ECLI:NL:RBLIM:2026:5037

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
C/03/344959 / HA ZA 25-377
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Roeffen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:313 BWArt. 3:307 lid 1 BWArt. 3:170 BWArt. 3:169 BWArt. 3:321 lid 1 sub a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding investeringen en gebruiksvergoeding na beëindiging samenwoning ex-partners

De rechtbank Limburg heeft op 27 mei 2026 uitspraak gedaan in een civiele zaak tussen ex-samenwoners over vergoedingsrechten, gebruiksvergoeding, partnerpensioen en de verdeling van de gezamenlijke woning.

De rechtbank oordeelde dat investeringen van de man in de woning deels verjaard zijn en dat alleen de investeringen tussen 11 november 2020 en 11 september 2024 met onderliggende facturen en bonnen voor vergoeding in aanmerking komen. Contante betalingen en investeringen zonder bewijs werden afgewezen. Na aftrek van ontvangen subsidie is een bedrag van €9.788,45 aan de man toegekend. De vrouw heeft recht op €22.123,97 uit de overwaarde.

Verder is bepaald dat de man een gebruiksvergoeding aan de vrouw moet betalen voor het exclusieve gebruik van de woning sinds de verbreking van de samenwoning, en dat de vrouw vanaf 1 februari 2025 bijdraagt aan de hypotheeklasten. De man is veroordeeld tot afgifte van de inboedel aan de vrouw met een dwangsom bij niet-naleving. Ook is de verdeling van bankrekeningen en de medewerking aan partnerpensioen geregeld. Proceskosten worden door partijen zelf gedragen.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vergoedingsvorderingen deels toe, bepaalt gebruiksvergoeding en regelt verdeling van woning en inboedel na beëindiging samenwoning.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/344959 / HA ZA 25-377
Vonnis van 27 mei 2026
in de zaak van
[de vrouw],
te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie, tevens verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de vrouw] ,
advocaat: mr. M.M. van Tol,
tegen
[de man],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij in conventie, tevens eisende partij in reconventie
hierna te noemen: [de man] ,
advocaat: mr. J.F.M. Sondeijker.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 18 maart 2026,
- de akte uitlating van [de man] ,
- de antwoordakte van [de vrouw] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

In conventie en in reconventie
2.1.
De rechtbank blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in het tussenvonnis van 18 maart 2026.
b. Vergoedingsrechten van partijen (vervolg)
2.2.
Indien informeel samenlevenden in ongelijke mate hebben bijgedragen aan de financiering van een gemeenschappelijke woning, moet aan de hand van de het algemene vermogensrecht, waaronder het verbintenissenrecht, worden beoordeeld of zij een vergoedingsrecht op elkaar hebben ten aanzien van de gedane investeringen. [1] Het ligt daarbij voor de hand om eerst te onderzoeken of de betrokken partijen een samenlevingsovereenkomst hebben gesloten die de vermogensrechtelijke aspecten van hun samenleving regelt. Dat is het geval. Partijen hebben op 29 juni 2018 een samenlevingsovereenkomst met elkaar gesloten (hierna: SLO).
2.3.
Artikel 5 SLO Pro bepaalt het volgende:
VERGOEDINGSRECHTEN
Artikel 5
Indien aan het vermogen van een partij een waarde is onttrokken ten behoeve van de andere partij, heeft deze jegens de andere partij recht op een vergoeding gelijk aan de waarde ten tijde van de onttrekking. Het bedrag is direct opeisbaar, tenzij redelijkheid en billijkheid zich tegen directe opeisbaarheid verzetten.
Vergoedingsrecht [de man]
2.4.
stelt dat hij in de periode 2018 t/m 2025 voor een bedrag van € 359.809,- in de woning heeft geïnvesteerd met privé-gelden en gelden van de zakelijke rekening van zijn eenmanszaak. Een bedrag van € 141.093,- daarvan ziet op cashbetalingen; de overige € 218.716,- op overschrijvingen/betalingen per bank.
Investeringen vanaf 2018 t/m 10 november 2020
2.5.
In het kader van de vergoedingsrechten heeft (enkel) [de vrouw] een beroep gedaan op verjaring voor wat betreft de investeringen over 2018 t/m 10 november 2020. Dat beroep op verjaring slaagt. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot dat oordeel is gekomen.
2.5.1.
Op grond van artikel 3:313 BW Pro begint, indien de wet niet anders bepaalt, de termijn van verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verplichting om te geven of te doen met de aanvang van de dag, volgende op die waarop de onmiddellijke nakoming kan worden gevorderd. De verlenging van de verjaringstermijn voor echtgenoten en geregistreerd partners [2] geldt niet voor samenwoners en een soortgelijke regeling is er voor samenwoners niet.
2.5.2.
In artikel 5 SLO Pro is bepaald dat het vergoedingsrecht (in beginsel) direct opeisbaar is. Op de in het artikel genoemde ‘tenzij’-bepaling is door [de man] geen beroep gedaan. Dit betekent dat de vorderingen van [de man] opeisbaar zijn geworden op het moment dat het geld door hem is uitgegeven of is geïnvesteerd. Dat brengt mee dat, telkens wanneer een vermogensverschuiving heeft plaatsgevonden waarvan vergoeding als bedoeld in artikel 5 SLO Pro kan worden gevorderd, de verjaringstermijn voor het desbetreffende bedrag is gaan lopen, telkens op de dag volgende op die waarop de onmiddellijke nakoming kan worden gevorderd. Hiervoor geldt de verjaringstermijn van vijf jaren (artikel 3:307 lid 1 BW Pro).
[de man] heeft een beroep gedaan op het arrest van de Hoge Raad van 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:707. Volgens [de man] volgt uit dat arrest dat bij samenlevers het vergoedingsrecht pas opeisbaar wordt bij het einde van de samenleving of bij verkoop of verdeling van de woning en niet al op het moment van de investering zelf. Het door [de man] aangehaalde arrest heeft evenwel geen betrekking op de opeisbaarheid van een vergoedingsrecht van voormalig samenlevers. De Hoge Raad heeft daarin enkel geoordeeld over de vraag of er überhaupt sprake kan zijn van een vergoedingsrecht tussen samenwoners. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft zich daarover in haar arrest van 11 mei 2021 wel uitgesproken en uitdrukkelijk geoordeeld dat vanaf het moment dat de ene partij méér voldeed dan waartoe hij jegens de andere partij gehouden was een rechtsvordering tot vergoeding van het teveel betaalde had kunnen instellen, zodat de verjaringstermijn toen is gaan lopen. Indien partijen dat anders hadden gewild hadden zij afspraken kunnen maken over het moment en de wijze waarop de ene partij jegens de andere aanspraak zou kunnen maken op de helft van het door hem ingebrachte bedrag. [3] Dat was in dat geval niet gebeurd en is ook in de onderhavige zaak niet gebeurd. Het moment van opeisbaarheid is in dit geval zelfs uitdrukkelijk in de tekst van de SLO opgenomen en gesteld noch gebleken is dat partijen daarvan afwijkende afspraken hebben gemaakt.
2.5.3.
[de man] heeft pas voor het eerst in zijn conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, die dateert van 12 november 2025, aanspraak gemaakt op vergoeding van geïnvesteerde gelden. De rechtbank concludeert dat [de vrouw] zich daarmee met recht heeft beroepen op verjaring voor wat betreft de vorderingen van [de man] over de periode vóór 11 november 2020. De vordering van [de man] wordt voor zover die op deze periode ziet afgewezen.
Investeringen van na 11 september 2024
2.6.
[de vrouw] heeft voor de vorderingen die zien op de gestelde investeringen van na de datum van verbreking van de samenwoning/relatie een beroep gedaan op artikel 3:170 BW Pro. Zij heeft in dat kader gesteld dat partijen als deelgenoten uitsluitend samen bevoegd waren (te besluiten) tot het doen van investeringen in de woning. De rechtbank stelt vast dat [de man] niet heeft weersproken dat voor de investeringen vanaf 11 september 2024 geldt dat [de vrouw] en [de man] uitsluitend gezamenlijk bevoegd waren. Gesteld noch gebleken is dat partijen in die periode gezamenlijk hebben besloten bepaalde (door [de man] bekostigde) investeringen in de woning te doen. Voor zover [de man] bedoeld heeft zich voor de investeringen uit die periode op ongerechtvaardigde verrijking van [de vrouw] te beroepen overweegt de rechtbank dat hij niet heeft onderbouwd dat de door hem gedane investeringen tot waardevermeerdering van de woning of anderszins tot verrijking van [de vrouw] hebben geleid. Het deel van de vordering van [de man] dat ziet op de periode na 11 september 2024 wordt daarom afgewezen.
Investeringen over de periode 11 november 2020 tot 11 september 2024
2.7.
Daarmee resteert de vordering van [de man] die ziet op de periode 11 november 2020 tot 11 september 2024.
Betalingen in contanten
2.8.
Voor wat betreft de door [de man] gestelde betalingen in contanten geldt dat [de vrouw] heeft betwist dat deze betalingen hebben plaatsgevonden en/of zijn geïnvesteerd in de gemeenschappelijke woning. In reactie daarop is door [de man] onvoldoende onderbouwd gesteld dat de betalingen in contanten wel zien op investeringen in de woning waarvoor geldt dat hij recht heeft op vergoeding van [de vrouw] . Gelet daarop is de vordering van [de man] die hierop ziet niet toewijsbaar. Daarbij komt dat ter zitting door [de man] naar voren is gebracht dat een deel van de betalingen in contanten betrekking heeft op gelden die door [de man] zijn verkregen door middel van illegale activiteiten. De rechtbank zal daarom voorbij gaan aan het aanbod van [de man] om te bewijzen dat hij contante betalingen heeft gedaan en dat die betrekking hadden op investeringen in de woning. De rechtbank zal de vordering van [de man] die betrekking heeft op de betalingen in contanten over de periode 11 november 2020 tot 11 september 2024 afwijzen.
Betalingen via overboekingen/bank
2.9.
Voor de door [de man] aangevoerde investeringen via overboeking/bank geldt het volgende. [de vrouw] heeft voor wat betreft alle door [de man] gestelde investeringen aangevoerd dat deze geen betrekking hebben op investeringen in de woning en dat de onderliggende bonnen/facturen ontbreken. In reactie daarop heeft [de man] voor een deel van de bedragen waarvan hij betaling vordert de onderliggende bonnen/facturen overgelegd. Tevens heeft [de man] als productie 10 bij akte van 13 februari 2026 nog 62 aanvullende bijlagen c.q. facturen die hij nog had aangetroffen in het geding gebracht. De rechtbank overweegt dat het op de weg van [de man] had gelegen om de bonnen, facturen en (bank)betalingen op inzichtelijke wijze te presenteren, hetgeen hij heeft nagelaten. De rechtbank laat deze bonnen en facturen dan ook buiten beschouwing. Voor zover de overgelegde bonnen en facturen zien op contante betalingen verwijst de rechtbank voor de volledigheid naar hetgeen onder 2.8 is overwogen.
De niet met facturen/bonnen onderbouwde bedragen
2.10.
Voor de betalingen die door [de man] niet zijn onderbouwd met de onderliggende factuur geldt dat [de man] in het licht van de betwisting door [de vrouw] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat deze zien op investeringen in de woning. De rechtbank volgt
[de man] niet in zijn stelling dat voor alle bonnen afkomstig van bouwmarkten geldt dat deze per definitie hebben te gelden als investeringen in de woning. Dit alleen al omdat [de vrouw] onbetwist heeft gesteld dat een deel van die uitgaven betrekking heeft op de aanschaf van gereedschappen, die niet als investering in de woning hebben te gelden. De rechtbank wijst het deel van de vordering dat niet is onderbouwd met facturen of bonnen af. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.
De wel met facturen/bonnen onderbouwde bedragen
2.11.
De rechtbank zal daarom enkel voor wat betreft de vorderingen die per bank zijn betaald en met facturen en/of bonnen zijn onderbouwd beoordelen of deze zien op door [de man] bekostigde daadwerkelijke investeringen in de woning. Voor vergoeding komen daarbij uitsluitend kosten in aanmerking die kwalificeren als duurzame investering in de woning; dat wil zeggen een investering die leidt tot een waardevermeerdering of kwaliteitsverbetering van de woning. Uitgaven die zien op onderhoud van de woning vallen hier niet onder. Op grond van artikel 3 SLO Pro worden die aangemerkt als kosten van de huishouding.
2.12.
Voor de gestelde investeringen die zien op de huur van machines en voertuigen, de aanschaf van roerende zaken en kabels en contante opnames geldt dat deze niet voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank zal hieronder toelichten hoe zij tot dat oordeel is gekomen. De rechtbank zal vervolgens per jaar ingaan op de nog niet besproken door [de man] gestelde en met factuur onderbouwde investeringen.
Huur van machines en dergelijke
2.13.
Een deel van de met facturen/bonnen onderbouwd gestelde investeringen ziet op de huur van machines, een laadlift, voertuigen en dergelijke. Deze gestelde betalingen komen niet voor vergoeding in aanmerking omdat de huur daarvan op zichzelf niet leidt tot een waardevermeerdering of kwaliteitsverbetering van de woning en niet duidelijk is of ze ten behoeve daarvan zijn gebruikt.
Aanschaf van roerende zaken
2.14.
Een gedeelte van de gestelde investeringen ziet op de aanschaf van roerende zaken die niet duurzaam met de woning zijn verbonden. Deze komen dan ook niet voor vergoeding in aanmerking. Het betreft de aanschaf van:
- een Ring-deurbel bij Amazon (2020, zakelijke gelden, bijlage 64 [4] );
  • raambekleding bij Veneta BV (2020, zakelijke gelden, bijlage 65);
  • een gereedschapswand bij Amazon (2021, zakelijke gelden, bijlage 77);
  • dierenvoer bij Hornbach (2021, zakelijke gelden, bijlage 81;
  • een draadloze bluetooth smart lock (2021, privé gelden, bijlage 83);
  • een elektrische takel bij HBM Machines (2023, zakelijke gelden, bijlage 91);
  • een Wi-Fi Meter bij HomeWizard BV (2023, privé gelden, bijlage 100).
Aanschaf kabels
2.15.
Een deel van de facturen ziet op de aanschaf van kabels en toebehoren, waaronder een installatiekabel, grondkabelset en gietharspakket. [de man] heeft niet toegelicht waarvoor deze kabels met toebehoren zijn gebruikt. De rechtbank oordeelt dat dat zonder nadere toelichting niet kan worden vastgesteld dat deze facturen betrekking hebben op een duurzame investering in de woning. Het deel van de vordering dat betrekking heeft op de aanschaf van kabels wordt dan ook afgewezen.
Contante opnames
2.16.
Een aantal van de opgevoerde investeringen hebben betrekking op contante opnames vanuit zakelijke gelden. Het betreft de opnames op 19 april 2022, 9 januari 2023, 14 januari 2023 en 24 januari 2023 (twee maal). Ook deze contante betalingen komen niet voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank verwijst hiervoor naar r.o. 2.8. Dit deel van de vordering wordt dan ook afgewezen.
2020 (11 november 2020 tot en met 31 december 2020)
2.17.
De betaling aan “Steenstripwinkel” die betrekking heeft op de aanschaf van twee dozen steenstrips (bijlage 72) komt voor vergoeding in aanmerking omdat het aanbrengen van steenstrips heeft te gelden als een duurzame investering in de woning.
Over het jaar 2020 komt daarmee een bedrag van € 207,50 voor vergoeding in aanmerking.
2021
2.18.
Voor de factuur van Hornbach van 22 maart 2021 van € 346,65 (zakelijke gelden, bijlage 74) geldt dat deze voor vergoeding in aanmerking komt. Deze factuur ziet onder meer op de aanschaf van isolatiemateriaal en toebehoren en daarmee op een duurzame investering in de woning. Dit geldt ook voor de aanschaf van inbouwspots voor een bedrag van € 130,85 bij BES Led BV (zakelijke gelden, bijlage 78). Voor de factuur die ziet op de aanschaf van garagecoating/epoxy (zakelijke gelden, bijlage 76) geldt dat het deel dat ziet op de garagecoating voor een bedrag van € 210,- voor vergoeding in aanmerking komt. Het deel dat ziet op “2 componenten schilderset” valt naar het oordeel van de rechtbank, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien dat deze post op iets anders ziet dan onderhoud van de woning. Dit deel van de factuur komt daarom niet voor vergoeding in aanmerking. Het deel van de bon van de Hornbach (2021, zakelijke gelden, bijlage 81) dat betrekking heeft op de pot (€ 250,-) ziet volgens de toelichting van [de man] op een vast onderdeel van de tuin, namelijk stalen bakken ten behoeve van de druivenbomen. Dit bedrag geldt daarmee als duurzame investering in de bij de woning behorende tuin en kan worden toegewezen.
Voor de factuur van Bouwmaat (zakelijke gelden, bijlage 75) geldt dat die niet voor vergoeding in aanmerking komt. Zonder nadere toelichting kan de rechtbank niet aannemen dat deze betrekking heeft op een duurzame investering in de woning. Voor de aanschaf van een product voor ongediertebestrijding (privé gelden, bijlage 84) geldt dat het bestrijden van ongedierte ook geen investering in de woning betreft, maar onderdeel uitmaakt van het onderhoud daarvan, zodat dit ook niet voor vergoeding in aanmerking komt.
Dit leidt tot de conclusie dat over het jaar 2021 een bedrag van € 937,50 voor vergoeding in aanmerking komt.
2022
2.19.
De factuur van HMD Bouwservice (zakelijke gelden, bijlage 85) ziet op de aanschaf van ladegeleiders, hout en klein materiaal. [de man] heeft niet toegelicht waarvoor de producten waarop de factuur ziet zijn gebruikt. De rechtbank kan daarom ook niet vaststellen dat deze factuur ziet op een duurzame investering in de woning. Voor de facturen die zien op bestratingsmateriaal en via de bank zijn betaald (zakelijke gelden, bijlage 86) geldt dat deze wel hebben te gelden als duurzame investering in de (bij de) woning (behorende tuin). De gevorderde bedragen die hierop zien (€ 1.633,50 en € 4.900,50) kunnen worden toegewezen.
Dit leidt tot de conclusie dat over 2022 toewijsbaar is: € 6.534,-.
2023
2.20.
De factuur van Tegeldeal (zakelijke gelden, bijlage 92) ziet op 9x “VLT Revoir Paris, La Vilette Otto Noir, 20x20 cm”. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan de rechtbank niet vaststellen waarop deze betrekking heeft. Dit deel van de vordering wordt afgewezen. Zoals hiervoor reeds geoordeeld komen inbouwspots wel voor vergoeding in aanmerking, zodat de bon van Meegaled ten bedrage van € 81,45 (privé gelden, bijlage 94) voor vergoeding in aanmerking komt. Over het jaar 2023 heeft [de man] voor het overige diverse facturen overgelegd die zien op onder meer een magneetslot opbouw, antenne, elektrisch slot, kogelkraan, kniekoppeling, puntstuk VSH Super Knel, expansievat, T-stuk, schroefbuis en rubber ten behoeve van rookgasventilator (privé gelden, bijlagen 95 t/m 99 en 102). [de man] heeft niet toegelicht waarvoor de aangeschafte producten zijn gebruikt, zodat niet kan worden vastgesteld of sprake is van een duurzame investering in de woning of onderhoud waardoor deze niet kunnen worden toegewezen. Voor de post afdichtingsset van de vaatwasser/reparatie afdichting geldt dat dit niet als investering in de woning kan worden aangemerkt maar ziet op onderhoud van de woning. De gemaakte kosten van € 5.523,80 voor de aanschaf van de warmtepomp bij Macon Trading Group (zakelijke gelden, bijlage 93) hebben betrekking op een duurzame investering in de woning.
Daarmee kan over 2023 in beginsel een bedrag van € 5.605,25 worden toegewezen.
2024 (t/m 10 september 2024)
2.21.
Voor de vier facturen van Buurs BV, Ikea en Loodgietershop (zakelijke gelden, bijlage 103 en privé gelden bijlage 104A, 106 en 107) geldt dat deze onder meer zien op een T-stuk, kniekoppeling, gootsteenset, front, knelring, expansievat, cv buis. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt kan niet worden vastgesteld of deze zien op een duurzame investeringen in de woning of op onderhoud. Dit deel van de vordering wordt dan ook afgewezen. Zoals hiervoor reeds overwogen zien de gemaakte kosten voor de aanschaf en installatie van de warmtepomp wel op een investering in de woning. De factuur van [bedrijf] van € 629,20 (privé gelden, bijlage 104) heeft betrekking op de installatie van de warmtepomp, zodat die kan worden toegewezen.
Over het jaar 2024 kan daarmee in beginsel een bedrag van € 629,20 worden toegewezen.
Tussenconclusie investeringen [de man]
2.22.
De tussenconclusie hiervan is dat [de man] in beginsel recht heeft op vergoeding van de volgende bedragen:
2020: € 207,50
2021: € 937,50
2022: € 6.534,00
2023: € 5.605,25
2024:
€ 629,20
Totaal € 13.913,45
Subsidie vanwege warmtepomp
2.23.
Bij tussenvonnis van 18 maart 2026 heeft de rechtbank [de man] in de gelegenheid gesteld om bij akte informatie te verstrekken over de vraag of hij vanwege de aanschaf en installatie van de warmtepomp en/of vanwege andere in deze procedure gestelde investeringen subsidie heeft ontvangen en zo ja voor welk bedrag. In zijn akte uitlating heeft [de man] kenbaar gemaakt dat op 21 maart 2024 een subsidieaanvraag Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE) is verleend voor een bedrag van € 4.125,-. Dit bedrag dient naar het oordeel van de rechtbank in mindering te strekken op het bedrag dat [de man] uit eigen middelen in de woning heeft geïnvesteerd. Dit leidt ertoe dat [de man] in beginsel aanspraak heeft op een bedrag van € 9.788,45 (€ 13.913,45 - € 4.125,-).
Artikel 21 Rv Pro
2.24.
[de vrouw] stelt zich op het standpunt dat [de man] zich schuldig heeft gemaakt aan een bijzonder ernstige en grove schending van de waarheidsplicht van artikel 21 Rv Pro, waarbij bovendien evident sprake is van opzet. Dit moet er volgens [de vrouw] toe leiden dat de vorderingen van [de man] moeten worden afgewezen.
2.25.
De rechtbank constateert met [de vrouw] dat [de man] in deze procedure niet alle feiten volledig en naar waarheid heeft aangevoerd. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om hieraan het gevolg te verbinden dat de vordering van [de man] die betrekking heeft op de door hem gestelde vergoedingsrechten integraal moet worden afgewezen.
[de vrouw] stelt dat zeer goed mogelijk is dat [de man] meer subsidies heeft ontvangen dan enkel de subsidie vanwege de aanschaf en installatie van de warmtepomp. Voor de overige investeringen waarvan de rechtbank vergoeding toewijsbaar acht geldt evenwel dat deze geen betrekking hebben op verduurzamingsmaatregelen ten behoeve van de woning, zodat voor de beoordeling van de vergoedingsvorderingen van [de man] niet relevant is of hij ook subsidies heeft ontvangen voor andere verduurzamingsmaatregelen. Dit verweer wordt dan ook verworpen.
Belastingvoordeel
2.26.
[de vrouw] voert aan dat [de man] ten onrechte de aftrek voorbelasting en belastingteruggaves met betrekking tot zijn investeringen niet heeft vermeld. [de man] heeft tijdens de mondelinge behandeling onbetwist gesteld dat hij vanuit zijn onderneming gelet op de branche waarin hij met zijn onderneming actief is (gezondheidszorg) geen btw hoeft af te dragen en ook geen btw terugkrijgt. Gelet daarop kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangenomen dat sprake is van niet vermelde belastingteruggaves. Dit verweer van [de vrouw] wordt dan ook verworpen.
Eindconclusie investeringen [de man]
2.27.
Dit leidt tot de eindconclusie dat een bedrag van € 9.788,45 toewijsbaar is. De rechtbank zal bepalen dat dit bedrag na verkoop van de gezamenlijke woning en aflossing van de op dat moment openstaande hypothecaire leningen en aftrek van kosten verbonden aan verkoop van de woning allereerst uit de overwaarde aan [de man] toekomt.
Vergoedingsrecht [de vrouw]
2.28.
Partijen zijn het erover eens dat [de vrouw] een bedrag van € 22.123,97 heeft geïnvesteerd in de woning en dat zij dat bedrag uit de overwaarde dient te ontvangen alvorens de overwaarde bij helfte wordt gedeeld. In het gevorderde onder V maakt [de vrouw] aanspraak op een bedrag van € 25.917,19. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [de vrouw] verklaard haar aanspraak te beperken tot het door [de man] erkende bedrag van € 22.123,97. De rechtbank zal bepalen dat dit bedrag na verkoop van de woning, aflossing van de hypothecaire leningen en aftrek van de verkoopkosten allereerst uit de overwaarde aan [de vrouw] toekomt.
c. Gebruiksvergoeding/maandelijkse hypothecaire lasten
2.29.
[de vrouw] maakt (onder VI in conventie) aanspraak op een gebruiksvergoeding. [de man] vordert onder 7 in reconventie dat [de vrouw] gehouden is de (helft van de per maand verschuldigde) hypotheeklasten aan [de man] te voldoen. Het maandelijkse bedrag waarop [de vrouw] aanspraak maakt bedraagt € 477,35 per maand. Het bedrag waarop [de man] aanspraak maakt bedraagt € 550,- per maand. De rechtbank overweegt als volgt.
Gebruiksvergoeding
2.29.1.
Artikel 18 lid 2 SOV Pro bepaalt:
(TIJDELIJKE) VOORTZETTING WOONGENOT EIGEN WONING
Artikel 18
2. Indien de woning aan beide partijen toebehoort of toebehoort aan de partij, die niet in de woning blijft wonen, dient de partij die blijft wonen over de bedoelde periode aan de ander een, eventueel door de voorzieningenrechter vast te stellen, redelijke vergoeding te betalen.
2.29.2.
[de man] heeft sinds de datum van de verbreking van de samenwoning het exclusieve gebruik van de woning; [de vrouw] verblijft sindsdien elders. Uit artikel 18 lid 2 SOV Pro (in combinatie met het bepaalde in artikel 3:169 BW Pro) volgt dat [de vrouw] daarom recht heeft op een schadeloosstelling in de vorm van een gebruiksvergoeding. Ten aanzien van de hoogte van de gebruiksvergoeding geldt dat in de rechtspraak geen eenduidige richtlijn te vinden is voor wat betreft de wijze waarop de hoogte ervan moet worden vastgesteld. Het door [de vrouw] genoemde percentage van 2,5% van de overwaarde wordt in jurisprudentie met regelmaat tot uitgangspunt genomen voor de berekening van de gebruiksvergoeding. [5] De rechtbank zal daar ook in dit geval aansluiting bij zoeken.
2.29.3.
Voor wat betreft de berekening van de overwaarde gaat de rechtbank uit van de door [de vrouw] genoemde waarde van de woning van € 850.000,-. De rechtbank volgt [de man] niet in zijn stelling dat moet worden uitgegaan van een woningwaarde van € 720.000,-. De door [de man] genoemde waarde is gebaseerd op een taxatie die is uitgevoerd in 2021 (waarbij is uitgegaan van afronding van de verbouwing). Gelet op de ontwikkelingen op de woningmarkt vanaf 2021 acht de rechtbank het redelijk om aan te knopen bij de door [de vrouw] genoemde waarde.
Dit leidt tot de volgende berekening van de overwaarde:
Waarde woning: € 850.000,00
Hypotheek: (stand per 1-10-2025) € 416.942,97
Vergoedingsrecht [de vrouw] : € 22.123,97
Vergoedingsrecht [de man] : € 9.788,45
Resterende overwaarde: € 401.144,61
Overwaarde per deelgenoot: € 200.572,30
2.30.
Het bedrag waarop [de vrouw] per jaar recht heeft vanwege gebruiksvergoeding komt daarmee uit op € 5.014,31 per jaar (2,5% van € 200.572,30). Dit komt neer op een bedrag van afgerond € 418,- per maand.
Maandelijkse hypotheeklasten
2.31.
[de man] stelt zich op het standpunt dat [de vrouw] met ingang van 1 februari 2025 bij dient te dragen aan de hypothecaire lasten van de woning. Hij vordert veroordeling van [de vrouw] tot betaling van een bedrag van € 550,- per maand nu zij dit bedrag ook tot die datum heeft betaald als bijdrage in de hypothecaire kosten en verplichtingen die met de
gezamenlijke woning samenhangen.
Naar het oordeel van de rechtbank is [de vrouw] als mede-eigenaar van de woning ook na de verbreking van de samenwoning gehouden om bij te dragen aan de eigenaarslasten. [de man] beperkt zijn vordering tot de hypotheeklasten. Uit het door [de man] overgelegde overzicht (productie 3 bij conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie) volgt dat het maandbedrag in oktober 2025 aan hypotheek (inclusief rente) € 1.067,60 bedroeg. Een bedrag van € 163,94 daarvan zag op een aflossingsvrij deel en is dus rente. Het overige maandelijkse bedrag van € 903,66 heeft betrekking op een niet aflossingsvrij (lineair) deel van de hypotheek. Door [de man] is niet inzichtelijk gemaakt welk deel van dat bedrag betrekking heeft op hypotheekrente en welk deel op aflossing. Onduidelijk is dus over welk deel van het termijnbedrag [de man] belastingvoordeel genoot. [de man] heeft omtrent de netto-hypotheeklast (in oktober 2025) geen informatie verstrekt. Ook geeft [de man] geen inzicht verstrekt in de hoogte van de termijnbetalingen vanaf 1 februari 2025. Dit had wel op zijn weg gelegen. Nu hij dit heeft nagelaten begroot de rechtbank de netto hypotheeklast op € 666,-, per maand. De rechtbank heeft hiervoor een fictieve berekening gemaakt, waarbij het termijnbedrag van oktober 2025 als uitgangspunt is genomen en er vanuit is gegaan dat het gehele termijnbedrag uit rente bestaat en dat maximale belastingaftrek wordt genoten. [de vrouw] dient derhalve met ingang van 1 februari 2025 € 333,- bij te dragen in de hypotheeklasten.
Gedeeltelijk wegstrepen en gebruiksvergoeding
2.32.
Dit leidt ertoe dat over en weer maandelijks aan elkaar verschuldigde bedragen gedeeltelijk tegen elkaar kunnen worden weggestreept en dat [de man] nog een bedrag van € 418,- minus € 333,- =) € 85,- per maand aan [de vrouw] dient te betalen aan gebruiksvergoeding.
Periode 11 september 2024 tot 1 februari 2025
2.33.
De rechtbank stelt vast dat [de vrouw] vanaf datum 11 september 2024 een gebruiksvergoeding vordert, terwijl [de man] vordert om [de vrouw] met ingang van 1 februari 2025 te veroordelen tot betaling van de helft van de hypothecaire maandlasten (omdat [de vrouw] tot die datum wel maandelijks heeft bijgedragen). [de man] heeft geen verweer gevoerd tegen de door [de vrouw] gevorderde ingangsdatum, zodat de rechtbank die als uitgangspunt zal nemen. Nu de periode niet geheel overeenstemt kunnen de gevorderde bedragen niet over de gehele periode gedeeltelijk tegen elkaar worden weggestreept. De rechtbank oordeelt dat [de man] gehouden is om aan [de vrouw] - over de periode 11 september 2024 tot 1 februari 2025 - een bedrag van € 418,- per maand aan gebruiksvergoeding te voldoen. Dit komt neer op een bedrag van in totaal € 1.881,- (4,5 maand x € 418,-).
d. Inboedel
2.34.
[de vrouw] vordert dat [de man] wordt veroordeeld om alle goederen zoals opgenomen op de door haar als productie 11 bij dagvaarding overgelegde lijst aan haar af te geven. De rechtbank stelt vast dat productie 11 een lijst betreft met concreet aangeduide goederen. [de man] heeft bij conclusie van antwoord aangevoerd dat hij geen behoefte heeft aan de door [de vrouw] genoemde spullen. [6] Ook vermeldt [de man] dat de lijst nog door hem zou worden bekeken. [7] [de man] heeft echter geen concreet verweer gevoerd tegen de in productie 11 genoemde goederen. De enkele algemene stelling dat er al zaken die op de lijst staan zijn afgegeven aan [de vrouw] is onvoldoende. Tijdens de zitting heeft [de man] nog aangevoerd dat hij de indruk heeft dat [de vrouw] de gehele inboedel wil verkrijgen. Het had echter op de weg van [de man] gelegen om op basis van de door [de vrouw] overgelegde lijst concreet verweer te voeren. De vordering onder VII in conventie kan dan ook worden toegewezen. [de vrouw] heeft onbetwist gesteld dat [de man] ook na het vonnis van 20 februari 2025 waarin hij is veroordeelt tot afgifte van zaken, niet alle goederen heeft afgegeven. De rechtbank ziet daarom aanleiding om aan de veroordeling een dwangsom te verbinden zoals in het dictum is bepaald.
2.35.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [de man] voor het eerst aangevoerd dat een Volkswagen (VW) Passat tot de boedel behoort en gevorderd dat die ter beschikking moet worden gesteld en overgedragen moet worden aan hem. [de vrouw] heeft gesteld dat deze vordering te vaag is. De rechtbank overweegt dat [de man] deze vordering niet onderbouwt. Hij verstrekt geen enkele informatie over de aankoop, de waarde en de eigendom van de VW Passat. Bovendien heeft hij eerder in de procedure de aankoop van een auto als investering in de woning opgevoerd (productie 6 bij conclusie van antwoord tevens eis in reconventie) en vergoeding daarvan gevraagd. Daarop heeft de rechtbank reeds beslist.
Onduidelijk is verder of [de man] van mening is dat de VW Passat in de verdeling moet worden betrokken of dat hij zich beroept op revindicatie (of een andere rechtsgrond). Hij vraagt immers niet om toedeling van de VW Passat aan hem (al dan niet tegen een bepaalde waarde) maar om afgifte, maar stelt wel dat de auto onderdeel uitmaakt van de boedel. Het had op de weg van [de man] gelegen om eerder, maar vooral duidelijk een standpunt in te nemen over de VW Passat, met name over of (en zo nee, waarom niet), op welke wijze en tegen welke waarde genoemde auto in de verdeling moet worden betrokken of dat de auto om een andere reden aan hem ter beschikking zou moeten worden gesteld. Dat hij dat heeft nagelaten komt voor zijn rekening en risico. De rechtbank zal de gevorderde terbeschikkingstelling en overdracht van de auto dan ook afwijzen.
e. Bankrekeningen
2.36.
Tussen partijen is niet in geschil dat het saldo dat op 11 september 2024 op de bankrekening met [rekeningnummer 1] stond (€ 2.220,04) op grond van artikel 9 SLO Pro bij helfte moet worden verdeeld. Ook zijn partijen het erover eens dat zij ten aanzien van de reeds opgeheven bankrekening met [rekeningnummer 2] niets meer van elkaar te vorderen hebben. De vordering onder VIII in conventie kan daarmee worden toegewezen.
f. Kosten van huishouding
2.37.
Onder 8 in reconventie vordert [de man] kort gezegd om te bepalen dat [de vrouw] gehouden is een bedrag van € 37.586,76 aan [de man] te voldoen uit hoofde van het onvoldoende bijdragen naar rato van inkomen in de kosten van huishouding. De rechtbank stelt vast dat deze vordering ziet op maandelijkse hypotheekbetalingen en aan BsGW betaalde kosten. Partijen zijn het erover eens dat deze kosten vallen onder “kosten van de huishouding” als bedoeld in artikel 3 SLO Pro. Artikel 3 lid 1 bepaalt Pro dat partijen naar evenredigheid van ieders inkomen de kosten van de gemeenschappelijke huishouding dragen. Lid 4 van het artikel bepaalt:
Indien een partij in een kalenderjaar meer heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding dan die partij op grond van het bepaalde in dit artikel moet dragen, vindt geen verrekening plaats.
2.38.
Gelet op het bepaalde in lid 4 valt naar het oordeel van de rechtbank niet in te zien op grond waarvan [de man] desalniettemin kan maken op verrekening. Door [de man] zijn geen argumenten aangevoerd die ertoe zouden moeten leiden dat van hetgeen partijen zijn overeengekomen in de SLO moet worden afgeweken. Voor de volledigheid wijst de rechtbank partijen nog op het bepaalde in art. 10 SLO Pro. De vordering onder 8 in reconventie wordt dan ook afgewezen.
g. Partnerpensioen
2.39.
Partijen zijn het erover eens dat [de vrouw] op grond van artikel 20 SLO Pro in het kader van partnerpensioen gehouden is een aantal handelingen te verrichten richting haar pensioenuitvoerders. De rechtbank zal de vordering onder 10 in reconventie dan ook toewijzen. [de vrouw] heeft onweersproken gesteld dat zij nooit eerder door [de man] is verzocht hieraan medewerking te verlenen en zij heeft in deze procedure erkend dat zij gehouden is hieraan mee te werken. In die omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding om de op dit punt door [de man] gevorderde dwangsom af te wijzen.
Proceskosten
2.40.
Omdat partijen ex-partners van elkaar zijn worden de proceskosten gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

3.De beslissing

De rechtbank
In conventie en in reconventie
3.1.
bepaalt dat na verkoop van de gezamenlijke woning, aflossing van de op dat moment openstaande hypothecaire leningen en aftrek van de aan de verkoop en levering verbonden kosten:
- uit de overwaarde allereerst
o aan [de vrouw] toekomt een bedrag van € 22.123,97,
o aan [de man] toekomt een bedrag van € 9.788,45,
- waarna ten aanzien van de resterende overwaarde iedere partij recht heeft op de helft van die resterende overwaarde,
3.2.
veroordeelt [de man] om aan [de vrouw] te voldoen een gebruiksvergoeding:
  • ter hoogte van in totaal € 1.881,- over de periode 11 september 2024 tot 1 februari 2025,
  • ter hoogte van € 85,- per maand, met ingang van 1 februari 2025 tot het moment van eigendomsoverdracht van de gemeenschappelijke woning aan een derde,
3.3.
veroordeelt [de man] om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis alle goederen zoals opgenomen op de door [de vrouw] overgelegde lijst als productie 11 bij dagvaarding aan [de vrouw] af te geven,
3.4.
bepaalt dat [de man] aan [de vrouw] een dwangsom verbeurt van € 100,- euro voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [de man] na betekening van dit vonnis in gebreke blijft aan het bepaalde in de veroordeling onder 3.3. te voldoen, met een maximum van € 20.000,-,
3.5.
bepaalt dat ieder der partijen de helft toekomt van het saldo ter hoogte van € 2.220,04 dat zich op 11 september 2024 bevond op de en/of rekening van partijen met [rekeningnummer 1] en beveelt partijen tot verdeling van dit saldo over te gaan,
3.6.
bepaalt dat [de vrouw] indachtig artikel 20 SLO Pro alle handelingen zal verrichten die nodig zijn en die worden gesteld door de pensioenuitvoerders om invulling te geven aan de door partijen overeengekomen aanwijzing van elkaar als gerechtigden tot het opgebouwde partnerpensioen.
3.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.8.
wijst het meer of anders gevorderde af,
3.9.
compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. Roeffen en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.

Voetnoten

1.zie onder meer HR 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:707
2.uit Boek 3 BW (artikel 3:321 lid 1 sub a en Pro sub g BW)
4.Verwijzing naar bijlage uit productie 9 bij akte overlegging producties 9 en 10. Hierna zal verwijzing naar bijlagen uit deze productie plaatsvinden door het enkel aanduiden van de betreffende bijlage
5.o.a. Rechtbank Rotterdam, ECLI:NL:RBROT:2021:3027, Rechtbank Gelderland 9 juli 2025,
6.Randnummer 36 conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie
7.Randnummer 35 conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie