Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
de burgemeester van de gemeente Heerlen
Samenvatting
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
kennelijke doelom in
de openbare ruimte(binnen de gemeente) verdovende middelen af te leveren, aan te bieden, te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te middelen. Als geen sprake is van dat kennelijke doel, is geen sprake van een overtreding en kan de burgemeester ook niet optreden. Het is niet nodig dat, zoals eiser lijkt te veronderstellen, daadwerkelijk sprake is van handel. [3] Dat sprake is van het kennelijke doel moet door de burgemeester worden onderbouwd. Daarbij mag hij, onverminderd zijn eigen verantwoordelijkheid om bewijs vast te stellen, in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller hiervan weergeven. [4] Het kennelijke doel om verdovende middelen te verhandelen kan blijken uit ervaringsfeiten en concrete omstandigheden zoals het aanspreken van voorbijgangers en het waarnemen van transacties. Uit de rechtspraak van de hoogste rechter in dit soort zaken kan worden opgemaakt dat overtreding van (een soortgelijke bepaling uit) de APV doorgaans bewezen wordt geacht als sprake is van verklaringen van getuigen dat verdovende middelen worden verhandeld en er handelingen zijn waargenomen die worden herkend als dealergedrag. [5]
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de beslissing op bezwaar van 14 oktober 2024;
- herroept de last onder dwangsom van 13 augustus 2024;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.