ECLI:NL:RBLIM:2026:448

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
ROE 22/1458
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:13 BWArt. 3:15 BWArt. 6 EVRMArt. 8:29 AwbArt. 10 Wob
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep op openbaarmaking informatie Wet open overheid niet-ontvankelijk wegens misbruik van recht

Eiser heeft een verzoek ingediend op grond van de Wet open overheid (Woo) om documenten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties openbaar te maken, waaronder een e-mailwisseling tussen het ministerie en de gemeente Nederweert. De minister weigerde deze e-mailwisseling volledig openbaar te maken vanwege het risico op onevenredige benadeling van de gemeente en betrokken personen. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit.

De rechtbank oordeelt dat eiser misbruik van recht maakt door het beroep in te stellen. Eiser gebruikt het Woo-verzoek en het beroep feitelijk om een jarenlang conflict met de gemeente Nederweert voort te zetten, zonder dat het beroep inhoudelijk gericht is op de motieven van het bestreden besluit. De rechtbank stelt vast dat het doel van het beroep niet strookt met het doel van de Woo, namelijk het beschikbaar stellen van overheidsinformatie.

Daarnaast wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat bij misbruik van recht in beginsel geen recht op vergoeding bestaat. Het beroep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitkomst: Het beroep op openbaarmaking van informatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van recht en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 22/1458

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 januari 2026

in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

de Minister van Binnenlandse Zaken & Koninkrijksrelaties, de minister

(gemachtigden: mr. A. Aydogdu en mr. van Namen).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
het College van B&W gemeente Nederweertuit Nederweert, de gemeente Nederweert
(gemachtigde: mr. S.M. Schipper).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser over zijn verzoek tot openbaarmaking van informatie op grond van de Wet open overheid (Woo). De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat in de gegeven omstandigheden misbruik van recht moet worden aangenomen. Het beroep is dus niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. In een brief van 10 december 2021 (aangevuld bij brief van 12 januari 2022) heeft eiser onder verwijzing naar een brief van 5 februari 2024 van de minister aan de Vaste commissie voor Binnenlandse Zaken van de Tweede Kamer de volgende stukken van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (het ministerie) verzocht op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob):
- de brief van 21 januari 2014 van de Vaste commissie voor Binnenlandse Zaken van de Tweede Kamer aan de minister (kenmerk: 2013Z25454/2014D004290;
- de brief van 1 oktober 2013 aan de Vaste commissie van Binnenlandse Zaken van de Tweede Kamer aan de minister (kenmerk: 2013Z16600/2013D38188);
- alle brieven over eisers casus voorafgaand aan de hiervoor genoemde brieven;
- alle gewisselde correspondentie over eisers casus tussen de gemeente Nederweert en het ministerie voorafgaand aan de brieven genoemd onder het eerste en tweede gedachtestreepje.
2.1.
Met het besluit van 7 maart 2022 (het primaire besluit) heeft de minister een besluit genomen op dit verzoek. De minister heeft zeven documenten deels openbaar gemaakt, met uitzondering van persoonsgegevens in die documenten. [1] Een document (nummer 5), te weten een e-mailwisseling tussen de gemeente Nederweert en het ministerie ter voorbereiding op de brief van 5 februari 2014 van de minister aan de Vaste commissie voor Binnenlandse Zaken van de Tweede Kamer, is integraal door de minister geweigerd [2] . Dit document leidt volgens de minister tot onevenredige benadeling van de gemeente Nederweert en de daarin genoemde personen. De minister meent dat het belang bij het voorkomen van onevenredig nadeel zwaarder weegt dan het algemeen belang van openbaarmaking.
2.2.
Met het besluit van 17 juni 2022 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser is de minister bij het primaire besluit gebleven. In deze beslissing heeft de minister zijn heroverweging gedaan op basis van de Wet open overheid (Woo).
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De minister heeft met het oog op het bepaalde in artikel 8:29, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan de rechtbank de Woo-documenten gestuurd waarvan verstrekking op onderdelen of in zijn geheel is geweigerd. Ook heeft de minister aan de rechtbank verzocht het bezwaarschrift (en de aanvullingen daarop) en de zienswijze van de gemeente Nederweert op het Woo-verzoek van 23 mei 2022 met een beroep op beperkte kennisneming [3] aan de rechtbank toegestuurd.
2.5.
In een beslissing van 1 oktober 2024 heeft de rechtbank geoordeeld dat de door de minister verzochte geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 van Pro de Awb ten aanzien van de ongelakte versie van de bijlagen bij het primaire besluit (de Woo-documenten) en de overige hiervoor genoemde documenten, gerechtvaardigd is. Eiser heeft de rechtbank op de zitting van 15 mei 2025 vooraf toestemming verleend om mede op de grondslag van deze stukken uitspraak te doen [4] .
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 15 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigden van de minister, de gemachtigde van de gemeente Nederweert en [naam vertegenwoordiger] (vertegenwoordiger van de gemeente Nederweert).

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiser is na een lang dienstverband bij de gemeente Nederweert met ingang van 1 november 2010 eervol ontslagen als gevolg van een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Dit ontslag is in rechte vast komen te staan. Eiser heeft naar aanleiding van dit ontslag een enorme hoeveelheid bestuursrechtelijke-, civielrechtelijke-, strafrechtelijke-, tuchtrechtelijke- en klachtenprocedures gevoerd tegen de gemeente Nederweert en organen van en personen, die werkzaam zijn (geweest) bij of voor deze gemeente. Ook heeft eiser meermaals de minister verzocht om in te grijpen. Zo heeft eiser onder meer met een brief van 27 augustus 2013 de minister benaderd over (kort gezegd) integriteitsschendingen bij de gemeente Nederweert. Op 2 september 2013 heeft eiser de Vaste commissie van de Tweede Kamer voor Binnenlandse Zaken op de hoogte gebracht van voornoemde brief van 27 augustus 2013 aan de minister. Deze kamercommissie heeft later de minister verzocht om een reactie op de brieven van eiser. Met de brief van 5 februari 2014 heeft de minister zijn reactie aan de Vaste commissie van de Tweede Kamer voor Binnenlandse Zaken gegeven. Voordat de minister deze brief heeft opgesteld, heeft het ministerie over deze kwestie contact gehad met de gemeente Nederweert. Deze afstemming met de gemeente Nederweert over de door eiser aangekaarte misstanden / integriteitsschendingen bij de gemeente heeft plaatsgevonden via een e-mailwisseling op 28 januari 2014 (dit is Woo-document 5).
3.1.
Eiser is het niet eens met de inhoud van de hiervoor genoemde kamerbrief van de minister van 5 februari 2014. Volgens eiser is de inhoud van de brief fout. Eiser meent dat het niet anders kan dan dat de e-mailwisseling tussen de gemeente en het ministerie van 28 januari 2014, die door de minister in het kader van dit Woo verzoek volledig wordt geweigerd, van grote invloed is geweest op de inhoud van de brief van 5 februari 2014. Volgens eiser heeft de minister hierdoor de Tweede Kamer onvolledig en onjuist geïnformeerd. Het belang om dit te controleren, moet volgens eiser zwaarder wegen dan de door de minister toegepaste uitzonderingsgronden op grond van de Woo. Eiser heeft verder naar voren gebracht dat hij de e-mailwisseling van 28 januari 2014 wil gebruiken in de civiele procedure bij het gerechtshof in Den Bosch tegen een aan hem opgelegd contactverbod met de gemeente Nederweert en de beroepszaken over schadeclaims tegen die gemeente.
Misbruik van recht
4. De rechtbank ziet aanleiding om eerst te beoordelen of in deze beroepszaak sprake is van misbruik van recht.
4.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) [5] kan op grond van artikel 3:13, gelezen in verbinding met artikel 3:15 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen niet worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Deze artikelen verzetten zich tegen inhoudelijke behandeling van een bij de bestuursrechter ingesteld beroep dat misbruik van recht behelst en bieden een wettelijke grondslag voor niet-ontvankelijkverklaring van een zodanig beroep. Daartoe zijn zwaarwichtige gronden vereist, die onder meer aanwezig zijn als rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw.
4.2.
Verder heeft de Afdeling overwogen dat de omstandigheid dat de indiener geen belang hoeft te stellen bij zijn verzoek tot openbaarmaking, onverlet laat dat de bevoegdheid tot het indienen van een zodanig verzoek met een bepaald doel is toegekend, namelijk dat in beginsel een ieder kennis kan nemen van overheidsinformatie. Misbruik van recht kan zich voordoen indien een bevoegdheid wordt aangewend voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven. Om die reden kan het doel van het verzoek tot openbaarmaking relevant zijn om te beoordelen of misbruik van recht heeft plaatsgevonden. [6]
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval voldoende gebleken dat in dit geval sprake is van misbruik van recht.
4.4.
De rechtbank stelt vast dat eiser weliswaar in beroep heeft aangevoerd dat hij openbaarheid voor een ieder beoogt, maar eisers beroepsgronden zijn niet of nauwelijks gericht tegen de motivering van het bestreden besluit. Zo is eiser inhoudelijk niet ingegaan op de door de minister toegepaste uitzonderingsgronden van de Woo [7] om de e-mailwisseling in kwestie in zijn geheel niet openbaar te maken.
4.5.
Voor zover eiser heeft gesteld dat hij de e-mailwisseling in kwestie wil gebruiken in de civiele procedure bij het gerechtshof in Den Bosch over het communicatieverbod en zijn schadevergoedingszaken tegen de gemeente Nederweert vanwege het feit dat dat de gemeente Nederweert de minister respectievelijk de Tweede Kamer van onjuiste informatie heeft voorzien, overweegt de rechtbank als volgt.
4.6.
De reden waarom eiser de e-mailwisseling in kwestie wil hebben voor de civiele procedure bij het gerechtshof over het communicatieverbod en zijn schadeclaims tegen de gemeente Nederweert is de rechtbank volstrekt onduidelijk. De rechtbank ziet ook niet in dat het feit dat de minister de kamer onjuist heeft voorgelicht, zoals eiser stelt, iets te maken kan hebben met de procedure bij het gerechtshof of te linken is aan de schadevergoedingszaken. Dat de Tweede Kamer volgens eiser niet goed is voorgelicht en de inhoud van de kamerbrief van de minister niet klopt, kan hij gewoon aantonen. Daar heeft hij de betreffende e-mailwisseling niet voor nodig. Bovendien is het aantonen dat wat de minister in zijn brief van 5 februari 2024 heeft geschreven volgens hem niet juist is een ander doel dan waarvoor de Woo is bedoeld, namelijk het beschikbaar stellen van overheidsinformatie.
4.7.
Gelet op al wat eiser in beroep naar voren heeft gebracht en de stukken die hij heeft ingediend bij de rechtbank, overweegt de rechtbank dat eiser niet of nauwelijks ingaat op het openbaar maken van de e-mailwisseling van 28 januari 2014, maar uitsluitend gericht is op de geschiedenis die hij heeft met de gemeente Nederweert. Eiser grijpt deze procedure aan als middel tegenover de gemeente Nederweert om opnieuw zijn eerdere ontslag (en hoe dit tot stand is gekomen) ter sprake te brengen. De rechtbank kan dan ook niet anders concluderen dan dat deze beroepsprocedure feitelijk tot doel heeft eisers conflict met de gemeente Nederweert voort te zetten.
4.8.
Bij uitspraken van 15 oktober 2018 [8] , 14 februari 2019 [9] en 20 augustus 2024 [10] heeft de rechtbank geoordeeld dat eiser misbruik maakt van (proces)recht. Daartoe is overwogen dat eiser al gedurende vele jaren stelselmatig procedures aanhangig maakt die, ondanks wisselende aanleidingen, steeds zijn ontslag betreffen of alle andere zaken die zich daaromheen hebben afgespeeld. De rechtbank is van oordeel dat eiser dit procesgedrag nog steeds vertoont. Eiser weet, althans behoort te begrijpen, dat aan de rechtsgevolgen van het ontslag en alles wat zich verder in dat kader heeft afgespeeld geen wijziging meer kan worden aangebracht, zodat het instellen van deze procedures een redelijk en rechtens te honoreren doel ontbeert. Het telkens opnieuw indienen van verzoeken op grond van de Wob/Woo of de AVG bij de gemeente Nederweert of andere bestuursorganen, zoals in dit geval de minister, en waarbij het verleden van eiser met de gemeente Nederweert weer wordt opgerakeld, levert niet alleen handelen te kwader trouw op, maar vormt ook een onevenredige en onaanvaardbare belasting van de rechtspraak. Dit oordeel geldt ook voor het onderhavige beroep.
4.9.
Dat de minister niet heeft geconstateerd dat sprake is van misbruik van recht acht de rechtbank op zichzelf niet vreemd, omdat eiser bij de minister voor het eerst een Wob/Woo-verzoek heeft gedaan.
4.10.
Gelet op alle feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat in dit geval sprake is van zwaarwegende gronden als bedoeld in rechtsoverweging 4.1. Eiser heeft misbruik gemaakt van zijn bevoegdheid tot het instellen van beroep [11] . Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
Overschrijding van de redelijke termijn
5. Eiser heeft verzocht om toekenning van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM [12] .
5.1.
In gevallen waarin sprake is van misbruik van recht bestaat in beginsel geen spanning en frustratie die recht geeft op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn [13] . De rechtbank ziet geen aanleiding om van dat uitgangspunt af te wijken. Het verzoek van eiser om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn moet daarom worden afgewezen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is niet-ontvankelijk. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.J. Sprakel, rechter, in aanwezigheid van mr. D.H.J. Laeven, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2026
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 16 januari 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob.
2.Op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob.
3.Op grond van artikel 8:29, eerste lid, van de Awb.
4.Als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.
5.Zie onder meer de uitspraak van 27 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4256.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:426.
7.Op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo en artikel 5.2, eerste lid, van de Woo.
8.Bekend onder zaaknummers AWB 17/1047 en AWB 17/2971 (niet gepubliceerd); deze uitspraak is bekrachtigd door de Afdeling bij uitspraak van 6 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3750.
9.Bekend onder zaaknummer AWB 17/4117 (niet gepubliceerd); deze uitspraak is bekrachtigd door de Afdeling bij uitspraak van 6 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3754.
10.Bekend onder zaaknummer ROE 22/513 (niet gepubliceerd).
11.Als bedoeld in artikel 3:13 van Pro het BW, gelezen in samenhang met artikel 3:15 van Pro het BW.
12.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
13.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4272.