Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:4311

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
ROE 26/741
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen sluiting woonboot wegens handel in harddrugs

De burgemeester van Maasgouw sloot op 25 maart 2026 de woonboot van verzoeker voor zes maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet vanwege de vondst van aanzienlijke hoeveelheden harddrugs, echt gelijkende vuurwapens en illegaal vuurwerk. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg een voorlopige voorziening, die door de voorzieningenrechter werd afgewezen.

De politie trof op 3 februari 2026 onder meer 400 gram ketamine, 350 gram amfetamine, XTC-tabletten, mephredone, diverse wapens en illegaal vuurwerk aan in de woonboot. Verzoeker stelde dat hij niet wist van de drugs en wapens en dat vrienden deze hadden meegenomen. De burgemeester mocht echter de woonboot sluiten omdat de situatie ernstig was en de woonboot deel uitmaakte van de drugshandelketen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de sluiting noodzakelijk en evenwichtig was. Hoewel de gevolgen voor verzoeker groot zijn, waaronder het verlies van de ligplaats door ontbinding van de huurovereenkomst, weegt dit niet zwaarder dan het belang van de sluiting. Verzoeker had toezicht moeten houden op wie in de woonboot verbleef. De sluiting is een herstelsanctie gericht op beëindiging van de overtreding en het voorkomen van herhaling.

De voorzieningenrechter concludeerde dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting en dat de maatregel passend was. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van de woonboot wordt afgewezen, waardoor de burgemeester de woonboot voor zes maanden mag sluiten.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 26/741

uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 mei 2026 in de zaak tussen

[naam] , uit Maasbracht, verzoeker

(gemachtigde: mr. G.G.J. Geerlings),
en

de burgemeester van de gemeente Maasgouw, de burgemeester

(gemachtigden: mr. W.M.N. Adam en M.H.M.M. Welman).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de sluiting van de woonboot van verzoeker (zijn woning) voor de duur van zes maanden op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet. Verzoeker is het niet met de sluiting eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. De burgemeester mocht gebruik maken van zijn bevoegdheid om de woning te sluiten. De gevolgen van de woningsluiting zijn groot, maar de sluiting is niet onevenwichtig. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 25 maart 2026 heeft de burgemeester de woonboot van verzoeker voor de duur van zes maanden gesloten. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De burgemeester heeft meegedeeld de feitelijke sluiting van de woonboot op te schorten totdat de voorzieningenrechter heeft beslist op het verzoek om een voorlopige voorziening.
2.2.
De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van de burgemeester.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Relevante feiten en omstandigheden
3. Verzoeker is eigenaar van de woonboot en huurt een ligplaats van de gemeente Maasgouw.
3.1.
Aan de sluiting van de woonboot (voor de duur van zes maanden) heeft de burgemeester een bestuurlijke rapportage van de politie van 20 februari 2026 ten grondslag gelegd. Uit deze bestuurlijke rapportage blijkt dat naar aanleiding van een strafrechtelijk onderzoek in verband met mogelijke verduistering van een motorboot (inclusief trailer) de politie naar de woonboot van verzoeker is gegaan, omdat de aangever verzoeker als verdachte had aangeduid. De politie heeft – met toestemming van verzoeker – de woonboot betreden en doorzocht, waarbij onder meer het volgende werd aangetroffen:
- een zak wit poeder (400 gram ketamine) in de slaapkamer;
- een zak wit poeder (350 gram amfetamine) in de keuken;
- 26 XTC-tabletten, een zakje met 13,5 gram amfetamine en een zakje met 4 gram mephredone op tafel in de woonkamer;
- 15 gram ketamine op een kastje in de woonkamer;
- een echt gelijkend vuurwapen (een uzi) in de slaapkamer;
- een zwart kleurig handvuurwapen (gelijkend op een Walther P99) in de keuken;
- een busje pepperspray in de kledingkamer;
- een stiletto in de woonkamer;
- drie werpmessen in de keuken;
- een kapmes (niet strafbaar) in de gang bij de voordeur;
- tienstuks illegaal vuurwerk in de keuken, en
- een zak met CO2-patronen en een busje met stalen BB-balletjes.
3.2.
De burgemeester heeft op 3 maart 2026 het voornemen tot sluiting van de woonboot voor de duur van zes maanden toegezonden en verzoeker in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen. Verzoeker heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Met het bestreden besluit is de burgemeester bij zijn voornemen gebleven en heeft hij besloten de woonboot te sluiten voor de duur van zes maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet.
Spoedeisend belang
4. Niet in geschil is dat verzoeker, gelet op de aard van de zaak, een spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek aan de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen.
Toetsingskader
5. Op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet is de burgemeester – voor zover hier van belang – bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen harddrugs wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.
5.1.
De burgemeester voert beleid om de handel in drugs in de gemeente Maasgouw tegen te gaan, het zogenaamde Damoclesbeleid Maasgouw 2020 (het beleid). [1] In dit beleid is bepaald dat de sluitingstermijn bij woningen en bijbehorende erven zes maanden bedraagt als bij een eerste constatering een handelshoeveelheid harddrugs wordt aangetroffen van 1 of meer gram, of 6 of meer pillen. [2]
5.2.
Als de burgemeester gebruik wil maken van zijn bevoegdheid om een woning op grond van artikel 13b, van de Opiumwet te sluiten, geldt daarvoor het beoordelings- en toetsingskader van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Dat kader is beschreven in de uitspraken van 6 juli 2022 [3] en 16 juli 2025 [4] . Hierbij moet beoordeeld worden of de sluiting van de woning in het concrete geval geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.
Bevoegdheid
6. Partijen zijn het erover eens dat de burgemeester bevoegd is tot woningsluiting over te gaan. Deze bevoegdheid vloeit voort uit het aantreffen van een handelshoeveelheid ketamine, amfetamine en mephredone (harddrugs). Zij verschillen wel van mening over de vraag of de sluiting noodzakelijk en evenwichtig is.
Noodzakelijkheid
7. Als de burgemeester bevoegd is om een pand te sluiten, is de volgende vraag of er ook een noodzaak is om een pand te sluiten. Daarbij is van belang of de burgemeester met een minder ingrijpend middel dan een sluiting had kunnen en moeten volstaan omdat het beoogde doel ook met dat minder ingrijpende middel had kunnen worden bereikt. Toepassing van artikel 13b van de Opiumwet is een herstelsanctie en strekt tot beëindiging van de overtreding van de Opiumwet, het beëindigen van de negatieve effecten van de overtreding en het voorkomen van herhaling van de overtreding. Herstel van de openbare orde is dus niet op zichzelf het doel van deze toepassing. Dit neemt niet weg dat een overtreding van de Opiumwet, ook wanneer deze plaatsvindt in of vanuit een woning, gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat in de omgeving en in meer of mindere mate gepaard gaat met verstoring van de openbare orde. Het ligt voor de hand dat de burgemeester die effecten op de omgeving betrekt in zijn beoordeling of het noodzakelijk is om over te gaan tot sluiting van een woning. Deze beoordeling moet plaatsvinden aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. [5]
7.1.
Verzoeker heeft aangevoerd dat de woonboot nooit is gebruikt als locatie van waaruit drugshandel heeft plaatsgevonden; ook is er geen sprake geweest van loop naar de woonboot. Ter zitting heeft hij toegelicht dat hij een aantal vrienden heeft toegestaan om korte tijd in de woonboot te verblijven en dat deze vrienden de drugs en (nep)wapens hadden meegenomen. Verzoeker was zich daar helemaal niet van bewust, hetgeen ook wel blijkt uit het feit dat hij de politie toestemming heeft gegeven om de woonboot te doorzoeken. Tegen die achtergrond is een sluiting van de woonboot niet noodzakelijk.
7.2.
De voorzieningenrechter is met de burgemeester van oordeel dat de op 3 februari 2026 aangetroffen situatie op de woonboot van dien aard was dat deze als ernstig kan worden beschouwd, zodat de burgemeester een sluiting van zes maanden noodzakelijk heeft kunnen achten. Naast de aanzienlijke handelshoeveelheid harddrugs, die verspreid over de woonboot aanwezig waren, zijn in de woonboot ook voorwerpen aangetroffen die duiden op betrokkenheid bij drugshandel, zoals (op echt gelijkende vuur)wapens en illegaal vuurwerk. Gelet op deze omstandigheden heeft de burgemeester kunnen aannemen dat de woonboot deel uitmaakt van de keten van drugshandel of in elk geval bekend is binnen het criminele (drugs)circuit. Dat geldt ook wanneer van de verklaring van verzoeker zou worden uitgegaan. Dat de drugs, wapens en het vuurwerk niet van verzoeker waren en mogelijk slechts een korte periode in de woonboot hebben gelegen, betekent immers gelet op de specifieke omstandigheden en grote hoeveelheid drugs niet dat daarmee drugshandel vanuit de woonboot of bekendheid van de woonboot binnen het criminele (drugs)circuit is uitgesloten. Ook de omstandigheid dat geen feitelijke loop naar de woning is geconstateerd, zoals verzoeker stelt, doet aan het voorgaande niet af. Daarnaast heeft de burgemeester in het bestreden besluit (en in het verweerschrift) voldoende gemotiveerd waarom niet met een minder ingrijpend maatregel, zoals een waarschuwing of een last onder dwangsom, kon worden volstaan.
Evenwichtigheid
8. Als de sluiting van een woning in beginsel geschikt en noodzakelijk wordt geacht, neemt dat niet weg dat die sluiting ook evenwichtig moet zijn. [6] Bij de beoordeling van de evenwichtigheid van (de duur van) de sluiting zijn verschillende omstandigheden van belang, zoals de mate van verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, een bijzondere binding met de woning en de mogelijkheid om weer van de woning gebruik te kunnen maken. De nadelige gevolgen van de sluiting voor de bewoner moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig. Inherent aan de sluiting van de woning is verder dat de bewoner de woning moet verlaten. Dat is op zichzelf geen bijzondere omstandigheid. Het is in de eerste plaats aan de bewoner om vervangende woonruimte te vinden. Wel dient de burgemeester te informeren naar de mogelijkheden van vervangende huisvesting. [7]
8.1.
Verzoeker heeft aangevoerd dat de sluiting feitelijk een maatregel met een duurzaam karakter is (en dus geen tijdelijke maatregel is), omdat de ligplaatsovereenkomst door de gemeente Maasgouw buitengerechtelijk is ontbonden en verzoeker daardoor niet kan terugkeren als huurder van deze ligplaats. Hij verliest hierdoor zijn woonplek, waardoor een reëel risico op dakloosheid ontstaat. Volgens verzoeker wordt hij nu gedwongen zijn woonboot te verplaatsen of – wanneer er geen alternatieve ligplaats beschikbaar is – moet hij zijn woonboot verkopen met grote financiële gevolgen. De woonboot is namelijk zonder ligplaats weinig waard, terwijl verzoeker wel een hypotheek heeft (mede gebaseerd op de ligplaats) en zijn ouders bovendien geld hebben gestoken in de aankoop van de woonboot en ligplaats. Bovendien levert de sluiting van de woonboot een ernstige belemmering van de begeleiding en behandeling (van verzoekers verslavingsproblematiek) op en frustreert dit ook een eventuele schorsing van de voorlopige hechtenis van verzoeker. De enkele verwijzing in het bestreden besluit naar algemene gemeentelijke ondersteuningsmogelijkheden is volgens verzoeker ontoereikend. Verzoeker heeft verder aangevoerd dat het nu praktisch voor hem – gelet op het feit dat hij nu in voorlopige hechtenis zit – onmogelijk is om een verhuizing van de boot en inboedel te organiseren.
8.2.
De voorzieningenrechter merkt op dat verzoeker inmiddels uit de voorlopige hechtenis is, zodat zijn gronden over de daaruit voortvloeiende (praktische) belemmeringen
niet meer hoeven te worden besproken.
8.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de gevolgen van de sluiting in dit geval niet onevenwichtig zijn. De voorzieningenrechter stelt daarbij voorop dat er geen sprake is van een situatie waarin verzoeker geheel geen verwijt kan worden gemaakt. Het was aan verzoeker als eigenaar van de woonboot om te bepalen wie hij in de woonboot liet verblijven en welke spullen zij meebrachten. Verzoeker had daar toezicht op moeten en kunnen houden. De burgemeester mag, ongeacht of verzoeker wist van de aanwezige harddrugs, hem als eigenaar van de woonboot te allen tijden verantwoordelijk houden voor wat er zijn woning gebeurt.
8.4.
De voorzieningenrechter oordeelt verder dat de omstandigheid dat verzoeker de woonboot (in beginsel) tijdelijk moet verlaten op zichzelf geen bijzondere omstandigheid is.
De gemeente Maasgouw heeft in dit geval – in haar hoedanigheid als civiele (privaatrechtelijke) partij – de huurovereenkomst van de ligplaats van de woonboot buitenrechtelijk ontbonden; deze buitengerechtelijke ontbinding is een privaatrechtelijke kwestie en valt buiten de omvang van deze bestuursrechtelijke procedure. Een gevolg van de buitengerechtelijke ontbinding van de ligplaats is wel dat verzoeker na de sluiting van de woonboot van zes maanden, deze boot moet verslepen naar een andere ligplaats óf de woonboot moet verkopen, waarbij de gemeente heeft toegezegd de ligplaats in kwestie aan de koper van de woonboot te verhuren na het doorlopen van een screeningsprocedure. Verzoeker heeft hier dus zes maanden de tijd voor en dat verzoeker in die tijd geen nieuwe ligplaats zou kunnen vinden of de woonboot niet zou kunnen verkopen is niet zonder meer aannemelijk. Het betreft een onzekere toekomstige gebeurtenis, die de burgemeester op dit moment in redelijkheid niet als een zodanig bijzondere omstandigheid hoeft te zien dat de sluiting daardoor onevenwichtig is.
8.5.
De voorzieningenrechter ziet verder niet in dat verzoeker vanwege zijn verslavingsproblematiek een bijzondere binding heeft aan deze specifieke woning. Verzoekers betoog dat de sluiting een ernstige belemmering vormt voor de begeleiding en behandeling van zijn verslavingsproblematiek, is onvoldoende om daarvan af te zien. Dat geldt te meer nu die begeleiding en behandeling zal verlopen via de reclassering en niet is gebleken dat verzoeker daarbij is gebonden aan een vast woonadres. De voorzieningenrechter overweegt verder dat niet is gebleken dat verzoeker al heeft geprobeerd om vervangende woonruimte te vinden en dat verzoeker hierin niet is geslaagd. Ook heeft verzoeker niet aangetoond dat hij – gelet op zijn financiën – niet in staat is om vervangende woonruimte te vinden. De burgemeester heeft verder in het bestreden besluit en het verweerschrift erop gewezen dat verzoeker via het Sociaal Wijkteam of Servicecentrum MER kan worden begeleid naar vervangende huisvesting. De voorzieningenrechter merkt in dit verband nog op dat het in beginsel aan verzoeker zelf is om voor alternatieve huisvesting te zorgen.
8.6.
De voorzieningenrechter begrijpt dat de gevolgen van de sluiting voor verzoeker groot zijn, terwijl verzoeker juist heeft aangegeven nu eindelijk de juiste hulp en begeleiding te gaan krijgen en dat een stabiele (thuis)basis daarbij van belang is. De voorzieningenrechter acht dit echter onvoldoende om te concluderen dat de sluiting onevenwichtig is. De burgemeester heeft de belangen bij sluiting van de woonboot voor de duur van zes maanden zwaarder mogen wegen dan de belangen van verzoeker bij het gebruik van zijn woning.

Conclusie en gevolgen

9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de burgemeester de woning van verzoeker mag sluiten voor de duur van zes maanden. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Leijten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.H.J. Laeven, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 1 mei 2026

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Beleidsregel van de burgemeester van de gemeente Maasgouw houdende regels omtrent bestuursrechtelijke handhaving Opiumwet, vastgesteld op 10 december 2019 en in werking getreden op 19 december 2019.
2.Zie artikel 2, negende lid, van het beleid.
5.Zie noot 4 (rechtsoverweging 10.1).
6.Zie noot 4 (rechtsoverweging 11 e.v).
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3262 (rechtsoverweging 6.2).