Uitspraak
1.De procedure
- de conclusie van antwoord
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
2.De feiten
[persoon 1] en met [persoon 2] (Business Partner HR). [persoon 2] heeft vervolgens in een brief van dezelfde datum aan [werknemer] (onder meer) het volgende medegedeeld:
- [werknemer] op dat moment niet geschikt is voor het eigen werk van Lasser D bij [werkgever] in de volle omvang.
- [werknemer] in staat is om een start te maken in het kader van de re-integratie
- Het eigen werk in de volle omvang op dat moment niet passend is te maken aan de huidige beperkingen door voorzieningen of aanpassingen
- [werknemer] niet geschikt is voor ander werk bij [werkgever]
- [werknemer] geschikt is voor passend werk op de arbeidsmarkt.
- een inhouding van € 411,44 bruto onder de vermelding: uren onbetaald verlof -16;
- een uit te betalen bedrag van € 8.304,08 bruto van 322,93 vakantie-uren;
- een inhouding van € 2.072,65 bruto onder de vermelding: vordering;
- een uit te betalen bedrag van € 638,35 bruto van 26,81 ADV-uren.
3.Het geschil
- het loon van 15 november 2023 tot en met 4 december 2024, althans tot en met 28 februari 2024;
- de vakantietoeslag over de periode van 1 juni 2023 tot en met 4 december 2024, althans tot en met 28 februari 2024;
- € 7.297,05 bruto van 306,47 vakantie-uren;
- € 571,44 bruto van 24 ADV-uren;
- € 411,44 bruto onterecht ingehouden verlof van 16 uur;
- € 2.072,65 bruto onterechte inhouding,
- twee bonussen van respectievelijk € 250,00 bruto en € 442,48 bruto;
- de wettelijke verhoging over de hiervoor genoemde bedragen;
- de wettelijke rente over de som van de hiervoor genoemde bedragen;
- € 1.499,32 buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente
- de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente
- de nakosten.
4.De beoordeling
15 november 2023 geen loon meer betaald heeft aan [werknemer] . Ook nadien heeft [werkgever] geen loon meer aan [werknemer] betaald (met uitzondering van de eindafrekening). De vordering van [werknemer] om [werkgever] te veroordelen om aan hem alsnog het loon met ingang van 15 november 2023 te betalen, zal worden afgewezen. De kantonrechter legt hierna uit waarom deze vordering van [werknemer] zal worden afgewezen.
200,20 uur
Max Planck/Shimizu) het in Nederland vaste jurisprudentie dat de aanspraak op vakantiedagen niet kan vervallen als de werkgever de werknemer niet tijdig heeft geïnformeerd over de gevolgen van het niet tijdig opnemen van nog openstaande vakantiedagen. [werknemer] stelt dat [werkgever] hem daarover niet heeft geïnformeerd. [werkgever] heeft daar echter tegen aangevoerd dat [werknemer] wel degelijk via het voor hem toegankelijke STEP-systeem kon zien dat en wanneer vakantie-uren zouden vervallen. [werknemer] heeft daar niet meer op gereageerd en daarom gaat de kantonrechter ervan uit dat [werkgever] op dit punt heeft voldaan aan haar plicht om [werknemer] te informeren. Het beroep van [werkgever] op de vervaltermijn van zes maanden slaagt dus. Hieruit volgt dat [werknemer] geen aanspraak (meer) kan maken op uitbetaling van de niet-opgenomen vakantiedagen in 2022 en 2023.
200,20 uur