Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:3498

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
ROE 22/2796
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 6 EVRMArt. 8:1 AwbArt. 8:7 AwbArt. 8:88 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank Limburg onbevoegd bij beroep tegen brief commissie bezwaarschriften en wijst schadevergoedingsverzoeken af

Eiser heeft beroep ingesteld tegen een brief van de commissie bezwaarschriften waarin werd meegedeeld dat geen advies zou worden uitgebracht over zijn bezwaar tegen de weigering van het college om een last onder dwangsom ambtshalve in te trekken. De rechtbank oordeelt dat deze brief geen besluit is waartegen beroep openstaat en verklaart zich daarom onbevoegd.

Eiser had tevens verzocht om schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen en overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank wijst deze verzoeken af omdat er geen sprake is van een onrechtmatig besluit of voorbereidingshandeling en omdat het beroep tegen een brief zonder rechtsgevolg is ingesteld.

De rechtbank behandelt ook een wrakingsverzoek dat ongegrond werd verklaard en wijst erop dat eiser het griffierecht terugkrijgt maar geen proceskostenvergoeding ontvangt. De rechtbank gaat niet in op aanvullende verzoeken die geen grondslag in de Awb hebben.

De uitspraak benadrukt dat de rechtbank Limburg bevoegd is voor besluiten van het college van Bergen (L.), maar niet voor brieven zonder besluitkarakter. Eiser kan zich voor schadevergoeding tot de burgerlijke rechter wenden. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De rechtbank Limburg verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep tegen de brief van de commissie bezwaarschriften en wijst de verzoeken om schadevergoeding af.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 22/2796

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen (L.)

(gemachtigde: S.N.J. Kerkhoff).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over eisers verzoek aan het college om een aan zijn partner opgelegde last onder dwangsom ambtshalve in te trekken.
1.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat zij niet bevoegd is kennis te nemen van eisers beroep. Eiser heeft namelijk beroep ingesteld tegen een brief van de commissie bezwaarschriften. Deze brief is geen besluit waartegen beroep open staat. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeelt heeft.

Procesverloop

2. Op 12 juni 2022 heeft het college eisers partner een last onder dwangsom opgelegd. Eisers partner heeft daartegen bezwaar gemaakt. Na afloop van de hoorzitting in bezwaar heeft eiser het college op 12 september 2022 verzocht de last onder dwangsom ambtshalve in te trekken.
2.1.
Op 13 september 2022 heeft het college eiser laten weten dat het de last niet ambtshalve zal intrekken. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt. De commissie bezwaarschriften heeft in een brief van 15 november 22 laten weten over dat bezwaar geen apart advies uit te brengen omdat het al een advies moest geven over het bezwaar tegen de last onder dwangsom.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de brief van de commissie bezwaarschriften. Eiser heeft dat beroep later aangevuld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 14 augustus 2025 gelijktijdig behandeld met het beroep met zaaknummer ROE 22/2797. Eiser heeft bij aanvang van de zitting een wrakingsverzoek ingediend, waarna het onderzoek ter zitting is geschorst. Dit wrakingsverzoek is op 4 september 2025 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting op 4 maart 2026 (gevoegd met zaak ROE 22/2797) voortgezet. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college.
2.4.
Na zitting heeft de rechtbank de zaken gesplitst. De rechtbank doet in beide zaken apart uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

Standpunt van eiser
3. Voor zover hier van belang stelt eiser zich op het standpunt dat de rechtbank in deze zaak niet bevoegd is. Wanneer beroep wordt ingesteld tegen een besluit is de rechtbank bevoegd in het rechtsgebied waar eiser woont. Dat is in dit geval de rechtbank Gelderland omdat eiser in [woonplaats] woont.
3.1.
Eiser heeft verder diverse inhoudelijke gronden aangevoerd tegen de aan zijn partner opgelegde last onder dwangsom. Daarnaast heeft hij verzocht om compensatie voor hemzelf en voor zijn schoonzoon. Eiser stelt dat de compensatie gelijk moet zijn aan het sanctiebedrag vermenigvuldigd met het aantal dagen vanaf 11 oktober 1909, de dag waarop het nationale recht op dit punt had moeten overeenstemmen met het Europese recht maar dat volgens eiser niet doet.
3.2.
Tot slot heeft eiser verzocht om toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Bevoegdheid
4. De rechtbank is van oordeel dat zij niet bevoegd is, maar om een andere reden dan door eiser naar voren is gebracht. De rechtbank Limburg is in beginsel onafhankelijk van de woonplaats van eiser bevoegd om kennis te nemen van beroepen tegen besluiten van bestuursorganen van de gemeente Bergen (L). [1] De brief van 15 november 2022 van de commissie bezwaarschriften is echter geen besluit zoals bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De brief is namelijk niet gericht op een publiekrechtelijk rechtsgevolg. In de brief staat geen besluit op eisers bezwaar tegen de weigering de last onder dwangsom ambtshalve in te trekken. De commissie bezwaarschriften informeert eiser in de brief er alleen over dat de commissie niet nog een keer advies zal uitbrengen omdat zij al advies uitbrengt over het bezwaar tegen de last onder dwangsom zelf. Omdat de brief geen besluit is staat daartegen geen beroep bij de bestuursrechter open. [2] De rechtbank is daarom onbevoegd om van het beroep kennis te nemen.
5. De rechtbank ziet geen aanleiding om het beroepschrift ter behandeling als bezwaar naar het college door te sturen. Tegen de brief van de commissie bezwaarschriften staat immers geen bezwaar open en tegen de weigering om de last onder dwangsom ambtshalve in te trekken heeft eiser al bezwaar gemaakt. Voor het doorsturen van eisers beroep naar het college als ingebrekestelling omdat het college volgens eiser nog niet op zijn bezwaar heeft beslist, ontbreekt een grondslag.
Verzoek om compensatie/schadevergoeding
6. Een belanghebbende kan de bestuursrechter op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb om een schadevergoeding verzoeken voor schade die hij heeft geleden naar aanleiding van een onrechtmatig besluit of onrechtmatige voorbereidingshandelingen.
7. De rechtbank begrijpt eisers vordering tot compensatie (ook) als een verzoek om schadevergoeding. De rechtbank is van oordeel dat geen van de gevallen in artikel 8:88 van Pro de Awb zich in dit geval voordoet en wijst het verzoek daarom af. Omdat de rechtbank onbevoegd is kennis te nemen van eisers beroep doet zij geen uitspraak over de rechtmatigheid van de weigering van het college om de last onder dwangsom ambtshalve in te trekken. Er is daarmee geen sprake van een onrechtmatig besluit of onrechtmatige voorbereidingshandeling als gevolg waarvan eiser schade heeft geleden. Daarnaast kan eiser op grond van artikel 8:88 van Pro de Awb geen schadevergoeding verzoeken voor zijn schoonzoon. Het moet gaan om schade die eiser zelf geleden heeft. De rechtbank – bestuursrechter – is niet bevoegd eiser op een andere grondslag de gevraagde compensatie toe te kennen. Eiser kan zich daarvoor tot de burgerlijk rechter wenden. [3]
Schadevergoeding vanwege schending van de redelijke termijn
8. Eiser heeft een vergoeding verzocht op grond van de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
9. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft eerder overwogen dat de redelijke termijn is overschreden als de procedure te lang duurt. In principe geldt voor de bezwaar- en beroepsfase samen een termijn van twee jaar. Een schadevergoeding wegens overschrijding van die redelijke termijn betreft een vergoeding van immateriële schade door spanning en frustratie door de lange duur van de procedure.
10. In het onderhavige geval heeft eiser een beroep ingesteld tegen een brief van de commissie bezwaarschriften terwijl tegen die brief geen rechtsmiddel openstaat. In dit geval was er ook redelijkerwijs geen twijfel mogelijk dat tegen deze brief geen beroep openstaat omdat eiser daarin slechts in kennis wordt gesteld dat de commissie bezwaarschriften geen nader advies zal uitbrengen. Eiser is er ook in het verweerschrift van januari 2023 al op gewezen dat de brief van de commissie bezwaarschriften geen besluit is waartegen bezwaar en beroep openstaat en is er op 17 november 2022 op gewezen dat wel beroep kon worden ingesteld tegen de beslissing op bezwaar ten aanzien van de last onder dwangsom die aan zijn partner is opgelegd. In dit geval is er naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding te veronderstellen dat de lange duur van de procedure spanning en frustratie bij eiser heeft veroorzaakt die voor vergoeding in aanmerking dient te komen. De rechtbank komt daarom niet toe aan de vraag of de redelijke termijn is overschreden en wijst eisers verzoek af. [4]
Overige verzoeken
11. Eiser heeft in beroep een aanvullende algemene motivering ingediend waar ook een aantal verzoeken in zijn opgenomen. Eiser verzoekt om de gevraagde voorzieningen toe te wijzen. Dit is in deze zaak al niet aan de orde omdat eiser in beroep niet om voorzieningen verzocht heeft. Eiser verzoekt verder antwoorden op prejudiciële vragen die een afwijzing van zijn verzoeken onderbouwen ter hand te stellen en bij weigering daarvan een procedure te starten om de afwijzende rechter uit zijn ambt te zetten. De Awb bevat echter geen grondslag voor een dergelijk verzoek en de rechtbank is niet bevoegd daarover te beslissen. De rechtbank zal daarom niet verder ingaan op deze verzoeken.

Conclusie en gevolgen

12. De rechtbank is onbevoegd kennis te nemen van het beroep. Zij mag de zaak dus niet inhoudelijk beoordelen.
13. Omdat de rechtbank niet bevoegd is kennis te nemen van het beroep krijgt eiser het griffierecht van de rechtbank terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
14. De verzoeken van eiser om schadevergoeding wijst de rechtbank af.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart zich onbevoegd.
  • wijst de verzoeken om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van
F.G.A. Claessen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 14 april 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:7, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 8:1 van Pro de Awb.
3.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 31 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2361, r.o. 2.2.
4.Vergelijk Hoge Raad 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1660, r.o. 2.3.