ECLI:NL:RBLIM:2026:5465

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
C/03/341135 / HA ZA 25-179
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Rulkens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:248 BWArt. 2:9 BWArt. 6:162 BWArt. 2:11 BWArt. 42 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurdersaansprakelijkheid curator grotendeels afgewezen in faillissement startende onderneming

De curator in het faillissement van een startende onderneming vorderde bestuurdersaansprakelijkheid wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur en onrechtmatig handelen. De onderneming ontwikkelde een innovatief product maar leed aanzienlijke verliezen en ging failliet.

De rechtbank oordeelde dat het niet realiseren van winst en het lijden van verliezen niet automatisch onbehoorlijk bestuur betekent. De curator had onvoldoende concrete feiten gesteld om te bewijzen dat het bestuur onredelijk of roekeloos had gehandeld. De financieringsvoorwaarden waren marktconform en de gemaakte kosten noodzakelijk voor een startende onderneming.

Wel werd vastgesteld dat betalingen na 9 januari 2024, toen het faillissement onafwendbaar was, onzorgvuldig waren en het bestuur daarvoor aansprakelijk is. De curator kreeg daarom een veroordeling tot betaling van € 15.039,95 toegewezen. De vorderingen tot vernietiging van transacties en teruglevering van een bedrijfsauto werden afgewezen wegens onvoldoende bewijs van benadeling.

De beslagkosten werden toegewezen aan de curator en de proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De vorderingen tot opheffing van beslag werden afgewezen omdat de curator deels in het gelijk werd gesteld.

De rechtbank concludeerde dat de curator onvoldoende bewijs had geleverd voor de meeste vorderingen en dat het bestuur niet kennelijk onbehoorlijk had gehandeld, behalve ten aanzien van de selectieve betalingen na de peildatum.

Uitkomst: Bestuurders aansprakelijk voor selectieve betalingen na peildatum faillissement, overige vorderingen afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/341135 / HA ZA 25-179
Vonnis van 10 juni 2026
in de zaak van
[de curator] Q.Q.
in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [eiser in conventie] ,
te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
advocaat: mr. P.G.M. Brouwer,
tegen

1.[gedaagde in conventie 1] ,

te [plaats 2] ,
2.
[gedaagde in conventie 2] B.V.,
te [plaats 2] ,
3.
[gedaagde in conventie 3] B.V.,
te [plaats 2] ,
4.
[gedaagde in conventie 4] B.V.,
te [plaats 2] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
advocaat: mr. R.M. de Hair.
Partijen zullen hierna de curator (eiser in conventie), [gedaagde in conventie 1] (gedaagde in conventie sub 1), de Holding (gedaagde in conventie sub 2), [gedaagde in conventie 3] (gedaagde in conventie sub 3), [gedaagde in conventie 4] (gedaagde in conventie sub 4) en [gedaagden in conventie] (alle gedaagden in conventie gezamenlijk) worden genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
  • het incidenteel vonnis van 3 september 2025
  • de akte overlegging producties 56 t/m 58 en vermeerdering c.q. verandering van eis van de curator
  • de akte overlegging producties 14 t/m 24 van [gedaagden in conventie]
  • de mondelinge behandeling van 21 januari 2026 ter gelegenheid waarvan aan de zijde van de curator en aan de zijde van [gedaagden in conventie] spreekaantekeningen zijn overgelegd.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
In 2009 is [eiser in conventie] BV (hierna: [eiser in conventie] ) opgericht, destijds onder de naam [B.V.] . Enig aandeelhouder en bestuurder was [gedaagde in conventie 4] . Enig aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde in conventie 4] is de Holding. Enig aandeelhouder en bestuurder van de Holding is [gedaagde in conventie 1] .
2.2.
Op 10 mei 2021 hebben [eiser in conventie] en haar zustervennootschap [zustervennootschap] BV (hierna: [zustervennootschap] ) als huurders en mevrouw [verhuurder] als verhuurder een huurovereenkomst gesloten betreffende een kantoorpand met opslag, ingaande per 1 juni 2021 met een looptijd van 10 jaar. De overeengekomen huurprijs bedroeg € 3.666,30 voor beide vennootschappen samen. [eiser in conventie] en [zustervennootschap] hebben zich over en weer verbonden tot nakoming van de verplichtingen uit de huurovereenkomst indien en voor zover één van beiden daar niet langer toe in staat zou zijn.
2.3.
Op 19 mei 2021 is de naam van [B.V.] gewijzigd in [eiser in conventie] BV, waarbij de aandelen in het kapitaal van [eiser in conventie] zijn overgedragen aan [gedaagde in conventie 3] , die tevens tot enig statutair bestuurder is benoemd. De heer [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) en [gedaagde in conventie 1] zijn ieder houder van 50% van de aandelen in [gedaagde in conventie 3] . [gedaagde in conventie 1] is statutair bestuurder van [gedaagde in conventie 3] .
2.4.
[eiser in conventie] drijft een onderneming in de verkoop en distributie van tafelonderstellen voorzien van het “Smart Level System” en daaraan gerelateerde producten. De technologie van het Smart Level System is ontwikkeld door [persoon 1] en bestemd om ‘wiebelende’ tafels tegen te gaan. Doel van de technologie is om oneffenheden in de ondergrond op te heffen, zodat een stabiele en rechte basis ontstaat. Het doel van [eiser in conventie] was onder meer om een verstelbaar tafelonderdeel te vermarkten voor terrastafels in de horeca. Het productie- en logistieke proces had [eiser in conventie] uitbesteed aan Perla Alucast. Marketing en sales werden door [eiser in conventie] verzorgd.
2.5.
Op 15 juni 2021 hebben [eiser in conventie] en [bedrijf 1] BV (hierna: [bedrijf 1] ) een overeenkomst van achtergestelde geldlening gesloten. [eiser in conventie] heeft een bedrag van € 150.000,- geleend van [bedrijf 1] tegen een rente van 6% per jaar. Tot zekerheid van nakoming van de verplichtingen uit hoofde van die geldleningsovereenkomst is ten gunste van [bedrijf 1] een pandrecht gevestigd op de door [eiser in conventie] nog te verkrijgen octrooirechten inzake het Smart Level System.
2.6.
[persoon 1] en [gedaagde in conventie 1] hebben in de periode 2017 tot en met 2021 gewerkt aan de (verdere) ontwikkeling van het Smart Level System. Op 28 juli 2021 is een octrooiaanvraag ingediend voor het Smart Level System, welk octrooi op 2 februari 2023 aan [gedaagde in conventie 3] is verleend. [gedaagde in conventie 3] heeft het octrooirecht ingebracht in [eiser in conventie] .
2.7.
De ontwikkeling en vermarkting verliep minder voorspoedig dan verwacht. In 2021 leed [eiser in conventie] een verlies van € 154.538,-.
2.8.
Na uitgifte van aandelen in het kapitaal van [eiser in conventie] zijn de aandeelhoudersverhoudingen in 2022 gewijzigd. De aandeelhouders in [eiser in conventie] waren op dat moment [gedaagde in conventie 3] (50,1%), Capital Securities 2 BV (24,99%) (hierna: Capital Securities) en [bedrijf 1] (25%). In april 2022 hebben [gedaagde in conventie 1] , [gedaagde in conventie 3] (vertegenwoordigd door [gedaagde in conventie 1] ), de heer [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ), Capital Securities (vertegenwoordigd door [persoon 2] ), de heer [persoon 3] (hierna: [persoon 3] ), [bedrijf 1] (vertegenwoordigd door [persoon 3] ), [persoon 1] en [eiser in conventie] een aandeelhoudersovereenkomst gesloten. In de aandeelhoudersovereenkomst is onder meer opgenomen dat de financierings- en werkkapitaalbehoefte van [eiser in conventie] € 850.000,- bedraagt, waarin wordt voorzien door kapitaalstortingen, uitgifte van aandelen en achtergestelde geldleningen verstrekt door Capital Securities, [bedrijf 1] en [gedaagde in conventie 3] .
2.9.
Door [eiser in conventie] is op 4 juli 2023 een bedrijfsauto aangekocht merk BMW, model 520 D met kenteken [kenteken] (hierna: de bedrijfsauto), voor een koopsom van € 14.500,-.
2.10.
[eiser in conventie] realiseerde niet de verwachte resultaten. In dat kader bericht [gedaagde in conventie 1] bij e-mail van 1 augustus 2023 aan [persoon 1] , [persoon 3] en [persoon 2] (eventuele typ- en spelfouten overgenomen):
“In mijn optiek zit er echt wel muziek in [eiser in conventie] maar zijn de kosten in deze fase van de groei veel te hoog. Dit heeft zoals ik al eerder heb aangegeven alles te maken met de aanschaf van de voorraad van de [eiser in conventie] onderstellen.
Zoals jullie in het overzicht kunnen zien heb ik afgelopen week nog 100.000 euro gestort vanuit [gedaagde in conventie 4] . ( BV [naam 4] )
Concreet betekent dat we met zijn allen 750.000 euro aan leningen hebben verstrekt in [eiser in conventie] . ( [naam 1] en [naam 2] 200.000 euro, [naam 3] 255.000 en [gedaagde in conventie 3] / [naam 4] 295.000 euro) Dat betekent dat er momenteel heel veel rente uitgekeerd dient te worden. Geld wat er nu niet is.Hetzelfde geldt voor de huur die [naam 1] en [naam 2] nog moeten krijgen.
Het zou natuurlijk heel erg helpen wanneer die deal met [bedrijf 2] door zou gaan. Echter is dat momenteel nog geen zekerheid.
Even los van dat ik er niet alle verstand van heb en of dit kan wil ik jullie een aantal opties voorhouden:
• leningen omzetten in aandelenkapitaal. Volgens mij is dat voor de onderneming een veel gezondere situatie.
• De situatie dit jaar nog aankijken en de schulden laten oplopen.
• Externe investeerder erbij gaan zoeken.
• Kopen of verkopen van aandelen.”
2.11.
Op 10 oktober 2023 is de actuele marktwaarde van de bedrijfsauto door [bedrijf 3] getaxeerd op € 8.200,-. Per diezelfde dag is de bedrijfsauto overgenomen door [gedaagde in conventie 1] in privé tegen betaling van een koopsom van € 8.200,-. De omschrijving op de verkoopfactuur vermeldt: “BMW 520 D [kenteken] / auto heeft rondom schade”.
2.12.
Bij e-mail van 8 november 2023 bericht [gedaagde in conventie 1] aan [persoon 3] , [persoon 2] en [persoon 1] dat er in de kosten gesneden moet worden, dat de arbeidsovereenkomsten met de vrouw en zoon van [gedaagde in conventie 1] middels een vaststellingsovereenkomst is beëindigd en dat [gedaagde in conventie 1] bereid is om zijn managementvergoeding te verlagen. [gedaagde in conventie 1] doet een beroep op de bereidheid van de medeaandeelhouders om in de kosten te snijden en waarschuwt voor de gevolgen van een faillissement van [eiser in conventie] . [1]
2.13.
[eiser in conventie] staakt vervolgens de salarisbetalingen aan [persoon 1] , waarna tussen partijen een gerechtelijke procedure is gevoerd. Bij vonnis van 21 december 2023 heeft de kantonrechter [eiser in conventie] onder meer veroordeeld om aan [persoon 1] het achterstallige loon te betalen. Door [eiser in conventie] is niet aan die veroordeling voldaan.
2.14.
In de notulen van de aandeelhoudersvergadering van 9 januari 2024 is vastgelegd (eventuele typ- en spelfouten overgenomen):
“ [gedaagde in conventie 1] geeft wederom aan dat wat hem betreft de situatie van [eiser in conventie] zich eenvoudig laat uitleggen. Er is een groot tekort aan liquiditeit in [eiser in conventie] en dit probleem is onoplosbaar door verschillende zienswijzen. Na een half jaar gesprekken is duidelijk dat dhr. [persoon 1] en dhr. en mevr. [persoon 3] vinden dat liquiditeitsproblemen opgelost moeten worden door meer verkoop.
Dhr. [gedaagde in conventie 1] en dhr. [persoon 2] achten dit onmogelijk omdat er geen deugdelijk product is en dat er tevens ook gigantisch gesneden moet worden in de kosten.”
2.15.
Bij e-mail van 9 januari 2024 bericht [gedaagde in conventie 1] aan [persoon 1] , [persoon 2] en de echtelieden [persoon 3] (eventuele typ- en spelfouten overgenomen):
“De conclusie van [naam 4][rb: [gedaagde in conventie 1] ]
en [naam 3][rb: [persoon 2] ]
is dat de problemen met verkoop niet op te lossen zijn wanneer er niet gigantisch gesneden wordt in de kosten.
Het is duidelijk dat [persoon 4][rb: [persoon 1] ]
met zijn loondienstverband en [naam 1] en [naam 2][rb: echtelieden [persoon 3] ]
met de huurovereenkomst en de achtergestelde leningen niet bereid zijn tot concessies.
Hieruit concluderend blijft er niets anders over dan het faillissement aan te gaan vragen.
[gedaagde in conventie 1] zal een afspraak inplannen met zijn advocaat om de faillissement aanvraag in gang te gaan zetten.
P.s. [naam 4][rb: [gedaagde in conventie 1] ]
heeft alle aandeelhouders er nog op gewezen dat er een factuur ligt van 5.280,50 euro incl. Btw ter continuatie van het patent met [kenmerk] aanvraagnr. / octrooinummer: [nummer] . [naam 4] heeft hierbij aangegeven dat [eiser in conventie] niet in staat is om deze rekening te betalen. Wanneer dit niet betaald wordt zal het patent automatisch verlopen.”
2.16.
[persoon 1] heeft als schuldeiser op 30 januari 2024 het faillissement van [eiser in conventie] aangevraagd.
2.17.
Op 20 februari 2024 is het faillissement van [eiser in conventie] uitgesproken met aanstelling van de curator tot curator.
2.18.
Op 6 december 2024 is aan de curator verlof verleend tot het leggen van conservatoir beslag ten laste van de Holding voor een bedrag van € 21.970,- en ten laste van [gedaagde in conventie 1] voor een bedrag van € 325.000,-.
2.19.
Op 19 september 2025 is aan de curator verlof verleend tot het leggen van conservatoir beslag ten laste van [gedaagde in conventie 4] voor een bedrag van € 698.555,22.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
De curator vordert na eiswijziging dat de rechtbank bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
( i) [gedaagden in conventie] , ieder hoofdelijk, zal veroordelen tot betaling van het tekort in het faillissement van [eiser in conventie] op grond van artikel 2:248 BW Pro, nader op te maken bij staat overeenkomstig het bepaalde in artikel 2:248 lid 5 BW Pro, en ook artikel 612 e.v. Rv, te vermeerderen met wettelijke rente;
Subsidiair:
( ii) [gedaagden in conventie] , ieder hoofdelijk, zal veroordelen tot betaling van alle schade die het gevolg is van hun onrechtmatig handelen jegens [eiser in conventie] en/of haar gezamenlijke schuldeisers op grond van art. 2:9 BW Pro en/of art. 6:162 BW Pro, op te maken bij staat overeenkomstig het bepaalde in artikel 612 e.v. Rv., te vermeerderen met wettelijke rente;
Primair en subsidiair:
  • iii) De Holding en [gedaagde in conventie 1] , te veroordelen tot betaling van de beslagkosten voor een bedrag begroot op € 1.972,89 inclusief btw en € 1,643.01
  • iv) [gedaagde in conventie 4] zal veroordelen tot betaling van de beslagkosten voor een bedrag begroot op € 1.458,64 inclusief btw en € 1.354,97 exclusief btw;
  • v) [gedaagden in conventie] , ieder hoofdelijk, zal veroordelen tot betaling van een voorschot van € 100.000,00;
  • vi) zal verklaren voor recht dat de curator de paulianeuze transacties tot een bedrag van € 16.900,87 rechtsgeldig heeft vernietigd, althans deze transacties alsnog zal vernietigen, met veroordeling van de Holding en [gedaagde in conventie 1] , ieder hoofdelijk, tot betaling aan de boedel van een bedrag van € 16.900,87, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van onttrekking tot aan de dag der algehele voldoening;
  • vii) zal verklaren voor recht dat de curator de koopovereenkomst tussen [eiser in conventie] en [gedaagde in conventie 1] met betrekking tot de personenauto, merk BMW, kenteken [kenteken] , rechtsgeldig heeft vernietigd, althans deze koopovereenkomst alsnog zal vernietigen, en [gedaagde in conventie 1] zal veroordelen om binnen veertien dagen na dit vonnis de auto aan de curator terug te leveren, zulks op straffe van verbeurte van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom, dan wel - indien teruglevering niet (meer) mogelijk blijkt - [gedaagde in conventie 1] zal veroordelen tot betaling aan de boedel van een schadevergoeding gelijk aan de waarde van de auto op het moment van de onttrekking daarvan aan de boedel, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf die datum tot aan de dag der algehele voldoening;
  • viii) [gedaagden in conventie] , ieder hoofdelijk, zal veroordelen in de kosten van het geding, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, en - voor het geval voldoening van de kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de kosten te rekenen vanaf de bedoelde termijn voor voldoening.
3.2.
De curator heeft tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd toegelicht dat de onder vi ingestelde vorderingen zijn bedoeld als
meersubsidiaire vorderingen, nu de rechtshandelingen die als vermeend paulianeuze handelingen zijn opgevoerd tevens als onderbouwing van de subsidiaire vordering (gebaseerd op artikel 2:9 BW Pro en 6:162 BW) zijn aangedragen. De rechtbank zal de vordering onder vi dan ook als meer subsidiaire vordering behandelen.
3.3.
De curator heeft aan zijn vorderingen onder meer ten grondslag gelegd dat
[eiser in conventie] een te grote voorraad aanhield, te hoge (financierings)kosten had en onvoldoende inkomsten uit verkoop genereerde. Uitgaven zouden uiteindelijk met name aan [gedaagde in conventie 1] ten goede komen door rentebetalingen op door hem verstrekte geldleningen alsmede salarisbetalingen aan zijn vrouw en zoon die voor [eiser in conventie] werkzaam waren. [eiser in conventie] noteerde als gevolg daarvan verliezen in 2021 van € 154.538,- en in 2022 van € 238.550,-. Door [gedaagde in conventie 1] is een te rooskleurig beeld geschetst richting de aandeelhouders, waaraan bovendien niet alle informatie is verstrekt. [gedaagde in conventie 1] had eerder in de kosten moeten snijden en het faillissement aan moeten vragen. Bovendien zou [gedaagde in conventie 1] in het zicht van het naderende faillissement selectieve betalingen hebben gedaan die ten gunste kwamen aan hemzelf en de bedrijfsauto hebben overgenomen voor minder dan de marktwaarde zodat [eiser in conventie] als gevolg daarvan schade heeft geleden dan wel is benadeeld.
3.4.
[gedaagden in conventie] voeren verweer en betwisten dat er louter sprake was van betalingen door [eiser in conventie] die (indirect) aan [gedaagden in conventie] toekwamen. De curator houdt er voorts onvoldoende rekening mee dat [eiser in conventie] een startende onderneming was, die een nieuw product ontwikkelde en probeerde te vermarkten. Het daarvoor benodigde kapitaal werd deels door [gedaagden in conventie] gefinancierd en deels door leningen van derden. Financiering vond plaats tegen marktconforme voorwaarden, gelet op het feit dat het hier een risicodragende financiering van een startup betrof. Evenmin is sprake van buitenproportionele kosten. Het betrof slechts noodzakelijke kosten van een startende onderneming. Er zijn louter betalingen gedaan voordat [gedaagde in conventie 1] bekend was met de faillissementsaanvraag. Anders dan de curator stelt is geen sprake geweest van een eigen faillissementsaanvraag door [eiser in conventie] . [persoon 1] heeft als schuldeiser het faillissement van [eiser in conventie] aangevraagd omdat zijn salaris niet werd betaald. Voor de bedrijfsauto die door [gedaagde in conventie 1] is overgenomen is de getaxeerde waarde betaald. Verder zijn de aandeelhouders steeds in staat gesteld zich een getrouw beeld te vormen van de actuele financiële situatie van [eiser in conventie] , nu zij via de accountant volledige toegang hadden tot de financiële gegevens van [eiser in conventie] . De oorzaak van het faillissement van [eiser in conventie] is daarin gelegen dat de verkoop niet van de grond kwam omdat het product technische mankementen kende, die niet eenvoudig konden worden verholpen. Toen bleek dat de inkomsten achterbleven op de uitgaven, hebben [gedaagden in conventie] in de kosten gesneden door het personeel te ontslaan en heeft [gedaagde in conventie 1] afgezien van zijn eigen managementvergoeding. Voor zover medewerking van derden was vereist, zoals aanpassing van de huurovereenkomsten of omzetting van geldleningsovereenkomsten in aandeelhouderskapitaal, heeft [gedaagde in conventie 1] zich daarvoor ingezet maar kon hij dit zonder medewerking niet bewerkstelligen.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.6.
[gedaagden in conventie] vorderen de curator te veroordelen tot opheffing van de ten laste van [gedaagden in conventie] gelegde beslagen binnen vierentwintig (24) uur na betekening van dit vonnis. Daarnaast vorderen [gedaagden in conventie] dat de curator in de proceskosten en de nakosten wordt veroordeeld.
3.7.
De curator voert verweer.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Primair: het beroep op artikel 2:248 lid 1 BW Pro
4.1.
Het geschil betreft allereerst de vraag of de bestuurders aansprakelijk zijn voor het boedeltekort in het faillissement van [eiser in conventie] .
4.2.
Ingevolge artikel 2:248 lid 1 BW Pro is in geval van faillissement van de vennootschap iedere bestuurder jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk voor het faillissementstekort, indien het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld in de periode van drie jaar voorafgaand aan het faillissement en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. De stelplicht en bewijslast met betrekking tot deze vereisten rusten op de curator, die dient te stellen en (zo nodig) te bewijzen dat en waarom sprake is van een kennelijk onbehoorlijke taakvervulling die een belangrijke oorzaak van het faillissement is.
4.3.
Het woord “kennelijk” duidt op een ruime marge voor het bestuur. Het is immers inherent aan ondernemen dat bij de bedrijfsvoering risico's worden genomen c.q. gelopen. Achteraf gebleken onjuiste beleidsbeslissingen of gemaakte fouten leiden niet als vanzelfsprekend tot het oordeel dat sprake moet zijn van onbehoorlijke taakvervulling. Beoordeeld moet worden hetgeen het bestuur voorzag of kon voorzien tijdens het vervullen van zijn taak. De onbehoorlijke taakvervulling moet onmiskenbaar zijn en bij de vaststelling daarvan komt de ondernemer het voordeel van de twijfel toe. Het moet gaan om een bestuurshandelen dat zich kenmerkt door onverantwoordelijkheid, verwijtbare nalatigheid, onbezonnenheid, roekeloosheid of schrijnende onbekwaamheid. Deze aan de literatuur en parlementaire geschiedenis ontleende bewoordingen worden in de rechtspraak vervat in de norm dat bestuurders anders hebben gehandeld dan van redelijk denkend bestuurders – onder dezelfde omstandigheden – zou mogen worden verwacht (o.m. HR 8 juni 2002; NJ 2001/454).
4.4.
Op grond van artikel 2:11 BW Pro is ook de (indirecte) bestuurder van een rechtspersoon die bestuurder is van een failliete vennootschap (een rechtspersoon-bestuurder) hoofdelijk aansprakelijk (Hoge Raad 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:275). Een (indirecte) bestuurder van de rechtspersoon-bestuurder wordt dan geacht ook ernstig verwijtbaar te hebben gehandeld, tenzij hij stelt – en zo nodig bewijst – dat hem geen ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt.
4.5.
In het licht van deze maatstaf zal de rechtbank het door de curator gestelde beoordelen.
4.6.
De rechtbank stelt voorop dat het niet realiseren van voldoende omzet om de kosten te kunnen dekken en het lijden van verlies niet zonder meer de conclusie rechtvaardigt dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur. De curator heeft onvoldoende onderbouwd waarom die conclusie in dit geval wel getrokken zou mogen worden. Met name heeft hij niet aangegeven dat en waarom het lijden van verliezen te wijten was aan beslissingen van het bestuur die geen enkel redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden zou hebben genomen en welke beslissingen dat dan concreet betreft. Door [gedaagde in conventie 1] is uiteengezet welke kosten werden gemaakt, namelijk kosten voor personeel, huisvesting, verzekeringen en internet. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom dergelijke kosten voor basisbehoeften van een (startende) onderneming onder de gegeven omstandigheden onbehoorlijk bestuur zouden opleveren. Het bovenstaande hoeft echter niet uit te sluiten dat het bestuur zijn taken toch op kennelijke onbehoorlijke wijze heeft uitgeoefend indien het, waar het de omvang van de geïnvesteerde bedragen betreft, had moeten begrijpen dat investeringen van een dergelijke omvang niet, althans niet binnen een redelijke termijn, zouden kunnen worden terugverdiend. Door de curator zijn echter geen feiten gesteld waaruit volgt dat het voor het bestuur op een gegeven moment, nadat de eerste investeringen reeds waren gedaan, duidelijk was dat [eiser in conventie] nimmer winstgevend zou kunnen worden en dat het daarmee voor het bestuur voorzienbaar was dat crediteuren van [eiser in conventie] nadeel zouden ondervinden van het doen van verdere investeringen in [eiser in conventie] . De in algemene formuleringen weergegeven stelling van de curator dat een te rooskleurig beeld is geschetst en een redelijk handelend bestuur, gelet op de gegevens waarover men beschikte of behoorde te beschikken, de activiteiten in [eiser in conventie] niet op deze wijze zou hebben voortgezet, is met te weinig concrete feiten onderbouwd om het oordeel te kunnen dragen dat het bestuur in dit opzicht zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft uitgeoefend.
4.7.
Dat een beginnende onderneming slechts over weinig eigen kapitaal beschikt en voor de voldoening van haar lopende kosten daarom grotendeels is aangewezen op vreemd vermogen, is op zichzelf ook niet ongebruikelijk. De aangetrokken financieringen zijn naar het oordeel van de rechtbank bovendien niet onder zodanige voorwaarden gesloten dat geen enkel ander redelijk denkend en handelend bestuurder onder dezelfde omstandigheden op dezelfde wijze zou hebben gehandeld. [gedaagden in conventie] hebben onbestreden aangevoerd dat het vestigen van een pandrecht op het octrooirecht als zekerheid voor de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van de financieringsovereenkomst alsmede het overeenkomen van een rentevergoeding van 6% gebruikelijke en marktconforme kredietvoorwaarden zijn, hetgeen de rechtbank ook niet ongewoon voorkomt. Tegen die betwisting zijn door de curator geen concrete feiten of omstandigheden gesteld die – indien bewezen – maken dat sprake is van een financiering die geen ander redelijk denkend en handelend bestuurder zou zijn overeengekomen. De rechtbank neemt daarbij bovendien in overweging dat het hier gaat om een risicodragende financiering van een startende onderneming. De rente is ook niet zodanig hoog dat hier vraagtekens bij geplaatst zouden moeten worden. De curator heeft verder gesteld dat [gedaagde in conventie 1] met name rentes aan zichzelf en aan hem gelieerde vennootschappen heeft voldaan. Het is de rechtbank niet duidelijk welk verwijt de curator [gedaagden in conventie] op dit punt maakt. Daar waar [gedaagde in conventie 1] of aan hem gelieerde rechtspersonen als geldlener aan [eiser in conventie] financiering hebben verstrekt is het contractuele gevolg daarvan dat [eiser in conventie] rente dient te betalen. Hoe dat zou leiden tot het oordeel dat geen enkel ander redelijk denkend en handelend bestuurder onder dezelfde omstandigheden op dezelfde wijze zou hebben gehandeld, is de rechtbank niet duidelijk en is door de curator ook niet nader uitgewerkt. Voor zover bedoeld is te stellen dat enkel aan [gedaagden in conventie] als financiers rentebetalingen zijn gedaan is dit door [gedaagden in conventie] gemotiveerd betwist, waarbij is gewezen naar financieringen verstrekt aan [eiser in conventie] door derde partijen en daarmee samenhangende rentebetalingen door [eiser in conventie] aan deze financiers.
4.8.
Door [gedaagden in conventie] is voorts toegelicht waarom een ruime voorraadpositie werd aangehouden in [eiser in conventie] . [gedaagden in conventie] hebben aangegeven dat met Perla Alucast, de producent van het product, afspraken zijn gemaakt over de te leveren hoeveelheden, waarbij ook rekening is gehouden met productie- en transportkosten. De curator verwijt [gedaagde in conventie 1] dat hij vervolgens onvoldoende inspanningen heeft verricht om het product daadwerkelijk te verkopen. [gedaagde in conventie 1] heeft dit betwist onder overlegging van overzichten waaruit de verkoopinspanningen zouden blijken. De curator is hier niet verder op ingegaan, behoudens aan te geven dat die inspanningen niet het gewenste resultaat hebben bereikt. Dat [gedaagde in conventie 1] er onvoldoende in is geslaagd om het product aan de man te brengen is echter niet de maatstaf. Het gaat om de vraag of het bestuur kennelijk onbehoorlijk heeft gehandeld. In het licht van de gemotiveerde betwisting van [gedaagden in conventie] heeft de curator zijn stellingen onvoldoende gemotiveerd.
4.9.
Voorts heeft de curator onvoldoende concrete feiten of omstandigheden gesteld die – indien bewezen – tot het oordeel kunnen lijden dat het bestuur verwijtbaar heeft nagelaten om in de kosten te snijden. Uit de door de curator overgelegde e-mails tussen [gedaagde in conventie 1] en de (middellijk) aandeelhouders ( [persoon 3] , [persoon 1] en [persoon 2] ) volgt juist dat het bestuur verschillende maatregelen heeft genomen om de kosten te reduceren met als doel [eiser in conventie] winstgevend te maken dan wel de verliezen te beperken. [gedaagden in conventie] hebben onbetwist gesteld dat [gedaagde in conventie 1] gezocht heeft naar mogelijkheden om aanvullende financiering aan te trekken, maar dat dit niet is gelukt. Verder heeft [gedaagde in conventie 1] onweersproken aangevoerd dat hij de kosten heeft gereduceerd waar dit mogelijk was, door de arbeidsovereenkomst met werknemers (zijn vrouw en zoon) te beëindigen en de managementvergoeding van hemzelf sterk terug te dringen. Daar waar medewerking van derden vereist was, zoals [persoon 3] als verhuurder, [persoon 1] als werknemer en Perla Alucast als leverancier, heeft [gedaagde in conventie 1] gemotiveerd en onweersproken gesteld dat hij zich heeft ingespannen om tot andere afspraken te komen ten gunste van [eiser in conventie] , maar dat dit slechts bij Perla Alucast in beperkte mate is gelukt. Ook hebben [gedaagden in conventie] gemotiveerd gesteld dat niet de hoogte van de kosten maar het feit dat het niet gelukt is om tot verkoop van het product te komen, de oorzaak van het faillissement is geweest.
4.10.
Ten aanzien van het verwijt dat niet eerder het faillissement is aangevraagd overweegt de rechtbank als volgt. Dit verwijt komt erop neer dat de onderneming in de loop van 2023 (of eerder) al feitelijk failliet was en dat het kennelijk onbehoorlijke bestuur eruit bestaat dat toen het faillissement niet is aangevraagd. Dit verwijt kan, indien juist, naar het oordeel van de rechtbank niet zelfstandig een beroep op artikel 2:248 lid 1 BW Pro dragen. Daarvoor is immers (tevens) nodig dat het kennelijk onbehoorlijke bestuur een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement, terwijl het onderhavige verwijt juist vooronderstelt dat voorafgaand aan het vermeende onbehoorlijke bestuur de faillissementstoestand feitelijk reeds was ontstaan. Datzelfde geldt voor het verwijt dat beschikbare middelen niet zijn aangewend om de vorderingen van [persoon 1] en [persoon 3] te betalen met als doel het faillissement af te wenden.
4.11.
Samengevat heeft de curator naar het oordeel van de rechtbank voor zijn beroep op artikel 2:248 lid 1 BW Pro onvoldoende feiten gesteld die, indien bewezen, tot aansprakelijkheid van [gedaagde in conventie 1] c. s. kunnen leiden. Nu de curator niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, kan hij niet tot bewijslevering worden toegelaten.
4.12.
Het bovenstaande betekent dat ook het verzoek ex artikel 2:248 lid 5 BW Pro tot verwijzing naar de schadestaatprocedure dient te worden afgewezen.
Subsidiair: het beroep op artikel 2:9 BW Pro
4.13.
Voor zover de curator een zelfstandig beroep op artikel 2:9 BW Pro heeft willen doen, heeft de curator zijn stellingen onvoldoende geconcretiseerd. Voor een geslaagd beroep op artikel 2:9 BW Pro is immers vereist dat de curator stelt en zo nodig bewijst dat de vennootschap schade heeft geleden als gevolg van een tekortkoming van de bestuurder waarvan hem persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. De curator heeft dit nagelaten. Het verwijt dat een te rooskleurig beeld is geschetst waardoor aandeelhouders/financiers zijn ingestapt treft geen doel. Niet valt immers in te zien hoe dit heeft geleid tot schade voor de vennootschap. Het betreft bovendien een verwijt vanuit de financiers/aandeelhouders. De curator kan evenwel geen vordering instellen namens individuele schuldeisers maar slechts ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers. Datzelfde geldt voor het verwijt dat het bestuur richting de aandeelhouders niet heeft voldaan aan de informatieverplichting zoals opgenomen in de aandeelhoudersovereenkomst. De curator heeft niet onderbouwd dat sprake is van een verplichting die beoogt de rechtspersoon te beschermen (HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7011 (Berghuizer Papierfabriek)), welke concrete informatie had behoren te worden gedeeld maar is achtergehouden, welke vragen niet zijn beantwoord en wat daarvan dan de schade is geweest die de vennootschap daardoor heeft geleden. Bovendien is door [gedaagden in conventie] betwist dat informatie werd achtergehouden. In dat kader heeft [gedaagde in conventie 1] aangevoerd dat de aandeelhouders volledige toegang tot informatie via de accountant werd verleend.
4.14.
Voor zover de curator aan zijn beroep op artikel 2:9 BW Pro dezelfde feiten en omstandigheden ten grondslag heeft gelegd als aan zijn primaire vordering, verwijst de rechtbank naar hetgeen daaromtrent hiervoor is overwogen. Gelet op de gemotiveerde betwisting door [gedaagden in conventie] heeft de curator onvoldoende concrete feiten of omstandigheden gesteld die – mits bewezen – kunnen onderbouwen dat de vennootschap als gevolg van het handelen van het bestuur schade heeft geleden en het bestuur daarvan een persoonlijk ernstig verwijt treft. De door de curator op grond van artikel 2:9 BW Pro ingestelde vorderingen worden dan ook afgewezen.
Subsidiair: het beroep op artikel 6:162 BW Pro
4.15.
Met betrekking tot het beroep op art. 6:162 BW Pro dat de curator mede ten grondslag heeft gelegd aan het gevorderde, overweegt de rechtbank als volgt.
Interne aansprakelijkheid
4.16.
Een beroep op aansprakelijkheid van de bestuurder van een vennootschap jegens de failliete vennootschap (interne aansprakelijkheid) ex artikel 6:162 BW Pro is op zichzelf mogelijk naast een beroep op artikel 2:9 BW Pro, maar bij de beoordeling daarvan dient van dezelfde maatstaf te worden uitgegaan. Er moet dus sprake zijn van een ernstig verwijt (HR 2 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3535). Nu hiervoor het beroep op artikel 2:9 BW Pro is verworpen, geldt hetzelfde voor het beroep op art. 6:162 BW Pro, voor zover dit beroep is gedaan als grond voor aansprakelijkheid van [gedaagden in conventie] jegens de vennootschap.
Externe aansprakelijkheid
4.17.
Voor het beroep op externe aansprakelijkheid geldt het volgende. Aan de vordering tot vergoeding van de door de schuldeisers gezamenlijk geleden schade, een zogenoemde Peeters-Gatzenvordering, legt de curator ten grondslag dat [gedaagden in conventie] als (indirect) bestuurders onrechtmatig hebben gehandeld jegens de schuldeisers door in het zicht van faillissement selectieve betalingen te doen aan de Holding en aan [gedaagde in conventie 1] gelieerde partijen, [2] als gevolg waarvan de schuldeisers schade hebben geleden.
4.18.
Uitgangspunt is dat het een bestuurder in beginsel vrijstaat op grond van een eigen afweging te bepalen welke schuldeisers van de vennootschap in de gegeven omstandigheden zullen worden voldaan. De betrokken bestuurder kan ter zake van de benadeling die een schuldeiser door de niet betaling van zijn vordering ondervindt enkel persoonlijk aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of dit het geval is hangt af van alle omstandigheden van het geval. Het na de peildatum selectief betalen aan gelieerde partijen (of crediteuren waarbij de bestuurder een persoonlijk belang heeft) leidt tot verhaalsbenadeling en is daarmee in beginsel onrechtmatig ten opzichte van de gezamenlijke schuldeisers (externe aansprakelijkheid), tenzij er bijzondere omstandigheden zijn die deze voorkeursbehandeling rechtvaardigen. In het geval van een Peeters/Gatzen-vordering is de peildatum, de datum vanaf wanneer het faillissement van de onderneming redelijkerwijs te verwachten was.
4.19.
[gedaagden in conventie] hebben bewerkstelligd dat [eiser in conventie] op enig moment haar schuldeisers (waaronder onder meer [persoon 1] en [persoon 3] ) onbetaald liet, maar wel betalingen verrichtte aan [gedaagden in conventie] , terwijl zij wisten dat een faillissement van [eiser in conventie] onafwendbaar was. De rechtbank volgt [gedaagden in conventie] in de stelling dat geen sprake was van een eigen faillissementsaanvraag maar dat het faillissement van [eiser in conventie] door een derde is aangevraagd zodat zij niet zonder meer van de aanvraag op de hoogte waren. Dat het faillissement van [eiser in conventie] is aangevraagd door [persoon 1] als schuldeiser van [eiser in conventie] blijkt immers uit de door de curator zelf overgelegde faillissementsaanvraag. [3] De door de curator op dat punt ingenomen stellingen zijn dan ook aantoonbaar onjuist. Desalniettemin moet vanaf 9 januari 2024 voor [gedaagden in conventie] duidelijk zijn geweest dat een faillissement van [eiser in conventie] onafwendbaar was. Immers, [gedaagde in conventie 1] stuurt diezelfde dag een e-mail naar de aandeelhouders van [eiser in conventie] waarin hij schrijft: [4]
“Hieruit concluderend blijft er niets anders over dan het faillissement aan te gaan vragen.
[gedaagde in conventie 1] zal een afspraak inplannen met zijn advocaat om de faillissement aanvraag in gang te gaan zetten.”
4.20.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de betalingen ter hoogte van € 15.039,95 die [eiser in conventie] op/na 9 januari 2024 aan de Holding en aan [gedaagden in conventie] gelieerde partijen heeft verricht dan ook zodanig onzorgvuldig dat het bestuur daarvan persoonlijk een ernstig verwijt treft. Dat door [eiser in conventie] op/na 9 januari 2024 voor een bedrag van € 15.039,95 aan betalingen zijn verricht en dat die betalingen ten gunste zijn gekomen aan [gedaagden in conventie] dan wel aan hen gelieerde partijen, is door [gedaagden in conventie] onbestreden gelaten. Anders dan [gedaagden in conventie] stellen is de rechtbank van oordeel dat 9 januari 2024 in dit geval geldt als peildatum, waarop het faillissement van [eiser in conventie] redelijkerwijs te verwachten was. Het bestuur is dan ook aansprakelijk voor de dientengevolge geleden schade. De betalingen die vóór die (peil)datum zijn verricht, zijn naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig onzorgvuldig dat het bestuur daarvan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Immers, [gedaagden in conventie] hebben gemotiveerd betoogd dat op er dat moment nog alles aan werd gedaan om een faillissement af te wenden zodat niet kan worden geoordeeld dat op dat moment het faillissement van de onderneming al redelijkerwijs te verwachten was. Door de curator zijn ook geen feiten of omstandigheden gesteld die een ander oordeel kunnen rechtvaardigen.
4.21.
De door de curator gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure zal evenals het gevraagde voorschot worden afgewezen, nu het bedrag van de schade gelijk is aan het bedrag van de na de peildatum verrichte betalingen, te weten € 15.039,95.
4.22.
Ingevolge artikel 2:11 BW Pro wordt de veroordeling hoofdelijk uitgesproken ten aanzien van [gedaagde in conventie 1] , de Holding, [gedaagde in conventie 4] en [gedaagde in conventie 3] als (indirecte) bestuurders van [eiser in conventie] .
Meer subsidiair: paulianeuze transacties € 16.900,87
4.23.
Voor zover de rechtbank de subsidiaire vordering toewijst – de gewraakte selectieve betalingen op/na de peildatum – komt zij niet toe aan een behandeling van de meer subsidiair ingestelde vordering.
4.24.
Daar waar het echter de gewraakte betalingen voorafgaand aan de peildatum betreft kan ook de meer subsidiaire grondslag de curator niet baten. Dat voorafgaand aan de peildatum niet-opeisbare schulden zijn voldaan is door [gedaagden in conventie] ter zitting betwist en door de curator op geen enkele wijze nader onderbouwd. Dat sprake is geweest van rechtshandelingen die de schuldenaar vóór de faillietverklaring onverplicht heeft verricht kan bij die stand van zaken niet worden aangenomen zodat een beroep op de actio pauliana als bedoeld in artikel 42 Faillissementswet Pro (Fw) wordt afgewezen.
4.25.
Voor zover de curator als grondslag van zijn vordering bedoeld heeft te verwijzen naar het bepaalde in artikel 47 Fw Pro, overweegt de rechtbank als volgt. Voldoening van een opeisbare schuld kan enkel dan als paulianeus worden vernietigd wanneer wordt aangetoond dat (i) wetenschap van de faillissementsaanvraag bestond of (ii) betaling het gevolg was van overleg tussen de schuldenaar en schuldeiser met als doel laatstgenoemde te begunstigen. Dat sprake zou zijn van overleg als hiervoor bedoeld is door de curator niet gesteld. Dat ten aanzien van de betalingen voorafgaand aan de peildatum geen sprake was van wetenschap van de faillissementsaanvraag volgt reeds uit hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen. Het beroep van de curator op de actio pauliana als bedoeld in artikel 47 Fw Pro wordt dan ook afgewezen.
4.26.
Uit het voorgaande volgt dat de meer subsidiair (onder vi) gevorderde verklaring voor recht, vernietiging en betaling worden afgewezen.
De gevorderde beslagkosten
4.27.
De curator vordert om [gedaagde in conventie 1] , de Holding en [gedaagde in conventie 4] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv Pro toewijsbaar met inachtneming van het navolgende.
4.28.
De curator heeft twee verzoekschriften tot beslaglegging ingediend, namelijk één keer voor de Holding en [gedaagde in conventie 1] gezamenlijk en één keer voor [gedaagde in conventie 4] .
4.29.
Het griffierecht voor het beslagrekest in de zaak met de Holding en [gedaagde in conventie 1] van € 320,00 zal worden toegewezen, waarbij de Holding en [gedaagde in conventie 1] hoofdelijk zullen worden veroordeeld. Ook het salaris van de advocaat ter hoogte van € 614,00 (1,0 punt x € 614,00 Tarief II) zal hoofdelijk worden toegewezen. De deurwaarderskosten worden vastgesteld op € 593,12 ten laste van [gedaagde in conventie 1] en € 383,29 ten laste van de Holding. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.
4.30.
Het griffierecht voor het beslagrekest in de zaak met [gedaagde in conventie 4] van € 331,00 zal door [gedaagde in conventie 4] dienen te worden voldaan. De beslagkosten worden verder vastgesteld op € 513,64 voor kosten deurwaardersexploten en € 614,00 voor salaris advocaat (1,0 punt x € 614,00 Tarief II). Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.
Het beroep op artikel 42 Fw Pro inzake de verkoop van de auto
4.31.
De curator vordert onder vii nog een verklaring voor recht dat de koopovereenkomst met betrekking tot de bedrijfsauto is vernietigd althans dat de rechtbank deze zal vernietigen en de curator vordert teruglevering van de bedrijfsauto. Voor zover teruglevering niet meer mogelijk is, vordert de curator dat [gedaagde in conventie 1] wordt veroordeeld tot betaling aan de boedel van een schadevergoeding gelijk aan de waarde van de bedrijfsauto op het moment van de onttrekking, vermeerderd met rente.
4.32.
De curator legt aan zijn vordering ten grondslag dat de bedrijfsauto voor een te lage koopprijs is verkocht aan [gedaagde in conventie 1] in privé. [gedaagde in conventie 1] heeft de bedrijfsauto op 10 oktober 2023 overgenomen tegen betaling van een koopsom van € 8.200,- terwijl [eiser in conventie] de bedrijfsauto op 4 juli 2023 voor een koopsom van € 14.500,- had aangeschaft. Dat is een waardedaling van € 6.300,- in drie maanden. Weliswaar heeft [gedaagde in conventie 1] een taxatierapport van de auto overgelegd, maar één week voor de aankoop heeft [gedaagde in conventie 1] nog aan de aandeelhouders aangeboden de auto te kopen voor een bedrag van ongeveer € 17.000.-. De waardedaling zou zijn gelegen in schade aan de auto, maar volgens de curator is geen bewijs aangetroffen van de schade, ontbreekt een allrisk verzekering en blijkt nergens uit dat [gedaagde in conventie 1] de schade op eigen rekening heeft laten herstellen. De curator vermoedt dat het taxatierapport valselijk is opgemaakt en niet de daadwerkelijke feitelijke situatie beschrijft.
4.33.
[gedaagde in conventie 1] bestrijdt dit. [gedaagde in conventie 1] stelt zich op het standpunt dat hij zorgvuldig heeft gehandeld door erop toe te zien dat de auto tegen de actuele marktwaarde aan hem is overgedragen en de vennootschap niet is benadeeld. De auto is getaxeerd door de heer N. van Haren van garagebedrijf [bedrijf 3] , welke taxatie is vastgelegd in het ondertekende taxatierapport dat is overgelegd. Volgens [gedaagde in conventie 1] was onder meer sprake van vergaande lakschade en aanrijdingschade.
4.34.
De rechtbank overweegt dat de curator op grond van artikel 42 Fw Pro ten behoeve van de boedel elke rechtshandeling die de schuldenaar vóór de faillietverklaring onverplicht heeft verricht en waarvan deze bij het verrichten wist of behoorde te weten dat daarvan benadeling van de schuldeisers het gevolg zou zijn, door een buitengerechtelijke verklaring kan vernietigen. Het is aan de curator om te stellen en zo nodig te bewijzen dat [gedaagde in conventie 1] wist of behoorde te weten dat de verkoop van de auto benadeling van de schuldeisers tot gevolg zou hebben. Hoewel de rechtbank begrijpt dat deze transactie vragen oproept, zijn door de curator – in het licht van de gemotiveerde betwisting door [gedaagde in conventie 1] – onvoldoende concrete feiten gesteld die kunnen leiden tot het oordeel dat sprake is geweest van benadeling. Door [gedaagden in conventie] is immers een door een onafhankelijke derde opgesteld schriftelijk taxatierapport per datum transactie overgelegd, als onderbouwing van de marktwaarde van de bedrijfsauto per 10 oktober 2023. De curator heeft hier niets tegenover gesteld, anders dan zijn persoonlijke vermoeden dat sprake zou zijn van benadeling. In het licht van die gemotiveerde betwisting had het evenwel op de weg van de curator gelegen zijn stelling nader te onderbouwen. Dat heeft de curator niet gedaan. Het enkele vermoeden van de curator zelf dat het taxatierapport niet de daadwerkelijke feitelijke situatie beschrijft is daarvoor in ieder geval onvoldoende. De vordering zal reeds om die reden worden afgewezen.
Resumé
4.35.
Samengevat veroordeelt de rechtbank [gedaagden in conventie] tot betaling van € 15.039,95 (hoofdsom) en de beslagkosten.
4.36.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
Proceskosten
4.37.
Omdat beide partijen in conventie gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld zal de rechtbank de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.
in reconventie
4.38.
[gedaagden in conventie] vorderen in reconventie opheffing van de ten laste van [gedaagde in conventie 1] respectievelijk de Holding gelegde beslagen.
4.39.
Nu de vorderingen waarvoor de beslagen zijn gelegd in conventie (deels) zijn toegewezen, zal de vordering tot opheffing van die beslagen in reconventie worden afgewezen.
Proceskosten
4.40.
[gedaagden in conventie] zijn in reconventie in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Nu de vordering in reconventie voortvloeit uit hetgeen partijen hebben aangevoerd in conventie, zal een factor 0,5 worden toegepast op het salaris van de advocaat. De proceskosten van de curator worden begroot op:
- salaris advocaat
653,00
(2 punten × factor 0,5 × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
842,00
4.41.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.42.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
veroordeelt [gedaagden in conventie] hoofdelijk, tot betaling aan de curator van een bedrag van € 15.039,95, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum van dit vonnis,
5.2.
veroordeelt Holding en [gedaagde in conventie 1] hoofdelijk tot betaling aan de curator van een bedrag van € 934,00 uit hoofde van griffierecht en salaris advocaat inzake de gelegde beslagen,
5.3.
veroordeelt Holding tot betaling van een bedrag van € 383,29 aan de curator uit hoofde van deurwaarderskosten,
5.4.
veroordeelt [gedaagde in conventie 1] tot betaling van een bedrag van € 593,12 aan de curator uit hoofde van deurwaarderskosten,
5.5.
veroordeelt [gedaagde in conventie 4] tot betaling van een bedrag van € 1.458,64 aan de curator uit hoofde van de beslagkosten,
5.6.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in reconventie
5.7.
veroordeelt [gedaagden in conventie] hoofdelijk in de proceskosten van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden in conventie] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.8.
veroordeelt [gedaagden in conventie] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
in conventie en in reconventie
5.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Rulkens en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.

Voetnoten

1.Vide productie 30 bij dagvaarding;
2.Zoals nader gespecificeerd in het overzicht in randnummer 3.38 van de dagvaarding.
3.Vide productie 36 bij akte overlegging producties tevens vermindering van eis van de curator;
4.Vide productie 34 bij akte overlegging producties tevens vermindering van eis van de curator;