Werknemer trad in 2014 in dienst als commercieel directeur bij werkgever zonder toepasselijke cao. De arbeidsovereenkomst bevatte een discretionaire bonusregeling van maximaal 18% van het bruto jaarsalaris, uitbetaald in april volgend op het betreffende jaar. Over 2024 werd vanwege tegenvallende bedrijfsresultaten slechts 9% bonus toegekend. Werknemer was vanaf mei 2024 ziek en ontving in mei en juli 2025 betalingen die samen het volledige bonusbedrag inclusief rente dekken.
Werknemer vorderde na wijziging van eis alleen nog de wettelijke verhoging over de bonus, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. Werkgever betwistte de wettelijke verhoging en wilde dat partijen hun eigen kosten dragen. De kantonrechter oordeelde dat de bonus volledig was betaald, maar dat werknemer recht had op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van €1.084,35.
De wettelijke verhoging werd gematigd tot nihil vanwege de aard van de bonus en het feit dat werkgever de wettelijke rente reeds had betaald. Proceskosten werden gecompenseerd, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt. Het meer of anders gevorderde werd afgewezen.