] op dit punt heeft voldaan aan haar plicht om [werknemer] te informeren. Het beroep van [werkgever] op de vervaltermijn van zes maanden slaagt dus. Hieruit volgt dat [werknemer] geen aanspraak (meer) kan maken op uitbetaling van de niet-opgenomen vakantiedagen in 2022 en 2023.
4.15.
De voorgaande overweging gaat echter niet op voor de 40 vakantie-uren die [werkgever] in 2022 heeft afgeschreven en evenmin voor de 96 vakantie-uren die [werkgever] in 2023 heeft afgeschreven. [werknemer] voert ten aanzien van deze vakantie-uren namelijk terecht aan dat deze niet afgeschreven mochten worden. Uit art. 7:638 lid 8 BW Pro volgt immers dat dagen tijdens een vastgestelde vakantie niet als vakantie gelden in geval van ziekte van een werknemer, tenzij de werknemer daarmee instemt. De HR heeft hierover bepaald dat daaraan pas is voldaan als de werknemer uitdrukkelijk en gericht instemt (zie ECLI:NL:HR:2023:1603). Van een uitdrukkelijke en gerichte instemming door [werknemer] is in deze zaak geen sprake. [werkgever] heeft verder nog tevergeefs een beroep gedaan op de toepasselijke cao. Weliswaar kunnen partijen bij schriftelijke overeenkomst (en dus ook bij cao) afwijken van de regel dat vakantie-uren alleen met instemming van de werknemer mogen worden afgeschreven, maar die afwijking is alleen toegestaan voor zover het gaat om bovenwettelijke vakantie-uren (zie tweede volzin van art. 7:638 lid 8 BW Pro). Gesteld noch gebleken is dat de door [werkgever] afgeschreven uren de bovenwettelijke uren waren. [werkgever] heeft dus over 2022 ten onrechte 40 uur en over 223 ten onrechte 96 uur afgeschreven. De aanspraak van [werknemer] op betaling van deze uren is niet komen te vervallen aangezien [werkgever] hem onjuist heeft geïnformeerd dat zij die uren mocht afschrijven.
4.16.
Uit voorgaande overwegingen volgt dat [werknemer] recht had op de volgende vakantie-uren:
2022: 40,00 uur
2023: 96,00 uur
2024:
200,20 uur
Totaal 336,20 uur
4.17.
Omdat [werkgever] aan [werknemer] bij de eindafrekening 322,93 uur betaald heeft, heeft [werknemer] dus nog recht op uitbetaling van 13,27 uur (336,20 -322,93). [werknemer] stelt dat bij de berekening van de uitbetaling van de vakantie-uren moet worden uitgegaan van een bruto-uurloon van € 23,81. Omdat [werkgever] daar geen verweer tegen gevoerd heeft, zal de kantonrechter van dat uurloon uitgaan. Hieruit volgt dat [werkgever] zal worden veroordeeld tot betaling aan [werknemer] van € 315,96 bruto (13,27 x € 23,81).
€ 571,44 bruto wegens 24 ADV-uren
4.18.
[werknemer] stelt dat hij nog recht heeft op uitbetaling van 24 ADV-uren. Deze uren zijn volgens hem ten onrechte afgeboekt door [werkgever] .
4.19.
[werkgever] heeft daartegen aangevoerd dat uit het document “informatie over vakantie, ADV, duurzame inzetbaarheidsdag en kort verzuim; regeling 2024” blijkt dat ADV-uren vervallen bij ziekte. Volgens haar kan [werknemer] daarom geen aanspraak meer maken op uitbetaling van ADV-uren.
4.20.
[werknemer] heeft niet gereageerd op het verweer van [werkgever] . Aangezien [werkgever] de vordering van [werknemer] gemotiveerd betwist heeft en [werknemer] in reactie daarop geen verdere onderbouwing heeft gegeven waaruit zou kunnen blijken dat hij recht heeft op betaling van 24 ADV-uren, zal dit deel van de vordering van [werknemer] afgewezen worden.
€ 411,44 bruto wegens onterecht ingehouden verlof van 16 uur
4.21.
[werkgever] heeft bij de eindafrekening € 411,44 ingehouden onder de vermelding: onbetaald verlof. Volgens [werknemer] is deze inhouding niet terecht.
4.22.
Volgens [werkgever] is het bedrag van € 411,44 bruto terecht ingehouden omdat [werknemer] vanaf 7 oktober 2024 twee dagen zonder bericht niet op het werk verschenen is. [werkgever] doet hiermee kennelijk een beroep op art. 7:628 lid 1 BW Pro waarin staat dat de werkgever niet verplicht is het loon te betalen als het niet verrichten van de overeengekomen arbeid in redelijkheid voor rekening van de werknemer dient te komen. Aangezien van de zijde van [werknemer] hier niets tegen ingebracht is, slaagt dat verweer.
4.23.
Ook dit onderdeel van [werknemer] ’ vordering zal dus worden afgewezen.
€ 2.072,65 bruto onterechte inhouding
4.24.
Op de eindafrekening is een bedrag van € 2.072,65 bruto ingehouden door [werkgever] .
Anders dan [werknemer] betoogt, moet het ervoor gehouden worden dat die inhouding wel degelijk terecht was. Vast staat immers dat [werkgever] met ingang van 15 november 2023 terecht is gestopt met het betalen van loon omdat [werknemer] weigerde laswerkzaamheden te verrichten. Die situatie was onveranderd in december 2023. Desondanks heeft [werkgever] in die maand loon aan [werknemer] betaald. Het verweer van [werkgever] dat in de maand december 2023 het loon onverschuldigd loon is betaald aan [werknemer] , slaagt dus. [werkgever] heeft ter onderbouwing van het in verband met die onverschuldigde betaling ingehouden bedrag een grootboekrekening en zeven loonspecificaties overgelegd. Tegen deze onderbouwing heeft [werknemer] niets aangevoerd, zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid van het ingehouden bedrag.
4.25.
Ook de vordering van [werknemer] om [werkgever] te veroordelen tot betaling van € 2.072,65 bruto zal dus worden afgewezen.
de bonus van € 250,00 bruto
4.26.
[werknemer] vordert betaling van een bonus van € 250,00 bruto. Hij doet daarvoor een beroep op de artikelen 1.3 en 3.1 van de Regeling [werkgever] Prestatieplan (SPP; Hoofdstuk 2 van het Regelingenboek).
4.27.
[werkgever] stelt dat [werknemer] geen recht heeft op deze bonus omdat [werknemer] niet werkte. Volgens [werkgever] is een voorwaarde voor betaling van de bonus, dat de medewerker werkt. Zij verwijst daartoe naar artikel 1.3 van het SPP. De kantonrechter verwerpt dit verweer. Anders dan [werkgever] stelt, staat in artikel 1.3 van het SSP namelijk niet als voorwaarde dat de werknemer werkt. Dit artikel bepaalt zelfs expliciet dat een werknemer van wie de arbeidsovereenkomst als gevolg van twee jaar arbeidsongeschiktheid is geëindigd, aanspraak heeft op de bonus. Van die situatie is hier sprake.
4.28.
Dit onderdeel van de vordering van [werknemer] is dus toewijsbaar. [werkgever] zal worden veroordeeld tot betaling van € 250,00 bruto bonus aan [werknemer] .
de bonus van € 442,48 bruto
4.29.
[werknemer] vordert betaling van een bonus van € 442,48 bruto op grond van de artikelen 1.3 en 3.2 van het SPP. Hij stelt op grond van deze bepalingen recht te hebben op een bonus van 0,93% van zijn vaste bruto jaarloon. Dit deel van zijn vordering zal gelet op het verweer van [werkgever] worden afgewezen.
4.30.
[werkgever] heeft namelijk aangevoerd dat aan [werknemer] de bonus van 0,93% (via een verrekening) is betaald over het loon dat [werknemer] in 2024 verdiend heeft. [werkgever] stelt dat [werknemer] in 2024 recht had op een brutoloon van € 366,40, zodat de (verrekende) bonus € 3,41 bedraagt. Omdat [werknemer] niet heeft gereageerd op dit verweer, gaat de kantonrechter uit van de juistheid daarvan. [werkgever] heeft dus aan [werknemer] een bonus van € 3,41 betaald en [werknemer] heeft niet aan kunnen tonen dat hij recht heeft op een hoger bedrag aan bonus. Hieruit volgt dat zijn vordering zal worden afgewezen.
de wettelijke verhoging
4.31.
[werkgever] zal worden veroordeeld tot betaling van de wettelijke verhoging van 50% over € 315,96 bruto en € 250,00 bruto. Die loonbedragen, waar [werknemer] recht op heeft, heeft zij immers tot op heden niet aan [werknemer] betaald. Daarmee staat vast dat deze bedragen niet tijdig zijn betaald, zodat [werknemer] recht heeft op de maximale wettelijke verhoging zoals bepaald in art. 7:625 lid 1 BW Pro.
de wettelijke rente over de som van de hiervoor genoemde bedragen
4.32.
De wettelijke rente over € 315,69 bruto, € 250,00 bruto en de wettelijke verhoging, zal worden toegewezen vanaf de respectieve verzuimdata tot de dag van betaling.
buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente
4.33.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is alleen vast komen te staan dat [werkgever] aan [werknemer] nog betaling verschuldigd is van de bonus van € 250,00, de vakantie-uren van € 315,69, de wettelijke verhoging over deze bedragen en de wettelijke rente over een en ander. Hieruit volgt dat [werknemer] alleen met succes aanspraak kan maken op een vergoeding van buitengerechtelijke kosten als hij incassopogingen heeft ondernomen om [werkgever] ook tot betaling van die toewijsbare onderdelen van zijn vordering te bewegen. Van dergelijke pogingen is echter niet gebleken. De aanmaningsbrieven die hij in dit geding heeft overgelegd zien immers op andere onderdelen van zijn vordering die niet toegewezen worden. Daarom zal de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten afgewezen worden.
de proceskosten
4.34.
[werkgever] is (deels) in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Hieruit volgt dat het betoog van [werkgever] , inhoudende dat [werknemer] in de reële proceskosten veroordeeld moet worden, niet slaagt. Van de door [werkgever] gestelde evidente gegrondheid van [werknemer] ’ vordering is immers geen sprake.
4.35.
De proceskosten van [werknemer] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
149,02
- griffierecht
732,00
- salaris gemachtigde
288,00
(2 punten × € 144,00)
- nakosten
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.241,02
4.36.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] € 250,00 bruto te betalen, te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging van 50%,
5.2.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] € 315,69 bruto te betalen, te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging van 50%,
5.3.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] de wettelijke rente over de onderdelen 5.1. en 5.2. te betalen vanaf de respectieve data van verzuim, tot de dag van betaling,
5.4.
veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 1.241,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
veroordeelt [werkgever] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.