ECLI:NL:RBLIM:2026:3810

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
C/03/341023 / HA ZA 25-167
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Koster-van der Linden
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:9 BWArt. 2:10 BWArt. 2:248 lid 2 BWArt. 2:394 BWArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurders niet aansprakelijk voor faillissementstekort wegens ontzenuwing vermoeden onbehoorlijke taakvervulling

De curator vorderde hoofdelijk aansprakelijkheid van de bestuurders van [eiseres] B.V. voor het tekort in het faillissement, stellende dat zij hun administratieplicht en publicatieplicht hadden geschonden en onrechtmatig hadden gehandeld volgens de Beklamel-norm en Peeters/Gatzen jurisprudentie.

De rechtbank oordeelde dat hoewel de bestuurders de boekhouding niet op orde hadden en daarmee onbehoorlijk hadden gehandeld, zij het vermoeden dat dit de oorzaak van het faillissement was, hadden ontzenuwd door aannemelijk te maken dat externe marktomstandigheden en stijgende kosten het faillissement veroorzaakten.

De curator had onvoldoende concreet gesteld welke handelingen of nalatigheden de bestuurders persoonlijk verwijtbaar waren en onvoldoende onderbouwd dat het bedrijf uitzichtloos was. Ook de aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad werd verworpen wegens gebrek aan voldoende stellingen.

De rechtbank wees de vorderingen af en bepaalde dat iedere partij haar eigen proceskosten draagt, mede omdat de bestuurders pas laat alle administratie aanleverden. Het vonnis werd gewezen door mr. Koster-van der Linden op 29 april 2026.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van de curator af omdat de bestuurders het vermoeden van onbehoorlijke taakvervulling hebben ontzenuwd en onvoldoende aansprakelijkheid is gesteld.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/341023 / HA ZA 25-167
Vonnis van 29 april 2026
in de zaak van
[curator] QQ,
in hoedanigheid van curator in het faillissement van [eiseres] B.V.,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de curator,
advocaat: mr. E.E.V. Sweebe,
tegen

1.[gedaagde 1] B.V.,

te [plaats 2] ,
advocaat: mr. B.M.M. Hepkema,
2.
[gedaagde 2] B.V.,
te [plaats 3] ,
advocaat: mr. P.P.M. Kerckhoffs,
3.
[gedaagde 3] B.V.,
te [plaats 4] ,
advocaat: mr. A.P.C. Houben,
4.
[gedaagde 4],
te [plaats 2] ,
advocaat: mr. B.M.M. Hepkema,
5.
[gedaagde 5],
te [plaats 3] ,
advocaat: mr. P.P.M. Kerckhoffs,
6.
[gedaagde 6],
te [plaats 5] ,
advocaat: mr. A.P.C. Houben,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: de bestuurders.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties
- de conclusie van antwoord met producties van gedaagden 1 en 4
- de conclusie van antwoord met producties van gedaagden 2 en 5
- de conclusie van antwoord met producties van gedaagden 3 en 6
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de akte overlegging aanvullende producties van de curator
- de mondelinge behandeling van 9 februari 2026 waarvan aantekeningen zijn gemaakt en waarbij door de curator spreekaantekeningen zijn overgelegd.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 28 oktober 2022 is door de gedaagden 1 tot en met 3 een besloten vennootschap opgericht [1] onder de naam [eiseres] B.V., gevestigd te [plaats 2] - [plaats 3] . Gedaagden 4 tot en met 6 zijn op hun beurt weer de respectievelijke bestuurders van de oprichtende vennootschappen en daarmee indirect bestuurders van [eiseres] .
2.2.
In de oprichtingsakte (tevens statuten) van [eiseres] staat op pagina 20 onder de kop 'Slotverklaringen’ onder 5 het volgende:
"Het eerste boekjaar van de vennootschap eindigt op eenendertig december tweeduizend drieëntwintig. ”
2.3.
[eiseres] B.V. hield zich bezig met goederenvervoer over de weg en het uitvoeren van verhuizingen.
2.4.
Op 3 juni 2024 is het faillissement van [eiseres] aangevraagd. Bij vonnis van 18 juni 2024 heeft de rechtbank [eiseres] failliet verklaard. De rechtbank heeft mr. Stegeman tot curator benoemd [2] .
2.5.
Op 20 juni 2024 heeft de curator een gesprek gehad met de bestuurders. Bij brief van 20 juni 2024 [3] heeft de curator aan de bestuurders bevestigd wat die dag is besproken. Onderdeel van de gemaakte afspraken is dat de bestuurders de administratieve gegevens op hun laptop op een stick downloaden en aan de curator ter beschikking stellen. Ook is besproken dat de bestuurders actuele en complete overzichten maken van de
crediteurenposities, alsook van de debiteurenposities en aan de curator ter
beschikking stellen.
2.6.
De bestuurders hebben vervolgens in de periode van 21 juni 2024 tot en met 1 juli 2024, al dan niet op (herhaald) verzoek van de curator een actueel crediteurenoverzicht verstrekt en nadere administratieve gegevens verstrekt, waaronder kolommenbalansen over 2022, 2023 en 2025.

3.Het geschil

3.1.
De curator vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. ieder van gedaagden hoofdelijk aansprakelijk te achten voor het tekort in het
faillissement;
II. ieder van gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan de curator
van een bedrag gelijk aan het uiteindelijke tekort in het faillissement;
III. ieder van gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan de curator
van een geldbedrag van €250.000,00, zijnde een voorschot op de betaling
hiervoor bedoeld onder II, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover
vanaf de 14e dag na betekening van het vonnis;
IV. ieder van gedaagden te veroordelen tot betaling aan de curator van een
vergoeding voor de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente
daarover vanaf de 14e dag na betekening van het vonnis.
3.2.
De bestuurders voeren verweer. De bestuurders concluderen tot niet-ontvankelijkheid van de curator, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de curator, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de curator in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
In deze procedure staat centraal de vraag of de bestuurders op grond van kennelijk onbehoorlijk bestuur aansprakelijk zijn voor het tekort in het faillissement van [eiseres] . De curator heeft de door hem gestelde aansprakelijkheid wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur gebaseerd op schending door de bestuurders van a) hun administratieplicht als bedoeld in artikel 2:10, b) de publicatieplicht als bedoeld in artikel 2:394 BW Pro en c) de zogenaamde Beklamel norm door namens [eiseres] verplichtingen aan te gaan waarvan zij wisten of konden weten dat [eiseres] die niet zou kunnen nakomen en ook geen verhaal zou bieden (6:162 BW).
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat gezien het door de bestuurders gevoerde verweer, door de curator onvoldoende is gesteld en onderbouwd om de conclusie te rechtvaardigen dat de bestuurders op één van deze gronden aansprakelijk zijn voor het faillissementstekort. Dit oordeel is gebaseerd op de volgende overwegingen.
De publicatieplicht (artikel 2:248 lid 2 in Pro samenhang met 2:394 BW)
4.3.
De curator verwijt de bestuurders dat zij niet hebben voldaan aan de verplichtingen zoals vastgelegd in artikel 2:394 BW Pro door de jaarrekening van 2022 noch die van 2023 op te maken, vast te stellen en te publiceren.
4.4.
De rechtbank volgt de curator niet in zijn stelling en is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de verplichtingen die voorvloeien uit artikel 2:394 BW Pro door de bestuurders niet zijn nageleefd.
4.5.
De rechtbank stelt voorop dat artikel 2:394 BW Pro geen verplichting bevat tot het opmaken en vaststellen van de jaarrekening, maar alleen ziet op het (tijdig) publiceren van de al dan niet vastgestelde jaarrekening. Dit betekent dat het enkele gegeven dat op het moment van failliet verklaring van [eiseres] (nog) geen jaarrekening was opgemaakt en/of vastgesteld nog niet automatisch tot gevolg heeft dat de publicatieplicht is geschonden.
4.6.
Lid 2 van artikel 2:394 BW Pro bevat regels voor de publicatie van een nog niet vastgestelde jaarrekening. Die publicatieplicht geldt voor jaarrekeningen die niet binnen twee maanden na afloop van de voor het opmaken voorgeschreven termijn zijn vastgesteld.
Op het moment van faillietverklaring was deze termijn nog niet verstreken zodat geen schending heeft plaatsgevonden van de publicatieplicht van een niet vastgestelde jaarrekening. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
4.7.
In artikel 2:210 BW Pro is bepaald dat de jaarrekening jaarlijks wordt opgesteld binnen vijf maanden na afloop van het boekjaar. Op grond van de oprichtingsakte (slotverklaring onder 5) eindigt het eerste boekjaar op 31 december 2023. Dit betekent dat de termijn voor het opstellen van de jaarrekening voor 2022 en 2023 eindigt op 31 mei 2024 (vijf maanden na einde boekjaar). Vervolgens loopt een termijn van twee maanden, dus tot 31 augustus 2024, waarna de niet vastgestelde jaarrekening moet worden gepubliceerd. Deze datum ligt echter ruim na de failliet verklaring op 20 juni 2024. Op het moment van faillietverklaring was de publicatieverplichting dus nog niet geschonden.
De administratie (artikel 2:248 lid 2 in Pro samenhang met 2:10 BW)
4.8.
Op grond van artikel 2:10 BW Pro moet het bestuur van een rechtspersoon (in dit geval van [eiseres] BV) zorgen voor een boekhouding waaruit steeds een goed beeld kan worden verkregen van de vermogenspositie van de onderneming. Op grond van vaste rechtspraak [4] moet de boekhouding kort gezegd steeds een voldoende inzicht geven in de schulden en vorderingen van de onderneming en ook welke middelen de onderneming heeft om aan haar (lopende en toekomstige) verplichtingen te voldoen. Het gaat erom dat het bestuur op verantwoordelijke wijze beslissingen kan nemen op basis van betrouwbare informatie over de financiële positie van de vennootschap en dat uit die informatie, ook voor een faillissementscurator, een eenduidig en getrouw beeld volgt van de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon [5] .
4.9.
De rechtbank stelt vast dat de bestuurders de curator niet op eerste verzoek alle administratie (boekhouding en onderliggende stukken) hebben verstrekt. Ook gedurende deze procedure hebben bestuurders nog administratieve bescheiden [6] overgelegd.
4.10.
Met de curator is de rechtbank van oordeel dat de door de bestuurders gevoerde boekhouding niet op orde is. De door de curator in de dagvaarding genoemde fouten in de boekhouding zijn door de bestuurders niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken. Zo is het in de boeken genoemde banktegoed van € 5.000,-- niet aangetroffen, is de post handelscrediteuren te laag, net als de in de kolommenbalans vermelde belastingschuld (omzetbelastingen en loonbelasting). Ook ontbreken diverse noodzakelijke onderliggende stukken bij bepaalde posten Hierdoor geeft de boekhouding geen betrouwbaar inzicht in de vermogenspositie van de vennootschap.
4.11.
De bestuurders hebben tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat [eiseres] de boekhouding zelf bijhield in een boekhoudprogramma en dat de boekhouder van [eiseres] alleen de loonadministratie deed. Het was volgens de bestuurders de bedoeling dat de boekhouder de jaarrekening te zijner tijd zou opstellen aan de hand van de gegevens die [eiseres] bijhield maar zo ver is het nooit gekomen.
4.12.
De onervarenheid van [eiseres] met het boekhouden en het voornemen om de jaarrekening van [eiseres] te laten verzorgen door een boekhouder neemt echter niet weg dat het bestuur de wettelijke plicht heeft om de boekhouding van de onderneming zodanig op orde te hebben dat hieruit steeds een voldoende inzicht wordt verkregen hoe het bedrijf er financieel voor staat. Dit was bij [eiseres] BV niet het geval.
4.13.
Het niet vervullen van de plicht uit artikel 2:10 BW Pro heeft tot gevolg dat sprake is van een onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur. In geval van faillissement zoals hier aan de orde, wordt dan vermoed dat de onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement [7] en zijn de bestuurders hoofdelijk aansprakelijk voor het faillissementstekort.
Volgens vaste rechtspraak [8] brengt een redelijke uitleg van artikel 2:248 lid 2 BW Pro mee dat voor het ontzenuwen van dit vermoeden volstaat dat de aangesproken bestuurder aannemelijk maakt dat andere feiten of omstandigheden dan zijn onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest.
4.14.
De rechtbank is van oordeel dat de bestuurders zijn geslaagd in het ontzenuwen van het vermoeden. Zij hebben onderbouwd gesteld dat het faillissement met name is veroorzaakt door externe factoren. Door overlegging van delen van het rapport van [bedrijf] “Kostenontwikkelingen in het wegvervoer” [9] en het rapport “Branches in Zicht” [10] hebben de bestuurders aannemelijk gemaakt dat bij het opstarten van het transportbedrijf eind 2022/begin 2023, de markt goede kansen leek te bieden, maar dat gaandeweg de marktomstandigheden juist verslechterden. De bestuurders hebben toegelicht dat zij bij opstarten nog weinig eigen klanten hadden en voor hun omzet afhankelijk waren van opdrachten van grote transportbedrijven waarmee vaste prijsafspraken waren gemaakt.
De marges van transportopdrachten kwamen echter al vrij snel onder druk te staan doordat de brandstofprijzen enorm sterk waren gestegen en de personeelskosten waren toegenomen door stijgende CAO-lonen en een tekort aan chauffeurs. Juist vanwege de contracten met vaste prijsafspraken was het voor [eiseres] niet mogelijk om deze gestegen kosten (volledig) door te berekenen. Doordat daarnaast onvoorziene reparatiekosten aan het rollend materieel optraden en facturen onbetaald bleven heeft het bedrijf het uiteindelijk niet gered ondanks pogingen om onbetaalde rekeningen te innen en afspraken te maken met de schuldeisers.
Onbehoorlijke taakvervulling / onrechtmatig handelen (artikel 2:9 BW Pro/ artikel 6:162 BW Pro)
4.15.
De curator verwijt de bestuurders dat zij roekeloos en onnadenkend hebben gehandeld en daarmee de crediteuren van [eiseres] hebben benadeeld. De bestuurders zijn volgens de curator jegens [eiseres] aansprakelijk op grond van onbehoorlijke taakvervulling als bestuurders en op grond van de zogenaamde Beklamel en Peeters/Gatzen jurisprudentie [11] tegenover de gezamenlijke schuldeisers op grond van onrechtmatige daad.
Omdat de curator voor beide grondslagen van aansprakelijkheid een beroep doet op dezelfde feiten en omstandigheden en de aansprakelijkheidsvormen elkaar (grotendeels) overlappen zal de rechtbank deze grondslagen gelijktijdig bespreken.
4.16.
De curator heeft, gelet op het door de bestuurders gevoerde verweer, onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld en onderbouwd om de conclusie te rechtvaardigen dat de bestuurders een (persoonlijk) ernstig verwijt kan worden gemaakt van het onverhaalbaar blijven van een aantal betalingsverplichtingen van [eiseres] .
De rechtbank zal dit oordeel bespreken aan de hand van de door de curator aan de bestuurders gemaakte verwijten.
4.17.
De rechtbank stelt voorop dat de curator heeft nagelaten om aan te geven welke concrete handelingen, of welk concreet nalaten te handelen aan de bestuurders wordt verweten als zijnde een onbehoorlijke taakvervulling. De curator heeft slechts in zijn algemeenheid gezegd dat de bestuurders te lang zijn doorgegaan met het aangaan van verplichtingen voor een niet levensvatbaar bedrijf. De bestuurders hadden volgens de curator veel eerder moeten stoppen met het bedrijf omdat het al van het begin van de exploitatie niet goed ging.
4.18.
De bestuurders hebben, zoals hiervoor bij onder overweging 4.14 ook is overwogen, aangevoerd dat zij de onderneming pas eind 2022 zijn gestart met de verwachting dat de transportsector weer zou gaan herstellen van de slechte omstandigheden in de corona-periode. Ze hebben daarvoor verwezen naar het eerder aangehaalde rapport Branches in zicht 2023. Ze hebben toegelicht dat eind 2022 eerst opdrachten zijn verworven en slechts incidenteel verhuizingen zijn verzorgd om vervolgens in het tweede kwartaal van 2023 pas met meer vrachtwagens voor goederenvervoer te gaan werken. De vrachtwagens waren via [gedaagde 3] geleased.
Uit de door de bestuurders overgelegde cijfers blijkt dat de omzet van [eiseres] pas in het tweede kwartaal van 2023 begon te stijgen. Daaruit blijkt ook dat met name door oplopende kosten door een sterk stijgende dieselprijs en gestegen loonkosten, het resultaat ernstig onder druk kwam te staan. De bestuurders hebben onweersproken gesteld dat zij vanwege de hogere kosten stappen hebben ondernomen om van de vaste opdrachtgevers een hogere prijs te krijgen voor de transporten maar dat dit niet is gelukt. Verder hebben de bestuurders afspraken gemaakt met schuldeisers waaronder de belastingdienst, zijn ze op zoek gegaan naar nieuwe opdrachtgevers en hebben ze gepoogd debiteuren te innen. Met [crediteur] BV is het niet gelukt om een betalingsregeling te treffen en deze crediteur heeft uiteindelijk het faillissement aangevraagd.
4.19.
De curator heeft tegen de achtergrond van de door de bestuurders geschetste omstandigheden onvoldoende gesteld en onderbouwd om te concluderen dat de situatie van het bedrijf van [eiseres] op enig moment zo uitzichtloos was dat geen kans bestond op het keren van het tij. Zodoende kan geen aansprakelijkheid worden vastgesteld op grond van artikel 2:9 BW Pro.
4.20.
De bestuurdersaansprakelijkheid voor zover de curator deze heeft gebaseerd op
de Beklamel en Peeters/Gatzen jurisprudentie kan evenmin leiden tot toewijzing van de gevorderde schadevergoeding. De Beklamel norm geeft individuele schuldeisers de mogelijkheid een bestuurder op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk te stellen voor het aangaan van schulden door de vennootschap, terwijl de bestuurder weet of behoort te weten dat de vennootschap die niet zal kunnen voldoen. Op grond van de Peeters/Gatzen jurisprudentie heeft de curator de mogelijkheid om voor de gezamenlijke schuldeisers schade te claimen op grond van onrechtmatig handelen door de bestuurders. Daarvoor is wel noodzakelijk dat de curator voldoende stelt en onderbouwt dat de bestuurders tegenover alle individuele schuldeisers onrechtmatig hebben gehandeld. Dit heeft de curator echter niet dan wel onvoldoende gedaan.
4.21.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat geen aansprakelijkheid van de bestuurders kan worden vastgesteld en de vordering van de curator niet toewijsbaar is.
Slotsom
4.22.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat geen aansprakelijkheid van de bestuurders voor het faillissementstekort kan worden vastgesteld zodat de vordering van de curator niet toewijsbaar is.
4.23.
Hoewel de curator in het ongelijk gesteld wordt, ziet de rechtbank wel aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De reden daarvoor is gelegen in de omstandigheid dat de bestuurders ondanks herhaalde verzoeken van de curator voorafgaand aan de procedure nog niet alle beschikbare administratie hadden overhandigd. Pas in deze procedure zijn nadere stukken aanleverd. Door zo laat informatie aan te leveren hebben de bestuurders de procedure op zich afgeroepen.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van de curator af,
5.2.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
Dit vonnis is gewezen door mr. Koster-van der Linden en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.

Voetnoten

1.Productie 1 bij de conclusie van antwoord van gedaagden 1 en 4
2.Productie 1 bij dagvaarding
3.Productie 2 bij dagvaarding
4.Zie onder andere HR 11 juni 1993,
5.Gerechtshof Leeuwarden 3 april 2012 ECLI:NL:GHLEE:2012:BW0725
6.Usb stick productie 11 bij conclusie van antwoord gedaagden 1 en 4
7.Artikel 2:248 lid 2 BW Pro
8.HR 20-10-2006, NJ 2007 / 2
9.Productie 7 zijdens gedaagden 1 en 4
10.Productie 6 zijdens gedaagden 2 en 5
11.HR 14 januari 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4521, rov. 3.3 en HR 16 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7797