ECLI:NL:RBLIM:2026:3486

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
13 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
ROE 23/3671
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.R.N. Crombaghs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:22 Bouwbesluit 2012Art. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 8:57 AwbArt. 5:1 AwbArt. 5:4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing handhavingsverzoek wegens onvoldoende bewijs overmatige hinder houtrook

Eiser diende een handhavingsverzoek in tegen het stookgedrag van een derde-partij vanwege ervaren overlast van houtrook. Het college wees dit verzoek af na uitgebreid toezicht en controles, waarbij geen overmatige hinder werd vastgesteld. Eiser voerde aan dat de controles niet representatief waren en overhandigde eigen fijnstofmetingen en foto’s ter onderbouwing.

De rechtbank beoordeelde dat het college zorgvuldig onderzoek had verricht, waaronder 56 controles en een buurtonderzoek, en dat de door eiser overgelegde gegevens onvoldoende waren om het oordeel van het college te weerleggen. Er bestaat geen wettelijke norm voor fijnstof in deze context en de WHO-norm is niet bindend voor het college. Ook medische onderbouwing van gezondheidsklachten ontbrak.

De rechtbank concludeerde dat het college terecht geen overtreding van artikel 7.22 Bouwbesluit 2012 had vastgesteld en het handhavingsverzoek mocht afwijzen. Daarnaast werd de Staat veroordeeld tot betaling van €1.000,- schadevergoeding aan de derde-partij wegens overschrijding van de redelijke termijn in de procedure. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het college mocht het handhavingsverzoek afwijzen wegens onvoldoende bewijs van overmatige hinder.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 23/3671

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert

(gemachtigde: S. Chalh).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam derde-partij] uit [woonplaats] (derde-partij).
(gemachtigde: mr. M.R.A. Arntz)

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het handhavingsverzoek van eiser gericht tegen de overlast die hij ervaart van het stookgedrag van de derde-partij. Eiser stelt zich op het standpunt dat sprake is van overmatige hinder. Het college heeft dit handhavingsverzoek afgewezen omdat het college vindt dat geen sprake is van een overtreding. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat geen sprake is van overmatige hinder en daarmee geen sprake is van een overtreding. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 25 januari 2022 een handhavingsverzoek ingediend bij het college. Het college heeft deze aanvraag op 13 april 2023 afgewezen.
2.1.
Eiser heeft tegen deze afwijzing bezwaar gemaakt. Het college is met zijn beslissing op bezwaar van 1 november 2023 (het bestreden besluit) bij de afwijzing van het handhavingsverzoek gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 26 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college. De derde-partij heeft abusievelijk geen uitnodiging tot deelname aan het onderzoek ter zitting ontvangen en was om die reden niet aanwezig.
2.4.
De rechtbank heeft het onderzoek op 2 december 2025 heropend om de derde-partij in de gelegenheid te stellen om of schriftelijk te reageren op hetgeen ter zitting is verhandeld of om de zaak opnieuw op zitting te brengen. De derde-partij heeft ervoor gekozen om schriftelijk te reageren.
2.5.
Op 31 december 2025 heeft de derde-partij een aanvullend stuk ingediend. Het college heeft hierop gereageerd op 9 februari 2026. Eiser heeft hierop gereageerd op
6 februari 2026.
2.6.
Partijen hebben desgevraagd niet aangegeven de zaak opnieuw op zitting te willen behandelen. De rechtbank heeft vervolgens op 11 maart 2026 het onderzoek gesloten en doet uitspraak zonder nadere zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat de zaak over?
3. Eiser heeft een handhavingsverzoek ingediend bij het college, gericht tegen de overlast die hij ervaart van het stookgedrag van de derde-partij. Naar aanleiding van dit verzoek heeft een toezichthouder van het college in de periode van 19 april 2022 tot en met 10 februari 2023 meerdere controles uitgevoerd. Daarnaast vond op 22 maart 2023 een onaangekondigd buurtonderzoek plaats en heeft de toezichthouder een controle uitgevoerd bij de derde-partij thuis. De waarnemingen van deze controles heeft de toezichthouder in een rapport opgenomen. De toezichthouder heeft geen overlast als gevolg van rookafvoer waargenomen tijdens de uitgevoerde controles. Omdat tijdens de controles geen overlast is waargenomen, is er volgens het college geen sprake van een overtreding waartegen gehandhaafd dient te worden. Nu er geen overtreding is geconstateerd, ontbreekt voor het college de grondslag om te handhaven tegen het stookgedrag van de derde-partij. Om die reden heeft het college het handhavingsverzoek van eiser afgewezen.
Beroepsgronden eiser
4. Eiser voert aan dat de door het college uitgevoerde controles naar rookoverlast niet representatief zijn geweest. Hij stelt dat tijdens deze controles geen onderzoek is gedaan naar de uitstoot van fijnstof, dat uitsluitend tijdens de kantooruren is gecontroleerd en dat de controles voorafgaand zijn aangekondigd. Volgens eiser kon de derde-partij hierdoor het stookgedrag aanpassen aan de aangekondigde controles. Daarnaast stelt eiser dat uit zijn eigen onderzoek blijkt dat sprake is van overmatige hinder. Hij heeft zelf fijnstofmetingen uitgevoerd en daarbij de WHO [2] -norm als maatstaf gehanteerd. Volgens eiser laten de resultaten van de fijnstofmetingen zien dat de fijnstofconcentraties structureel boven de WHO-norm uitkomen, hetgeen duidt op overmatige hinder. Ter verdere onderbouwing heeft eiser foto’s van de rokende schoorsteen van de derde-partij overgelegd en een logboek waarin eiser de frequentie van het stoken heeft bijgehouden. Ook voert eiser aan dat zijn partner gezondheidsproblemen ervaart van de uitstoot van de rook. Tot slot verzoekt eiser de rechtbank om aan de derde-partij beperkingen op te leggen, waaronder een verbod op stoken bij westenwind, mist, windstil of zonnig weer en in de nacht, alsmede het treffen van maatregelen met betrekking tot de hoogte van de schoorsteenpijp.
Toetsingskader
5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. In dit geval is het verzoek om handhaving ingediend op 25 januari 2023. Dat betekent dat het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing is.
6. De rechtbank stelt voorop dat beoordeeld dient te worden of het college gehouden was tot het nemen van handhavingsmaatregelen. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan het college slechts handhavend optreden indien sprake is van een overtreding van een wettelijk voorschrift [3] en indien uit dat voorschrift volgt dat het college bevoegd is om tegen die overtreding op te treden. [4] De rechtbank zal daarom eerst beoordelen of sprake is van een overtreding waarvoor het college bevoegd is handhavend op te treden.
7. De rechtbank oordeelt dat uit het handhavingsverzoek van eiser blijkt dat hij overlast ervaart vanwege houtrook in zijn omgeving. Er gelden geen concrete, algemeen geldende regels voor rook afkomstig uit houtkachels. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat het bevoegd gezag artikel 7.22 van het Bouwbesluit kan toepassen als naar zijn oordeel optreden tegen het gebruik van een bouwwerk, open erf of terrein vanwege gevaarzetting, dreigende aantasting van de volksgezondheid of overmatige hinder noodzakelijk is en meer specifieke bepalingen geen soelaas bieden. [5] Het college dient daarom de overlast die eiser ervaart te toetsen aan de restbepaling van artikel 7.22 van het Bouwbesluit.
8. Uit artikel 7.22 van het Bouwbesluit 2012 volgt niet wanneer moet worden gesproken van overmatige hinder. In de rechtspraak van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is herhaaldelijk overwogen dat er geen algemeen aanvaarde inzichten bestaan over de beantwoording van de vraag of, en zo ja, onder welke omstandigheden en bij welke frequentie, rook afkomstig van gebruik van een houtkachel schade aan de mens toebrengt in de zin van deze bepaling. [6] Het is aan het college om dit in een concrete situatie vast te stellen of sprake is van overmatige hinder.
Beoordeling door de rechtbank
Heeft het college zorgvuldig onderzoek gedaan?
9. Uit het procesdossier blijkt dat een toezichthouder van het college in totaal 56 controles heeft uitgevoerd. Van deze 56 controles is zeven keer vastgesteld dat de kachel daadwerkelijk in gebruik was. Tijdens deze controles zijn telkens het referentiepunt van de waarneming , de windrichting, alsmede aard en intensiteit van de rook en de geur vastgelegd. Ook zijn bij elke controle foto’s gemaakt. Uit deze objectieve waarnemingen heeft het college geconcludeerd dat geen sprake is van overmatige hinder door rook. Verder blijkt nergens uit het dat het college de controles op voorhand heeft aangekondigd of dat de derde-partij zijn stookgedrag heeft aangepast aan de controles. Dat de controles alleen tijdens kantooruren zijn uitgevoerd, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat deze controles alleen daarom niet representatief zijn. Daarnaast heeft het college een buurtonderzoek laten uitvoeren, waaruit evenmin naar voren is gekomen dat sprake is van overmatige hinder. Verder is bij een controle aan huis bij de derde-partij vastgesteld dat het gebruikte hout voldoende droog was voor een goede verbranding. De aard, inhoud en frequentie van de uitgevoerde controles geven naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om aan de zorgvuldigheid van het bestreden besluit te twijfelen. De gemeente mocht uit de controles concluderen dat geen overtreding van artikel 7.22 van het Bouwbesluit aanwezig was. De gronden die eiser heeft aangevoerd in het kader van de zorgvuldigheid van het onderzoek slagen dan ook niet.
Het onderzoek van eiser
9.1.
De rechtbank overweegt verder dat de door eiser overgelegde notities, foto’s en resultaten van fijnstofmetingen onvoldoende zijn om aan te nemen dat het college ten onrechte geen overmatige hinder heeft aangenomen. Uit de foto’s van eiser blijkt weliswaar dat er rook uit de schoorsteen komt, maar het enkele feit dat rook zichtbaar is, betekent niet dat daarmee ook sprake is van overmatige hinder. Ook de door eiser uitgevoerde fijnstofmetingen leiden niet tot het oordeel dat sprake zou moeten zijn van overmatige hinder. Er bestaat geen wettelijk vastgestelde norm waaraan de hoeveelheid fijnstof in deze context kan worden getoetst. De door eiser gehanteerde WHO-norm hoefde voor het college geen aanleiding te vormen voor de toepassing van artikel 7.22 Bouwbesluit 2012. Bovendien staat niet vast dat de gemeten fijnstof daadwerkelijk afkomstig is van de houtkachel van de derde-partij. Om die reden leidt het onderzoek dat eiser heeft verricht niet tot het oordeel dat het college niet had kunnen concluderen dat geen sprake was van overmatige hinder. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Gezondheid
9.2.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat er geen algemeen aanvaarde inzichten bestaan over beantwoording van de vraag of, en zo ja, onder welke omstandigheden en bij welke frequentie, rook afkomstig van gebruik van een houtkachel schade aan de mens toebrengt. [7] Het kan zijn dat de partner van eiser door haar gevoeligheid voor rook hinder ervaart van de rook van de houtkachel. Maar voor de toepassing van artikel 7:22 van Pro het Bouwbesluit wordt getoetst aan objectieve hinder en niet aan gevoeligheid die een individu heeft voor rook of een bepaalde rooksoort. Verder stelt de rechtbank vast dat eiser geen medische stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat zijn partner lijdt aan een medische aandoening, noch waaruit een causaal verband volgt tussen deze aandoening en de gestelde rookoverlast. Deze beroepsgrond slaagt niet.
10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college voldoende gemotiveerd waarom het college geen overtreding heeft kunnen vaststellen en heeft het college mogen besluiten dat geen sprake is van overmatige hinder. Het college heeft dan ook in redelijkheid van handhavend optreden mogen afzien.
De verzoeken van eiser
11. De rechtbank toets in deze procedure uitsluitend de rechtmatigheid van het bestreden besluit. De vraag die de rechtbank in deze procedure dient te beantwoorden is of sprake is van een overtreding waartegen het college handhavend dient op te treden. De verzoeken die eiser in beroep aan de rechtbank heeft gedaan, die zien op het beperken van het stookgedrag van de derde-partij en het aanpassen van de schoorsteenpijp, vallen buiten deze toetst en kunnen daarom niet door de rechtbank worden beoordeeld.
Overschrijden redelijke termijn
12. De derde-partij bij schrijven van 26 mei 2025 verzocht om een schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.
13. In procedures als deze mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar duren en de behandeling van het beroep bij de rechtbank ten hoogste anderhalf jaar. Doorgaans zal er geen sprake zijn van een overschrijding van de redelijke termijn, als de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk niet langer dan twee jaar hebben geduurd. In principe is een vergoeding van schade gepast van € 500,- per half jaar, waarmee de redelijke termijn is overschreden. Het totaal van de overschrijding wordt afgerond naar boven. De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift is ontvangen en loopt door tot de datum waarop de rechtbank uitspraak heeft gedaan.
14. De rechtbank stelt vast dat het college het bezwaarschrift van eiser van
17 mei 2023 heeft ontvangen op 23 mei 2023 en de rechtbank in april 2026 uitspraak doet. Dit is een periode van twee jaar en elf maanden. De overschrijding van de redelijke termijn met elf maanden, dient vervolgens naar boven te worden afgerond naar twaalf maanden. Dit zou uitkomen in een bedrag van € 1.000,- aan schadevergoeding. De gehele overschrijding is toe te rekenen aan de rechterlijke fase.
15. Rekening houdende daarmee zal de Staat der Nederlanden worden veroordeeld tot het betalen van het hele bedrag aan schadevergoeding.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college het handhavingsverzoek heeft mogen afwijzen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
16. In verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn bestaat aanleiding om de Staat te veroordelen tot het betalen van eens schadevergoeding aan de derde-partij.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van € 1.000,- aan schadevergoeding aan de derde-partij.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R.N. Crombaghs, rechter, in aanwezigheid van
K.H.H. van Leeuwen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op: 13 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 13 april 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie artikel 8:57, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Wereldgezondheidsorganisatie.
3.Zie artikel 5:1, eerste lid. van de Awb.
4.Zie artikel 5:4, eerste lid, van de Awb.
5.Zie op dit punt de vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld uitspraken van 2 november 2022 en 10 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3295.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3140.
7.Zie de uitspraken van de Afdeling van 2 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3137, van 16 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3005, en van 10 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3295.