ECLI:NL:RBLIM:2026:4646

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
C/03/337004 HA ZA 24-556
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • drs. Hurkens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 2:11 BWArt. 6:119 BWArt. 706 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurdersaansprakelijkheid wegens onttrekking activa en frustratie verhaal na vernietiging vonnis

Heemwonen, een woningcorporatie, was in een geschil verwikkeld met aannemer [aannemer 1] B.V. over een aannemingsovereenkomst. De rechtbank veroordeelde Heemwonen tot betaling, maar dit vonnis werd in hoger beroep vernietigd, waarbij [aannemer 1] werd veroordeeld tot terugbetaling aan Heemwonen. Tijdens het hoger beroep werden de bedrijfsactiviteiten en activa van [aannemer 1] overgeheveld naar een gelieerde vennootschap, [aannemer 2], waardoor verhaal op [aannemer 1] niet meer mogelijk was.

Heemwonen stelde dat de bestuurders van [aannemer 1] en de gelieerde vennootschap persoonlijk aansprakelijk zijn wegens onrechtmatige daad, omdat zij bewust de vennootschap leeg hebben gehaald en daarmee de verhaalsmogelijkheden hebben gefrustreerd. De bestuurders voerden aan dat de financiële situatie door de coronacrisis ernstig was verslechterd en dat overheveling noodzakelijk was om faillissement te voorkomen.

De rechtbank oordeelde dat de bestuurders rekening hadden moeten houden met de mogelijkheid van vernietiging van het vonnis en dat zij onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat de overheveling noodzakelijk was. De bedrijfsactiviteiten bleken voldoende verdienvermogen te hebben, zoals blijkt uit de omzet en resultaten van de gelieerde vennootschap. De overdracht vond plaats tegen een te lage prijs en zonder regeling met Heemwonen, terwijl andere schuldeisers wel werden voldaan.

De rechtbank verklaarde voor recht dat de bestuurders onrechtmatig jegens Heemwonen hebben gehandeld en veroordeelde hen hoofdelijk tot betaling van een bedrag van €461.867,92, vermeerderd met wettelijke rente, alsmede tot betaling van beslag- en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Bestuurders zijn hoofdelijk aansprakelijk voor €461.867,92 schadevergoeding plus rente, beslag- en proceskosten wegens onrechtmatig handelen.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/337004 / HA ZA 24-556
Vonnis in de hoofdzaak van 13 mei 2026
in de zaak van
WONINGSTICHTING HEEMWONEN,
te Kerkrade ,
eisende partij,
hierna te noemen: Heemwonen,
advocaat: mr. R.J.C. Florijn en mr. E.W. van Engen,
tegen

1.[gedaagde 1] B.V.,2. [gedaagde 2] ,

beiden te [plaats 1] ,
gedaagde partijen,
hierna te noemen: [gedaagden] (gezamenlijk), alsmede (afzonderlijk) [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ,
advocaat: mr. E.Ph. Roelofs.

1.De procedure

1.1.
Het (verdere) verloop van de procedure in de hoofdzaak blijkt uit:
- het vonnis in incident van 22 januari 2025,
- de conclusie van antwoord, met de producties 1 t/m 16,
- de conclusie van repliek, met de producties 29 t/m 35,
- de conclusie van dupliek, met de producties 17 t/m 33,
- de aanvullende productie 34 van [gedaagden] ,
- de brief van de rechtbank van 4 juni 2025, waarbij een mondelinge behandeling is gelast,
- de aanvullende beslagstukken van Heemwonen,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 11 december 2025,
- de spreekaantekeningen van Heemwonen, tevens houdende vermindering van eis [1] ,
- de opmerkingen van partijen naar aanleiding van het proces-verbaal,
- het bezwaar van Heemwonen inzake de opmerkingen bij het proces-verbaal van gedaagde partijen,
- de brieven van de rechtbank aan beide partijen van 9 januari 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis in de hoofdzaak bepaald.

2.De feiten

2.1.
Heemwonen is een woningcorporatie.
2.2.
Op basis van een aannemingsovereenkomst van 27 december 2016 heeft [aannemer 1] B.V. (hierna: [aannemer 1] ) voor Heemwonen werkzaamheden verricht met betrekking tot groot onderhoud aan woningen in [plaats 2] . [gedaagde 1] (gedaagde sub 1) was bestuurder van [aannemer 1] en [gedaagde 2] (gedaagde sub 2) indirect bestuurder.
2.3.
De uitvoering van de aannemingsovereenkomst heeft geleid tot een geschil tussen partijen. In een in dat verband gevoerde procedure heeft de rechtbank Limburg bij vonnis van 27 maart 2019 [2] (hierna: het vonnis) Heemwonen veroordeeld tot betaling aan [aannemer 1] van een bedrag van in totaal € 226.165,19 (hoofdsom van € 217.329,75 plus proceskosten).
2.4.
Het vonnis is op 29 maart 2019 aan Heemwonen betekend met bevel om binnen twee dagen te betalen [3] . Heemwonen heeft op 9 april 2019 € 226.165,19 [4] aan [aannemer 1] voldaan. [aannemer 1] heeft tegen het vonnis appel ingesteld; Heemwonen heeft incidenteel appel ingesteld.
2.5.
Op 6 augustus 2021 – hangende de procedure in hoger beroep – is [holding 1] B.V. (hierna: [holding 1] ) opgericht. Enig aandeelhouder van [holding 1] is [bedrijf 1] B.V. (hierna: de [bedrijf 1] B.V.) en bestuurder is [gedaagde 2] . [holding 1] is sinds 27 augustus 2021 enig aandeelhouder en bestuurder van [aannemer 2] B.V. (hierna: [aannemer 2] ). [5]
[aannemer 2] betrof een reeds bestaande vennootschap met de statutaire naam van [statutaire naam] B.V. De statutaire en handelsnaam is op 27 augustus 2021 gewijzigd in [aannemer 2] B.V. [6]
2.6.
[aannemer 1] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] (zie rov. 2.2) maken met de onder 2.5 genoemde (rechts)personen deel uit van onderstaande vennootschapsstructuur ( [gedaagde 1] is daar aangeduid als ‘ [holding 2] ’ en [holding 1] als ‘ [holding 3] ’) [7] .
[afbeelding geanonimiseerd]
2.7.
Vanaf januari 2022 zijn de bedrijfsactiviteiten van [aannemer 1] overgeheveld naar [aannemer 2] (nieuwe projecten zijn geadministreerd in [aannemer 2] ).
2.8.
De statutaire naam van [aannemer 1] is op 29 december 2022 gewijzigd in [bedrijf 2] B.V. (hierna te noemen: [bedrijf 2] ) [8] . [bedrijf 2] heeft op 31 december 2022 al haar activa voor € 164.651,50 verkocht en geleverd aan [aannemer 2] [9] . [bedrijf 2] heeft in 2023 geen bedrijfsactiviteiten meer uitgevoerd.
2.9.
Het hof heeft bij eindarrest van 3 oktober 2023 (hierna: het eindarrest) het vonnis van 27 maart 2019 vernietigd. [aannemer 1] is – kort gezegd – veroordeeld om aan Heemwonen te betalen € 243.559,14 exclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 juli 2018, en om (terug) te betalen € 226.165,19 exclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 april 2019. [10] Het arrest heeft kracht van gewijsde.
2.10.
Op 5 oktober 2023 heeft [gedaagde 1] haar bedrijfspand te [plaats 1] aan [adres] aan [holding 1] geleverd. [11]
2.11.
Heemwonen heeft bij e-mail van 5 oktober 2023 [12] verzocht over te gaan tot betaling van de bedragen waartoe [aannemer 1] bij eindarrest was veroordeeld. Op 6 oktober 2023 is het arrest aan [bedrijf 2] betekend met het bevel om binnen twee dagen de voornoemde hoofdsommen inclusief rente te voldoen. [13] [bedrijf 2] heeft niet betaald en Heemwonen heeft in oktober en november 2023 executiemaatregelen getroffen. De (diverse) executoriale derdenbeslagen hebben slechts zeer beperkt doel getroffen: aanvankelijk was de opbrengst beperkt tot € 675,27 op een rekening bij de Rabobank. Tijdens de onderhavige procedure is daarnaast gebleken dat de executie van een personenauto (na aftrek van beslagkosten) € 7.856,41 heeft opgeleverd. [14]
2.12.
Heemwonen heeft op 12 en 15 november 2024 conservatoir derdenbeslag gelegd ten laste van [gedaagde 2] . [15]
2.13.
[bedrijf 2] is op 20 december 2024, door middel van turboliquidatie, ontbonden. [16]

3.Het geschil

3.1.
Heemwonen stelt dat [bedrijf 2] niet heeft voldaan aan het arrest van 3 oktober 2023 en dat executiemaatregelen nauwelijks tot verhaal hebben geleid. Volgens Heemwonen heeft [bedrijf 2] , althans haar directe en indirecte bestuurders ( [gedaagden] ), doelbewust een lege entiteit gecreëerd om (terug)betaling en verhaal te frustreren. Heemwonen wil haar schade verhalen op [gedaagden] , omdat zij als bestuurder respectievelijk indirect bestuurder van [aannemer 1] / [bedrijf 2] jegens Heemwonen aansprakelijk zijn op grond van onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW Pro.
3.2.
Heemwonen vordert gelet hierop in de hoofdzaak – na vermindering van eis – dat de rechtbank:
voor recht verklaart dat [gedaagde 1] in haar hoedanigheid van bestuurder van [aannemer 1] / [bedrijf 2] onrechtmatig jegens Heemwonen heeft gehandeld, en dat [gedaagde 1] , alsmede [gedaagde 2] op grond van artikel 2:11 BW Pro, uit dien hoofde jegens Heemwonen aansprakelijk zijn voor de schade die Heemwonen dientengevolge heeft geleden;
[gedaagden] hoofdelijk veroordeelt om aan Heemwonen te betalen:
a.
primair: € 562.656,14, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 juli 2018 voor het bedrag van € 243.559,14 en vanaf 19 april 2019 voor het bedrag van € 226.165,19, tot de dag van volledige betaling, met daarop in mindering te brengen een bedrag van € 7.856,41, dan wel,
b.
subsidiair: € 226.165,19, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 april 2019 tot de dag van volledige betaling, met daarop in mindering te brengen een bedrag van € 7.856,41, dan wel,
c.
meer subsidiair: een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;
[gedaagden] hoofdelijk veroordeelt in de kosten van dit geding, waaronder het salaris van de advocaat van Heemwonen en de kosten van beslagleggingen, alsmede de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na betekening van het vonnis tot de dag van volledige betaling.
3.3.
[gedaagden] voeren verweer.
3.4.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Opmerkingen bij het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 11 december 2025
4.1.
Partijen hebben elk bij brief van 8 januari 2026 opmerkingen op het proces-verbaal gemaakt, welke zijn toegevoegd aan het procesdossier.
4.2.
Heemwonen heeft bij e-mail van 9 januari 2026 bezwaar gemaakt tegen de brief van [gedaagde 2] en [holding 2] , daar waar is te lezen:

De jaarcijfers over boekjaar 2024 waren ten tijde van de mondelinge behandeling nog niet opgesteld en vastgesteld. Daartoe bestond op dat moment ook nog geen verplichting. Heemwonen kan [gedaagden] niet verwijten dat er (nog) geen cijfers zijn gedeeld die niet bestonden en waartoe ook geen wettelijke verplichting bestond om deze op dat moment gereed te hebben”.
Heemwonen maakt bezwaar tegen die opmerking, omdat die opmerking haars inziens een nieuwe stelling omvat.
4.3.
De rechtbank is, met Heemwonen, van oordeel dat [gedaagden] met bovenstaande tekst nieuwe stellingen hebben aangevoerd zonder daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld. De rechtbank zal daarom voornoemde passage uit de brief van [gedaagden] niet in haar oordeel betrekken.
4.4.
Voor het overige zal de rechtbank, indien van belang voor de te nemen beslissing, in het navolgende nader ingaan op de door partijen gemaakte opmerkingen.
Kern van de zaak
4.5.
Heemwonen stelt dat [gedaagden] als (voormalig) bestuurders van [aannemer 1] / [bedrijf 2] aansprakelijk zijn voor het feit dat haar vorderingen op [aannemer 1] / [bedrijf 2] uit hoofde van het arrest onverhaalbaar zijn gebleken. Volgens Heemwonen hebben [gedaagden] als bestuurders van [aannemer 1] / [bedrijf 2] welbewust bewerkstelligd en toegestaan dat [aannemer 1] / [bedrijf 2] deze verplichtingen niet is nagekomen. Van dit handelen treft [gedaagden] persoonlijk een ernstig verwijt, zodat zij de onbetaalde en grotendeels onverhaalbaar gebleken vordering zelf moeten terugbetalen.
4.6.
De primaire vordering tot schadevergoeding bestaat uit twee delen, te weten (i) het bedrag van € 243.559,14 waartoe [aannemer 1] is veroordeeld in verband met de afrekening inzake de beëindiging van de aannemingsovereenkomst, en (ii) terugbetaling van het bedrag van € 226.165,19, dat Heemwonen naar aanleiding van het vonnis van de rechtbank aan [aannemer 1] heeft betaald. De rechtbank zal eerst de vordering tot terugbetaling van € 226.165,19 beoordelen.
De vordering tot terugbetaling van € 226.165,19
Juridische uitgangspunten
4.7.
Volgens vaste rechtspraak moet worden aangenomen dat de partij die door dreiging met executie van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis de wederpartij heeft gedwongen tot nakoming van dat vonnis voordat dit in kracht van gewijsde is gegaan, in beginsel onrechtmatig handelt en schadeplichtig is wanneer het vonnis in hoger beroep wordt vernietigd. Geen rekening houden met vernietiging in hoger beroep gebeurt met andere woorden voor eigen risico.
4.8.
In dit geval staat vast dat [aannemer 1] het vonnis van 27 maart 2019 op 29 maart 2019 aan Heemwonen heeft laten betekenen. Op 3 april 2019 heeft [aannemer 1] (onder meer) bericht dat indien Heemwonen niet bevestigt dat “
vandaag” betaald zal worden, [aannemer 1] zal overgaan tot executiemaatregelen. [17] Heemwonen heeft [aannemer 1] daarop bij e-mail van 3 april 2019 bericht dat zij het bedrag van € 226.165,19 zal voldoen. Zij heeft dit bedrag op 9 april 2019 voldaan. [18] Het hof heeft bij eindarrest het vonnis vernietigd en [aannemer 1] onder andere veroordeeld tot terugbetaling van € 226.165,19 aan Heemwonen. Tegen dit arrest is geen cassatieberoep ingesteld.
4.9.
Gelet op het voorgaande is het onrechtmatig handelen van [aannemer 1] / [bedrijf 2] in beginsel gegeven: [aannemer 1] / [bedrijf 2] moest er rekening mee houden dat het door Heemwonen betaalde bedrag na een eventuele vernietiging van het vonnis in hoger beroep terugbetaald zou moeten worden en met het eindarrest van 3 oktober 2023 is deze terugbetalingsverplichting komen vast te staan. Dat [bedrijf 2] is gehouden het bedrag terug te betalen staat ook niet ter discussie tussen partijen.
4.10.
In deze zaak wordt echter niet [bedrijf 2] , maar haar bestuurders aangesproken. Als een vennootschap onrechtmatig handelt, is in beginsel alleen die vennootschap aansprakelijk. Onder bijzondere omstandigheden kan er echter ook ruimte zijn voor aansprakelijkheid van een bestuurder – en de indirecte bestuurder op grond van artikel 2:11 BW Pro – voor het onrechtmatig handelen van de vennootschap. Als sprake is van frustratie van betaling en verhaal waardoor een schuldeiser wordt benadeeld, zoals Heemwonen stelt, dient volgens vaste rechtspraak beoordeeld te worden of het handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
4.11.
Daarvoor kan in deze situatie in elk geval van belang zijn (i) of de bestuurders op grond van de hen bekende omstandigheden rekening hadden moeten houden met de mogelijkheid dat het vonnis zou worden vernietigd, (ii) of zij wisten of ernstig rekening hadden moeten houden met de mogelijkheid dat in geval van vernietiging van het vonnis [aannemer 1] / [bedrijf 2] niet in staat zou zijn aan Heemwonen het door haar na het veroordelend vonnis betaalde bedrag terug te betalen en (iii) of in de gegeven omstandigheden aan de bestuurders kan worden verweten dat zij desondanks gelden onttrokken hebben aan [aannemer 1] / [bedrijf 2] , met verwaarlozing van de belangen van Heemwonen. [19]
Toepassing op dit geval
4.12.
Heemwonen (die naar de rechtbank begrijpt haar standpunt dat [gedaagden] het geïncasseerde bedrag hadden moeten reserveren heeft losgelaten) stelt primair dat [gedaagden] aansprakelijk zijn voor de door haar geleden schade, omdat zij de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf 2] hebben overgeheveld naar [aannemer 2] (en daarmee het verdienvermogen aan [bedrijf 2] hebben onttrokken), onder achterlating van de schuld aan Heemwonen. Daarmee hebben zij doelbewust de verhaalsmogelijkheden van Heemwonen gefrustreerd. Subsidiair – indien de overheveling van de bedrijfsactiviteiten niet tot aansprakelijkheid zou leiden – voert Heemwonen aan dat [gedaagden] aansprakelijk zijn door de manier waarop de activa van [bedrijf 2] te gelde zijn gemaakt.
4.13.
[gedaagden] betwisten dat zij onrechtmatig hebben gehandeld. Zij hebben in dat verband onder meer aangevoerd dat (door de coronacrisis) de continuïteit van [bedrijf 2] eind 2021 ernstig in gevaar was en dat zonder overheveling van de bedrijfsactiviteiten een faillissement onvermijdelijk was, omdat de resultaten van 2020 en 2021 en de prognoses voor de toekomst onvoldoende waren om aan de aflossingsverplichtingen te kunnen voldoen.
- [gedaagden] moesten er rekening mee houden dat het vonnis zou worden vernietigd
4.14.
Zoals hiervoor reeds overwogen moest [aannemer 1] / [bedrijf 2] – en daarmee haar bestuurders [gedaagden] – in beginsel rekening houden met de mogelijkheid dat het vonnis van 27 maart 2019 zou worden vernietigd. Vernietiging kan niet alleen volgen als het vonnis op een misslag berust, nieuwe stellingen worden ingenomen of nieuwe feiten naar voren gebracht, maar ook omdat het hof na beschouwing van de zaak tot een ander oordeel komt dan de rechtbank. Zolang een vonnis in eerste aanleg nog niet in kracht van gewijsde is gegaan, dient de bestuurder dus rekening te houden met de mogelijkheid dat hoger beroep wordt ingesteld en dat dit tot vernietiging leidt. Dit kan anders zijn indien er aanwijzingen zijn dat geen hoger beroep zal worden ingesteld of dat de vorderingen in hoger beroep apert kansloos zijn, maar dergelijke omstandigheden zijn in dit geval gesteld noch gebleken. [gedaagden] hadden dus, mede gelet op de diverse geschilpunten tussen partijen en het feit dat zowel principaal als incidenteel appel was ingesteld, rekening moeten houden met de mogelijkheid dat het vonnis zou worden vernietigd.
- [gedaagden] wisten dat [aannemer 1] / [bedrijf 2] niet in staat zou zijn tot terugbetaling
4.15.
Partijen verschillen van mening over de vraag of [gedaagden] ten tijde van de incassering van het bedrag van € 226.165,19 in 2019 wisten (of ernstig rekening hadden moeten houden met de mogelijkheid) dat [aannemer 1] / [bedrijf 2] in geval van vernietiging van het vonnis niet in staat zou zijn tot terugbetaling van het door Heemwonen betaalde bedrag. Dit kan echter in het midden blijven. Vast staat immers dat [gedaagden] in ieder geval wisten dat dit het geval zou zijn door de handelingen die hebben plaatsgevonden in het kader van de afwikkeling van de vennootschap, te beginnen met de overheveling van de bedrijfsactiviteiten van [aannemer 1] naar [aannemer 2] vanaf januari 2022, gevolgd door de overdracht van de bedrijfsactiva op 31 december 2022 en – uiteindelijk – de turboliquidatie op 20 december 2024. Het zijn deze gedragingen die hen door Heemwonen worden verweten in het kader van bestuurdersaansprakelijkheid. Het antwoord op de vraag of [gedaagden] wisten of ernstig rekening moesten houden met de mogelijkheid dat [aannemer 1] / [bedrijf 2] bij vernietiging van het vonnis niet zou kunnen terugbetalen, luidt dus bevestigend. Daarmee komt de rechtbank toe aan de laatste vraag: kan [gedaagden] worden verweten dat zij, hoewel zij wisten dat [aannemer 1] / [bedrijf 2] hierdoor niet in staat zou zijn tot terugbetaling aan Heemwonen, zijn overgegaan tot voornoemde afwikkeling van [aannemer 1] / [bedrijf 2] ?
- kan [gedaagden] worden verweten dat zij desondanks gelden onttrokken hebben aan [aannemer 1] / [bedrijf 2] , met verwaarlozing van de belangen van Heemwonen?
4.16.
Heemwonen stelt dat de bestuurders van [aannemer 1] de bedrijfsactiviteiten van [aannemer 1] doelbewust hebben overgeheveld naar [aannemer 2] met het oogmerk om onder bepaalde schulden uit te komen, meer in het bijzonder de schuld aan Heemwonen. De wijze waarop de onderneming van [aannemer 1] is overgeheveld naar [aannemer 2] – een aan haar bestuurders gelieerde vennootschap – en de timing waarmee dit plaatsvond duiden erop dat werd getracht onder de schuld van Heemwonen uit te komen. De verkoopsom van de activa en goodwill werd bewust te laag gehouden. Bij de overheveling van het bedrijf is met alle schulden en crediteuren rekening gehouden, behalve met Heemwonen. Met Heemwonen is ook geen regeling (tot betaling in termijnen) getroffen, terwijl zij daartoe wel bereid was. [aannemer 1] / [bedrijf 2] heeft voor de aflossing van de schuld aan de Belastingdienst bijvoorbeeld wel een voorziening getroffen. Bij het voorgaande stelt Heemwonen [20] dat de overheveling van het bedrijf niet nodig was. De continuïteitsparagraaf in de jaarrekening 2021 bevat slechts een algemene toelichting op de gevolgen van corona; uit die jaarrekening volgt dus in elk geval niet dat de continuïteit van [aannemer 1] onzeker was, laat staan dat een faillissement onvermijdelijk was. Dit wordt wel vermeld in de jaarrekening 2022, maar daarbij is vermeld dat dit te wijten is aan (de betalingsverplichtingen op grond van) het eindarrest van het hof. Niet vermeld in die jaarrekening is dat de vennootschap is leeggehaald. Er is verder geen enkele serieuze poging gedaan om alternatieven voor een faillissement te onderzoeken, zoals kostenbesparingen of betalingsregelingen. Uit de jaarcijfers blijkt nota bene dat de managementvergoeding van [gedaagde 2] in 2022 is verhoogd van € 141.000 naar € 150.000 en dat hij jaarlijks € 72.000,- aan huur is blijven ontvangen, aldus Heemwonen. [21] Heemwonen heeft er verder op gewezen dat vanaf oktober 2022 aanzienlijk is afgelost op preferente schulden aan de bank en de Belastingdienst. Bovendien volgt uit de jaarrekeningen van [aannemer 2] over 2022 en 2023 dat de omzet van [aannemer 2] in 2022 direct naar drie miljoen euro steeg (terwijl de inkomsten uit oude projecten toen nog naar [bedrijf 2] gingen) en dat deze omzet in 2023 verder steeg tot bijna 4,4 miljoen euro. Er werd toen operationeel een positief resultaat behaald van € 145.988,- en er zijn substantiële aflossingen gedaan van schulden die in [bedrijf 2] waren achtergebleven, ook op concurrente schulden van leveranciers en handelscrediteuren. Het verlies in 2023 kwam uitsluitend door een incidentele boekhoudkundige afwaardering van een rekening-courantverhouding op [aannemer 1] / [bedrijf 2] van € 156.224,-. Als de jaarrekeningen al iets aantonen, is het dat de resultaten in 2023 weer in de lift zaten. Dat de onderneming ook volgens [gedaagden] nog verdienvermogen had blijkt niet alleen uit de vliegende start van [aannemer 2] , maar ook uit het feit dat [gedaagde 2] de onderneming (inclusief handelsnaam, logo en website) maar al te graag heeft willen voortzetten in een nieuwe vennootschap in plaats van het faillissement aan te vragen omdat de onderneming niet meer levensvatbaar zou zijn, aldus Heemwonen.
4.17.
[gedaagden] betwisten de stellingen van Heemwonen en voeren – kort gezegd – aan dat door corona de financiële situatie van [aannemer 1] in 2020 en 2021 drastisch verslechterde. Er was geen zicht op voldoende inkomsten om alle opgebouwde schulden (onder andere belastingschulden ten gevolge van de corona-noodmaatregelpakketten) te kunnen afbetalen. Er was wel ruimte voor betaling van de lopende verplichtingen, maar onvoldoende zicht op capaciteit om te kunnen aflossen op oude schulden. De groeiende omzet vanaf 2021 geeft weliswaar hoop op betere resultaten in de jaren na 2023, maar de resultaten waren te mager om een faillissement van [aannemer 1] te voorkomen. Er was immers een tekort in het werkkapitaal en er waren forse winsten nodig geweest om aan de aflossingsverplichtingen te kunnen voldoen. De onderneming had niet lang genoeg kunnen overleven om weer in de zwarte cijfers te komen, aldus [gedaagden] [aannemer 1] ging er weliswaar van uit dat zij nog gelden zou ontvangen uit de appelprocedure tegen Heemwonen, maar het was niet duidelijk wanneer dat zou gebeuren. Gelet daarop is het besluit genomen om de bedrijfsactiviteiten van [aannemer 1] te staken en de bedrijfsvoering en bedrijfsactiva onder te brengen in [aannemer 2] . Daardoor kon een faillissement van [aannemer 1] worden voorkomen en het werk en banen van werknemers worden veilig gesteld. [aannemer 2] heeft de financiële verplichtingen van [aannemer 1] , waaronder de rekening-courantschuld bij ING, zoveel mogelijk overgenomen.
4.18.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben [gedaagden] , in het licht van de hiervoor weergegeven gemotiveerde stellingen van Heemwonen, onvoldoende gemotiveerd betwist dat de onderneming van [aannemer 1] / [bedrijf 2] voldoende verdienvermogen had om, op termijn, de vordering van Heemwonen te kunnen voldoen. Dat [aannemer 1] in 2020 en 2021 slechte resultaten heeft bereikt door de coronacrisis acht de rechtbank voldoende aannemelijk, maar daarmee is niet gegeven dat [aannemer 1] / [bedrijf 2] niet in staat was om in de toekomst weer voldoende inkomsten te genereren. Uit de keuze voor voortzetting van de onderneming in [aannemer 2] – met exact dezelfde activiteiten – blijkt dat [gedaagden] dat kennelijk ook zo zagen. De rechtbank weegt in dat verband mee dat [aannemer 2] , gelet op haar omzet in 2022 en 2023 direct een vliegende start heeft gemaakt en dat de managementvergoeding van [gedaagde 2] in 2022 is verhoogd van € 141.000 naar € 150.000, waarbij hij ook jaarlijks € 72.000,- aan huur is blijven ontvangen. Deze omstandigheden laten zich niet rijmen met de stelling van [gedaagden] dat [aannemer 1] op de rand van faillissement stond. Hetzelfde geldt voor de stelling dat [gedaagden] naar eigen zeggen nog een forse extra betaling verwachtten uit de appelprocedure. De rechtbank weegt bovendien mee dat uiteindelijk alle schuldeisers van [aannemer 1] zijn voldaan, of een regeling met hen is getroffen, met uitzondering van Heemwonen.
4.19.
Bij het voorgaande komt dat ook de stelling van Heemwonen dat de overnamesom voor de bedrijfsactiva op een te laag bedrag is vastgesteld, mede gelet op de verzwaarde motiveringsplicht aan de kant van [gedaagden] , onvoldoende gemotiveerd is weersproken. [gedaagden] stellen dat een ‘meer dan marktconforme’ vergoeding is betaald en dat de boekwaarde van de activa een goede indicatie van de marktwaarde geeft, maar een daadwerkelijke taxatie van de activa ontbreekt. Het aanbod tijdens de mondelinge behandeling om alsnog een taxatie te overleggen, komt te laat, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat.
Ook hebben [gedaagden] de stelling van Heemwonen dat de door [aannemer 2] aan [aannemer 1] betaalde goodwill ad € 15.000,00 op een (veel) te laag bedrag is vastgesteld, onvoldoende gemotiveerd betwist. Hiertoe wordt overwogen dat [gedaagde 2] op de mondelinge behandeling heeft toegelicht dat hij het bedrijf ( [aannemer 1] ) in 2013 heeft overgenomen tegen betaling van ca. 1,2 miljoen (de 'goodwill'). [22] Op dit bedrag, waarvoor hij een schuld bij ING Bank is aangegaan, schreef hij jaarlijks af. De schuld bij ING bedroeg in 2022 nog circa
€ 800.000,-. [23] Heemwonen heeft verder onbetwist gesteld dat op de balans van [aannemer 1] van 1 januari 2021 nog € 869.925,34 aan goodwill was opgenomen. [24] Daarbij was de orderportefeuille goed gevuld en had de onderneming, zoals hiervoor overwogen, nog voldoende verdienvermogen. Zelfs indien de goodwill van [aannemer 1] minder waard is geworden, is de enkele stelling van [gedaagden] dat gelet op die schuldenlast 'niemand deze onderneming nog zou willen hebben' en daarom de goodwill € 15.000,00 bedroeg, onvoldoende. Het had op de weg van [gedaagden] gelegen een dergelijke vermindering van de waarde van de goodwill met een passende berekening te onderbouwen, temeer nu [gedaagden] zelf hebben aangevoerd dat de toegenomen schuldenlast (sinds 2018) voornamelijk belastingschulden door corona betrof en zij nu juist voor die schuld een regeling hebben kunnen treffen. Niet aannemelijk is dan ook dat de gestelde schuldenlast in die mate op de goodwill drukte als door [gedaagden] aangevoerd.
4.20.
Het vorenoverwogene maakt dat aan [gedaagden] kan worden verweten dat zij [aannemer 1] / [bedrijf 2] hebben ondergebracht in [aannemer 2] met verwaarlozing van de belangen van Heemwonen. [gedaagden] hebben de activa en goodwill tegen de overeengekomen (lage) prijs doen verkopen en bij de financiële afwikkeling van de overname alle schuldeisers behalve Heemwonen en de Belastingdienst betaald, waarbij met de Belastingdienst een betalingsregeling werd getroffen, waarna een lege vennootschap resteerde. Hangende die constructie van overname is pas achteraf, toen er geen middelen meer waren om een regeling met Heemwonen te treffen, in de boeken een ‘overige voorziening’ voor de potentiële vordering van Heemwonen getroffen. De rechtbank komt daarmee tot de conclusie dat het handelen van [gedaagden] als bestuurders ten opzichte van Heemwonen in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hen daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
Betwisting causaal verband
4.21.
Naast voornoemde verweren hebben [gedaagden] betwist dat causaal verband bestaat tussen hun gedragingen (kort gezegd, de overheveling van het bedrijf) en de door Heemwonen gestelde schade. Ook zonder overheveling van het bedrijf van [aannemer 1] / [bedrijf 2] naar [aannemer 2] had Heemwonen geen verhaal kunnen halen bij [aannemer 1] : enerzijds omdat uit de jaarcijfers volgt dat daarvoor volstrekt geen ruimte was en [aannemer 1] failliet zou zijn gegaan, anderzijds omdat [aannemer 1] een schuldenlast van 1,7 miljoen aan schuldeisers met voorrang zou hebben gehad (preferente schuldeisers zoals de Belastingdienst en door ING Bank gevestigd pandrecht). Gelet daarop moeten de vorderingen van Heemwonen worden afgewezen, aldus [gedaagden]
4.22.
Naar het oordeel van de rechtbank gaan deze stellingen van [gedaagden] niet op. De door [gedaagden] geschetste feiten hadden een rol kunnen spelen als de onderneming van [aannemer 1] / [bedrijf 2] had moeten worden geliquideerd, maar zoals in het voorgaande reeds is overwogen, is die noodzaak naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. Nu, gelet daarop, ervan moet worden uitgegaan dat de onderneming van [aannemer 1] / [bedrijf 2] met voldoende verdienvermogen had kunnen worden voortgezet is onvoldoende gemotiveerd dat de door [gedaagden] gestelde schulden (op termijn) in de weg zouden staan aan verhaal voor Heemwonen. De rechtbank overweegt in dat verband nog dat de omstandigheid dat [aannemer 1] door de coronacrisis hogere belastingschulden en een negatief eigen vermogen had en minder omzet genereerde niet los kan worden gezien van het feit dat het vóór de coronacrisis goed ging met [aannemer 1] , dat het verlies aan verdienvermogen nu juist het gevolg van de coronacrisis was en dat gelet op de positieve ontwikkeling van [aannemer 2] na de overname aannemelijk is dat [aannemer 1] / [bedrijf 2] er ook weer bovenop was gekomen.
4.23.
Op grond van het voorgaande luidt de conclusie dat het gevorderde bedrag van € 226.165,19 in beginsel (met inachtneming van hetgeen daarover nog zal worden overwogen in rov. 4.30 en 4.31) toewijsbaar is.
De vordering tot betaling van € 243.559,14
4.24.
Het tweede deel van de door Heemwonen (primair) gevorderde schadevergoeding betreft het bedrag van € 243.559,14 waartoe [aannemer 2] daarnaast bij eindarrest is veroordeeld, omdat het hof tot een andere beoordeling van de zaak is gekomen dan de rechtbank. [aannemer 1] / [bedrijf 2] is in gebreke gebleven met betaling van dit bedrag en heeft geen verhaal geboden.
4.25.
Heemwonen stelt dat [gedaagden] , als bestuurders van [aannemer 1] / [bedrijf 2] ook ten aanzien van deze vordering aansprakelijk zijn. Toen [gedaagden] de bedrijfsactiviteiten overhevelden van [aannemer 1] / [bedrijf 2] naar [aannemer 2] en de activa te gelde maakten liep de appelprocedure al, zodat zij toen ook al rekening moesten houden met de mogelijkheid dat de vordering van Heemwonen geheel of gedeeltelijk toegewezen zou kunnen worden, waardoor [aannemer 1] / [bedrijf 2] een omvangrijk bedrag aan Heemwonen zou moeten betalen. [gedaagden] hebben deze handelingen echter toch verricht, terwijl zij redelijkerwijze hadden moeten begrijpen dat dit tot gevolg zou hebben dat [aannemer 1] / [bedrijf 2] haar verplichtingen jegens Heemwonen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan opgetreden schade. Hiervan kan [gedaagden] een ernstig verwijt worden gemaakt, aldus Heemwonen.
4.26.
[gedaagden] hebben aansprakelijkheid betwist. In dat verband hebben zij onder meer aangevoerd dat zij geen rekening hoefden te houden met een mogelijke vordering van Heemwonen; zij hadden juist appel ingesteld omdat zij dachten zelf een hogere vordering op Heemwonen te hebben.
4.27.
De rechtbank overweegt als volgt. Vaststaat dat [aannemer 1] / [bedrijf 2] in gebreke is gebleven met haar betalingsverplichting uit hoofde van het eindarrest en niet of nauwelijks verhaal heeft geboden voor de vordering van Heemwonen. Zoals reeds overwogen (zie rov. 4.10) geldt als uitgangspunt dat als een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, in beginsel alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Bij benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaald blijven van diens vordering kan naast de aansprakelijkheid van de vennootschap echter ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene(n) die als (indirect) bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. Voor de beoordeling van de vraag of de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld dient volgens vaste rechtspraak beoordeeld te worden of het handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. [25]
4.28.
In het onderhavige geval hebben [gedaagden] bewerkstelligd dan wel toegelaten dat de bedrijfsactiviteiten en activa van [aannemer 1] / [bedrijf 2] werden overgeheveld naar [aannemer 2] , zodat deze vennootschap (met uitzondering van de schuld aan Heemwonen en een schuld aan de Belastingdienst) leeg achterbleef. De vraag die voorligt in het kader van de bestuurdersaansprakelijkheid is of zij dit gerechtvaardigd konden doen, met andere woorden, of zij goede grond hadden om met voldoende mate van zekerheid aan te kunnen nemen dat de procedure in hoger beroep voor [aannemer 1] positief zou uitpakken. [26] Daarvoor zou nodig zijn dat het hof in ieder geval het oordeel van de rechtbank zou volgen en mogelijk zelfs een hoger bedrag aan [aannemer 1] zou toewijzen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben [gedaagden] onvoldoende gemotiveerd gesteld dat zij hier met goede grond van uit konden gaan. Zoals reeds overwogen moesten [gedaagden] er naar het oordeel van de rechtbank rekening mee houden dat het vonnis van de rechtbank zou worden vernietigd. Gelet op de aard van de zaak (kort gezegd, afrekening na opzegging van de aanneemovereenkomst), de in dat verband over en weer ingestelde vorderingen, alsmede het feit dat door Heemwonen incidenteel appel was ingesteld, was de door [gedaagden] gewenste uitkomst allerminst zeker en hadden zij er bovendien ernstig rekening mee moeten houden dat [aannemer 1] zou worden veroordeeld tot een bedrag dat het door haar bij Heemwonen geïncasseerde bedrag zou overstijgen, zodat naast de terugbetalingsverplichting een extra betalingsverplichting zou ontstaan.
4.29.
[gedaagden] hebben desondanks hangende het hoger beroep de overdracht bewerkstelligd (dan wel toegelaten) van de bedrijfsactiviteiten en activa van [aannemer 1] / [bedrijf 2] aan een zustermaatschappij. Daarmee hebben ze op voorhand iedere vorm van verhaal door Heemwonen onmogelijk gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is dit zodanig onzorgvuldig jegens Heemwonen dat hen daarvan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. De rechtbank weegt in dat verband mee dat, zoals reeds overwogen (4.18), onvoldoende is gebleken dat de overdracht noodzakelijk was om een faillissement af te wenden. Bovendien heeft de overdracht plaatsgevonden naar een gelieerde vennootschap waarvan [gedaagde 2] indirect bestuurder en eigenaar was en zijn uiteindelijk alle schuldeisers van [aannemer 1] / [bedrijf 2] voldaan, of is een regeling met hen getroffen, behalve Heemwonen (vgl. rov. 4.18).
Het voorgaande leidt niet alleen tot aansprakelijkheid van [gedaagde 1] , maar ook – op grond van artikel 2:11 BW Pro – van [gedaagde 2] in persoon. Met betrekking tot de door [gedaagden] gevoerde causaliteitsverweren verwijst de rechtbank naar hetgeen daarover reeds is overwogen in rov. 4.21 e.v.).
Conclusie
4.30.
Alles samengenomen luidt de conclusie dat de door Heemwonen gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen. De vordering tot schadevergoeding kan in beginsel worden toegewezen tot een bedrag van (€ 226.165,19 + € 243.559,14 =) € 469.724,33. Op dit bedrag dient in mindering te worden gebracht het bedrag van € 7.856,41 (tijdens de procedure gebleken executie-opbrengst), hetgeen resulteert in een toewijsbaar bedrag van € 461.867,92. Het overige deel van de gevorderde schadevergoeding (Heemwonen vordert primair € 562.656,14) is niet nader gemotiveerd of onderbouwd en zal daarom worden afgewezen.
Wettelijke rente
4.31.
Tegen de gevorderde wettelijke rente is geen verweer gevoerd, zodat deze zal worden toegewezen, met dien verstande dat het bedrag van € 7.856,41 (de tijdens deze procedure gebleken executie-opbrengst) voor de berekening van de wettelijke rente in mindering zal worden gebracht op het bedrag van € 226.165,19.
Beslag en proceskosten
4.32.
Heemwonen vordert dat [gedaagden] worden veroordeeld tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv Pro toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 3.922,88 voor kosten deurwaardersexploten, € 688,00 voor griffierecht en € 3.723,00 voor salaris advocaat (1,0 punt × € 3.723,00), totaal € 8.333,88.
4.33.
[gedaagden] zijn in de hoofdzaak grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Heemwonen worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
115,74
- griffierecht
5.929,00
- salaris advocaat
11.169,00
(3 punten × € 3.723,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
17.402,74
4.34.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Hoofdelijke veroordeling
4.35.
De veroordelingen worden, met uitzondering van de verklaring voor recht, hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
verklaart voor recht dat [gedaagde 1] in haar hoedanigheid van bestuurder van achtereenvolgens [aannemer 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V. onrechtmatig jegens Heemwonen heeft gehandeld en dat [gedaagde 1] , alsmede [gedaagde 2] op grond van artikel 2:11 BW Pro, uit dien hoofde jegens Heemwonen aansprakelijk zijn voor de schade die Heemwonen dientengevolge heeft geleden,
5.2.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan Heemwonen te betalen een bedrag van (€ 243.559,14 + € 226.165,19 - € 7.856,41 =) € 461.867,92, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 juli 2018 voor het bedrag van € 243.559,14 en vanaf 19 april 2019 voor het bedrag van (€ 226.165,19 - € 7.856,41 =) 218.308,78 tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [holding 2] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 8.333,88, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro met ingang van de vijftiende dag na betekening van deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,
5.4.
veroordeelt [holding 2] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 17.402,74, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [holding 2] en [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
veroordeelt [holding 2] en [gedaagde 2] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.6.
verklaart dit vonnis, met uitzondering van de verklaring voor recht, uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. Hurkens en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.

Voetnoten

1.randnr. 27 spreekaantekeningen Heemwonen.
2.productie 3 Heemwonen.
3.producties 4 en 5 Heemwonen.
4.productie 10 Heemwonen.
5.productie 2 Heemwonen.
6.productie 29 Heemwonen
7.Ontleend aan dagvaarding, p. 4.
8.productie 22 (1) Heemwonen.
9.productie 12 [gedaagden]
10.productie 11c Heemwonen.
11.productie 25 Heemwonen.
12.productie 12 Heemwonen.
13.productie 13 Heemwonen.
14.randnr. 27 spreekaantekeningen Heemwonen.
15.productie 27 en 28 Heemwonen.
16.productie 32 Heemwonen.
17.productie 8 Heemwonen.
18.zie rov 2.4
19.HR 8 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7326, rov. 3.5 ( [bedrijf 3] ); Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12 mei 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3732.
20.spreekaantekeningen Heemwonen, randnr. 9.
21.spreekaantekeningen Heemwonen, randnr. 11, onder verwijzing naar productie 4 [gedaagden] , pag. 35 (jaarrekening [aannemer 1] / [bedrijf 2] 2022) en productie 17 [gedaagden] , pag. 24 (jaarrekening [aannemer 2] 2022).
22.proces-verbaal, p. 5, eerste alinea.
23.productie 15 [gedaagden] .
24.productie 7C [gedaagden] , vaste activa, p. 3 van 3
25.HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, NJ 2006/659 (Ontvanger/Roelofsen).
26.Vgl. HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:829, NJ 2014/195 (Air Holland).