3.3Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen ten aanzien van het tenlastegelegde onder parketnummer 03.252230.25en feit 1 onder parketnummer 03.087555.26
Op 22 juli 2025 heeft [slachtoffer]
aangiftegedaan en zakelijk weergegeven het volgende verklaard:
Ik doe klacht van stalking/belaging gepleegd door mijn ex partner [verdachte] . Ik heb [verdachte] via een datingsite in december 2018 of januari 2019 leren kennen. Dit is uitgegroeid in een relatie. [verdachte] kwam elke week in het weekend. Het ging in eerste instantie goed maar in 2024 kreeg ik argwaan. Ik kwam er toen achter dat hij een geheime relatie onderhield met een andere vrouw. Tevens zag ik dat hij op sites zat om seksuele contacten te krijgen. Het vertrouwen was toen weg en op 26 november 2024 heb ik de relatie definitief verbroken.
Vanaf 28 november 2024 stuurde [verdachte] mij vele Whatsappberichten over liefde. Ik heb toen aangegeven dat ik hem op 29 november 2025 (de rechtbank begrijpt: 2024) zou bellen. In dit gesprek dreigde [verdachte] ermee dat hij zelfmoord wilde plegen. Hij gaf aan dat hij marinier was geweest en wist wat hem te doen stond. Hij zei een paar keer "mission accomplished". Ik schrok hier wel van en vond het eng. Ik heb toen tegen hem gezegd dat hij hulp moest zoeken en dat ik zijn zus [naam 3] ging bellen voor hulp. [verdachte] brak hierna het gesprek af.
Op 30 november 2024 heb ik weer een telefoongesprek met [verdachte] . Hij geeft hierin aan dat hij niets meer te verliezen heeft en smeekte gewoon. Ik vond dit wel eng. Hij gaf mij de schuld en verwijt mij dat hij zijn zoon niet meer ziet. Ik heb hierop geantwoord dat ik graag wil dat we respectvol uit elkaar zouden gaan en de kinderen erbuiten laten.
Op 4 december 2024 ontving ik een brief met ondertekening zoals in een trouwakte.
Op 6 december 2024 brengt [verdachte] bij mijn schoonzoon een hele kist met cadeaus,
gedichtjes en gebak voor pakjesavond. Dit ondanks dat ik hem gezegd had dat hij niet kon komen.
Op 8 december 2024 heb ik [verdachte] gevraagd om zich uit de oud/nieuwjaarsapp groep te verwijderen en andere familieapp groepen. Dit deed hij niet. Hij werd vervolgens door de beheerders van de appgroepen uit de groepen verwijderd.
Ik heb op 8 december 2024 mijn zwager [naam 4] (de rechtbank begrijpt: [naam 4] ) gevraagd om een gesprek met [verdachte] te voeren om aan te geven dat het echt over is. Op 9 december 2024 heeft [naam 4] dit gesprek gevoerd en beloofde [verdachte] om te stoppen. De dag erop ging hij echter gewoon weer door. [verdachte] stuurde een mail over het bezoekje van [naam 4] .
Op 11 december 2024 heb ik een Whatsappbericht gestuurd naar [verdachte] waarin ik
duidelijk heb aangegeven dat hij mij met rust moest laten en moest stoppen met het
sturen van berichten. Hij ging echter gewoon door.
Op 12 december 2024 heb ik ook tegen [verdachte] gezegd dat hij mijn kinderen met rust
moest laten.
Tussen 12 en 20 december 2024 stuurde [verdachte] mij dagelijks twee tot vijf berichten, foto's, filmpjes en stichtelijke woorden via Whatsapp. Hierop had ik hem geblokkeerd.
Vervolgens stuurde hij van 12 tot 18 december 2024 vele mails. In het Engels en ‘dit
wilde ik met je delen’. Ik lees de mails niet meer vanaf 20 december 2024 en heb ook
niet meer gereageerd.
Toen hij geen contact meer met mij kreeg begon hij rond 13 december 2024 kerstkaarten te sturen naar vrienden van mij in Kessel. Dit deed hij voorheen nooit.
Bij mijn vriendin [naam 5] stond [verdachte] ineens ongevraagd voor de deur met een kerstkaart. Zij vond dit niet prettig en heeft hem niet binnengelaten.
Op 19 december 2024 kwam ik 's avonds thuis na mijn maandelijkse kookavond en stonden er bij mijn achterdeur 70 of meer rode rozen, kaarten en cadeaus. Ik schrok hiervan. Hij weet precies dat ik elke derde donderdag aan het koken ben waardoor hij die spullen kon bezorgen. Mijn vriendin [naam 6] was er gelukkig bij. Zij heeft de bloemen, cadeaus en kaarten met mijn zwager [naam 4] een dag later terugbezorgd bij [verdachte] . Dit samen met gereedschap en kleding. Ik heb toen ook de politie gebeld voor advies. Als reactie op het terugbezorgen ontving ik weer mails van [verdachte] . Ik heb vervolgens ook mijn buren op de hoogte gebracht dat [verdachte] mij serieus lastigvalt. Bij onraad komen zij met de sleutel bij mij naar binnen.
Op 21 december 2024 ontving ik een bericht van [verdachte] op Instagram. Hier heb ik hem ook direct geblokkeerd.
Op 25 december 2024 ontving ik een Whatsappbericht van de werktelefoon van [verdachte] . Ook dit nummer heb ik geblokkeerd.
Op 26 december 2024 verschenen er foto's op zijn Facebookpagina. Als profielfoto
[verdachte] en ik.
Op 27 december 2024 ontving mijn dochter [naam 7] een envelop met daarin kaarten welke zij ooit verstuurd heeft naar [verdachte] tijdens onze relatie. Hij heeft op deze kaarten geschreven dat ik er schuld aan heb dat hij geen opa kan zijn. Hij stuurde ook naar [naam 7] een Whatsappbericht hoe het met haar zwangerschap gaat.
Op 28 december 2024 heb ik nieuwe sloten laten plaatsen in mijn woning omdat ik er
niet zeker van ben dat hij een kopie heeft. Ook heb ik een camera laten ophangen bij de achterdeur. Dit omdat ik mij gewoon niet veilig voel. De ene keer is [verdachte] lief en
aardig in zijn berichten en de andere keer verwijt hij mij van alles.
Op 30 december 2024 zag ik dat [verdachte] mij volgt op LinkedIn. Hier heb ik hem ook
geblokkeerd.
Op 1 januari 2025 ontving ik via mail een nieuwjaarwens van [verdachte] . Ik heb
vervolgens voor de tweede keer de politie gebeld voor advies.
Op 3 januari 2025 werd ik gebeld. Ik zag dat er gebeld werd met de werktelefoon van
[verdachte] . Ik heb niet opgenomen.
Op 4 januari 2025 overhandigde [naam 6] mij een brief welke zij van [verdachte] heeft
ontvangen. Hierin verwijt hij [naam 6] van alles en geeft haar de schuld omdat zij de
rozen, kaarten en cadeaus heeft teruggebracht.
Op 5 januari 2025 ontving ik een mail van [verdachte] . Hij wilde een gesprek. Ik heb hier
niet op gereageerd. Op 11 januari 2025 stuurde hij deze mail nogmaals.
Op 7 januari 2025 ontving ik twee kaarten van [verdachte] . Deze had ik niet geopend.
Op 15 januari 2025 ontving mijn schoonzoon [naam 8] een Whatsappbericht van [verdachte] met een vraag over de baby.
Op 19 januari 2025 vond ik na een wandelweekend in de brievenbus een reep chocolade van Broekmans met de tekst: Hou van jou.
Op 20 januari 2025 ontving ik een mail met vijf redenen voor herstel relatie.
Op 23 januari 2025 kreeg ik een bericht dat er een pakje voor mij was. Ik heb dit niet
opgehaald.
Op 27 januari 2025 ontving ik wederom een mail van [verdachte] over de 20ste van de
maand.
Op 11 februari 2025 zijn er twee Valentijn chocolade dingen in de brievenbus bezorgd.
Op 12 februari 2025 ontving ik met de post een doos met Valentijndingen. Dit heb ik met mijn zus geopend. Op de kaart stond een gedicht en een uitnodiging voor een wandeling.
Op 24 februari 2025 ontving ik een brief van [verdachte] . Hij noemt me schat. Hierin
staat ook weer hoe een relatie weer gestart kan worden door tips. Hij geeft hierin
aan dat ik in zijn gedachten zit en dat hij er mee opstaat en naar bed gaat. Dit klinkt erg obsessief.
Op 10 maart 2025 ontving ik een kaart van [verdachte] over [naam 9] mijn hond en mij.
Op 17 maart 2025 heb ik een aangetekende stopbrief naar [verdachte] gestuurd.
Op 31 maart 2025 ontving ik een mail van [verdachte] over een programma Brugge. Hierin stonden weer veel verwijten in mijn richting.
Op 31 maart 2025 was de stopbrief nog niet opgehaald. Ik heb [verdachte] gedeblokkeerd en een bericht gestuurd dat hij de brief dient op te halen. Hierna heb ik hem weer geblokkeerd.
Op 2 april 2025 kreeg ik een sms bericht. Deze heb ik ook geblokkeerd.
Op 9 april 2025 kwam de stopbrief retour. Hierop staat aangevuld dat ik na gedwongen seks het hazenpad heb gekozen.
Op 9 april 2025 kreeg ik een bericht dat er een pakje voor mij was. Ik durfde dit niet op te halen en heb de politie gebeld voor advies.
Op 14 april 2025 werd ik door de politie gebeld dat men een stop gesprek met [verdachte]
ging voeren.
Op 17 april 2025 ontving ik een terugkoppeling van de politie. [verdachte] claimde dat er
zakelijke dingen open stonden. Via de politie heb ik de lijst ontvangen.
Op 14 mei 2025 bracht mijn zwager [naam 4] de spullen van de lijst naar [verdachte] . Hierna zou alles afgehandeld zijn. Ik heb zelfs een bedrag overgemaakt.
Ik ontving van [verdachte] een doos met bekladde kaarten en nieuwe kostenoverzichten. Op advies van de politie heb ik deze genegeerd.
Op 25 mei 2025 na het stopgesprek met de politie ontving ik weer een mail van
[verdachte] .
Op 31 mei 2025 liet [verdachte] bloemen bezorgen bij de schoonmoeder van mijn dochter
[naam 10] . Dit is raar omdat ze elkaar niet goed kennen. [verdachte] blijft contact zoeken
met mijn familie om zo weer met mij in contact te komen.
24 juni 2025 ontving [naam 6] een verjaardagskaart terwijl [verdachte] haar eerder die
lelijke brief had gestuurd.
Op 7 juli 2025 ontving ik drie kaarten van [verdachte] waarvan een voor mijn verjaardag. Een kaart is een soort vooraankondiging voor een huwelijksaanzoek. Ik vind dit afschuwelijk eng. [verdachte] maakt hiermee inbreuk op mijn levenssfeer.
Op 9 juli 2025 heb ik wederom de politie gebeld. Bij mij was de maat vol. [verdachte] gaat te ver en het maakt mij angstig. [verdachte] stopt gewoon niet en blijft gewoon bezig.
[verdachte] heeft vervolgens tussen 12 en 21 juli 2025 nog contact opgenomen met mijn
dochter en schoonzoon via Whatsapp en mijn dochter [naam 10] heeft een kaart ontvangen.
[verdachte] blijft inbreuk maken op mijn familie en mijn leven door het sturen van
kaarten, berichten, mails en dergelijke. Hij springt van de hak op de tak. De ene
keer is hij romantisch en wil hij dat we weer bij elkaar komen en de andere keer erg
verwijtend dat ik overal schuld aan heb. Ik vind het eng en heb geen idee wat er
allemaal in het hoofd omgaat van [verdachte] . Hij lijkt wel door mij geobsedeerd. Het houdt mij wakker en maakt mij onrustig.
Ik heb hem vaak gezegd te stoppen en er heeft een stopgesprek plaatsgevonden door de politie maar [verdachte] blijft doorgaan. Ik wil gewoon dat hij stopt en mij en mijn
familie met rust laat. Ik ben wel bang voor de reactie van [verdachte] op deze klacht
tegen hem en hoe hij gaat reageren als ik een nieuwe relatie met iemand anders zou
hebben. Voor mij is er geen andere oplossing meer dan dat er strafvervolging plaatsvindt.
[slachtoffer] heeft een
logboekals bijlage toegevoegd aan haar aangifte van 22 juli 2025 en hier staat zakelijk weergegeven onder meer het volgende op vermeld:
21-4-25: [verdachte] wil met zus en zwager koffiedrinken. Maar dat gebeurt niet omdat zus en zwager daar niet op in willen gaan.
1-8-25: ik vind in “de prullenbak” van de mail een mail van [verdachte] van 13-7-25 waarin [verdachte] mij weer een en ander verwijt en aangeeft nog steeds achter de verstuurde kaarten staat. Deze heb ik naar agente [naam 11] gemaild. [naam 11] antwoordde dat de aangifte nu inderdaad definitief is. ’s Avonds ben ik alleen in mijn huis en ben ik bang.
Op 4 augustus 2025 heeft [slachtoffer]
aanvullend aangiftegedaan en zakelijk weergegeven het volgende verklaard:
Op zaterdag 2 augustus 2025 omstreeks 18:25 uur arriveerde ik met mijn auto bij de
golfclub [naam 12] . Ik kreeg vervolgens een melding op mijn iPhone: "wireless tag, de eigenaar kan de locatie ervan opzoeken." Ik schrok hiervan en werd er erg nerveus van.
Omstreeks 21:00 uur arriveerde ik bij mijn partner [naam 2] in [plaats 1] . De
melding op mijn iPhone zat me niet lekker. Ik ging vervolgens op de iPhone zoeken en ontdekte in de app "zoek mijn iPhone" dat er "onbekende objecten gevonden bij jou". In deze app zat ook de mogelijkheid om geluid af te spelen. Ik zei tegen [naam 2] dat ik graag naar mijn auto wil om te kijken of er geluid komt. Tot mijn verbazing was dat zo. We gingen samen zoeken en hoorden dat het signaal ergens bij een scharnier van de motorkap zat. We hebben de auto vervolgens verplaatst naar het station in [plaats 1] . Dit is dichtbij de woning van [naam 2] . Ik parkeerde daar mijn auto onder een camera. Vervolgens hebben we nogmaals gezocht naar het object. [naam 2] heeft het object gevonden. Het blijkt een tracker te zijn. Ik schrok hier erg van. [verdachte] moet de tracker geplaatst hebben om mij te volgen. Ik heb de tracker op internet opgezocht en las daar dat als je twee keer op een knopje drukt dat de tracker dan uitschakelt. Dit hadden we gedaan. We zijn vervolgens naar de woning van
[naam 2] gelopen waar we de politie hebben gebeld. Dit was omstreeks 22:06 uur. De auto met de tracker hebben we bij het station laten staan.
De politie wilde de tracker veiligstellen maar er bleek niet direct een auto
beschikbaar te zijn. [naam 2] is vervolgens naar het station gegaan omdat ik bang was
dat [verdachte] de tracker zou verwijderen. [naam 2] ging op het perron staan waar hij zicht op mijn auto had. Na vijf minuten zag [naam 2] dat er een Audi Q7 het parkeerterrein van het station opreed en naast mijn auto parkeerde. [naam 2] zag dat het [verdachte] was en heeft hem gefilmd bij mijn auto. [naam 2] gaf aan dat hij zag dat [verdachte] direct naar de plek liep waar de tracker was gevonden. [verdachte] heeft ongeveer een half uur zitten rommelen bij mijn auto en liep af en toe ook terug naar zijn auto. [naam 2] zag zelfs dat [verdachte] op de grond ging liggen bij het achterwiel.
[…]
De tracker werd door de politie onder de motorkap gehaald en in beslag genomen voor onderzoek. De tracker was weer actief. Er werd geen tweede tracker aangetroffen.
Ik was erg bang en durfde niet naar mijn huis te gaan en ben bij [naam 2] gebleven.
[verdachte] heeft mij kunnen volgen en weet waar ik ben geweest met mijn auto.
Ik voel mij niet meer veilig en ben erg bang dat hij mij iets wil aandoen.
[naam 4] is als
getuigegehoord en hij heeft zakelijk weergegeven het volgende verklaard:
[slachtoffer] is mijn schoonzus en zij heeft een relatie met [verdachte] gehad. Dit is
destijds beëindigd vanuit [slachtoffer] omdat er dingen waren voorgevallen omtrent
vertrouwen. Hij heeft vaak contact met [slachtoffer] door haar te appen, berichten te
sturen, te mailen of cadeaus te kopen. Ik weet dat [slachtoffer] toen ook heeft gevraagd
hiermee te stoppen. Ik heb zelf rond december nog met hem gesproken. Ik heb hem toen ook gezegd te stoppen met zijn gedrag en het met rust te laten. Even had ik het idee dat het gestopt was en toch is het weer doorgegaan en heeft hij weer berichten en mailtjes gestuurd.
[naam 2] is als
getuigegehoord en hij heeft zakelijk weergegeven het volgende verklaard:
Ik kreeg te horen dat [slachtoffer] een relatie heeft gehad en dat dit tot november heeft
geduurd. Vanaf november wordt zij door haar ex-partner op allerlei manieren lastig
gevallen. Hij probeert op allerlei manieren indirect en direct contact met haar te
krijgen. Dit doet hij door haar verschillende berichten, e-mails, kaarten en zelfs
cadeautjes te sturen. Hij kan haar maar niet loslaten. Ook zoekt hij contact met
de familie van [slachtoffer] en zelfs met haar vrienden.
[slachtoffer] kwam terug van het golfen. Zij hoorde iets bij haar auto of merkte dat er
iets niet klopte. Zij was vervolgens naar mij toegereden en daar hadden wij
geconstateerd dat er een Airtag in haar auto lag. Zij heeft middels haar telefoon
kunnen zien welke route deze Airtag heeft gemaakt. Zij heeft gezien dat deze Airtag
na installatie actief was in Kessel. Wij hebben vervolgens de Airtag uitgezet en de auto bij het station in [plaats 2](de rechtbank begrijpt: station [plaats 2] gelegen te [plaats 1] )
neergezet. Dit is enkele honderden meters bij mij vandaan. De Airtag lag bij de motorkap. Ik ben vervolgens op het station gaan zitten en ik had zicht op het voertuig van [slachtoffer] . Ik denk ongeveer een kwartier later zag ik dat er een donkerblauwe Audi Q7 aan kwam rijden en dat deze naast de auto van [slachtoffer] werd geparkeerd. Ik zag dat er een man uitstapte die ik herkende als zijnde de stalker. Hij is op dat moment dat hij de auto daar parkeerde een half uur bezig geweest rondom de auto van [slachtoffer] . Hij heeft de Airtag gepakt en deze in zijn auto aangezet. Hij heeft deze toen weer bij de auto van [slachtoffer] geplaatst. Ik zag ook dat hij onder de auto lag. Ik zag een donkerblauwe Audi Q7 en ik heb alleen de letters [nummers] gezien van het kenteken. Het laatste deel kon ik niet zien omdat de auto net achter een struikje stond.Ik heb eerder foto's van hem gezien, ook heeft [slachtoffer] mij verteld hoe hij er uitzag. Dit in combinatie met de auto wist ik meteen dat hij dit was. Ik wist hoe hij
eruit zag door zijn bouw, het is een grote man.
De verdachteheeft ter terechtzitting zakelijk weergegeven het volgende verklaard:
Het klopt dat ik na het verbreken van de relatie berichten, mails, cadeaus en rozen heb verstuurd aan aangeefster. Het klopt dat ik op 9 december 2024 een gesprek heb gehad met [naam 4] . Het klopt dat ik kaarten (terug) heb gestuurd naar de dochter van aangeefster met daarop door mij aangebrachte tekst. Het klopt dat ik ook de stopbrief van aangeefster terug heb gestuurd met tekst. Het klopt dat ik kaarten heb gestuurd naar vriendinnen van aangeefster en dat ik bloemen heb gestuurd naar de schoonmoeder van de dochter van aangeefster. Ook heb ik contact gezocht met de schoonzonen en de dochters van aangeefster. Ik kan me achteraf voorstellen dat dit allemaal een inbreuk op de levenssfeer van aangeefster is geweest.
Het klopt dat de Audi Q7 met kenteken [nummers] mijn auto is. Ik heb die avond van 2 augustus 2025 mijn auto geparkeerd bij het station [plaats 1] .
Op 25 september 2025 is aan de verdachte
een gedragsaanwijzingopgelegd. Deze gedragsaanwijzing is op 28 september 2025 in persoon aan de verdachte uitgereikt en houdt zakelijk weergegeven onder meer het volgende in:
Beveelt de verdachte:
Gebiedsverbod:
zich niet op te houden in/op [straatnamen] ;
Contactverbod
zich te onthouden van contact met de volgende persoon: [slachtoffer] .;
bepaalt dat zulks met zich brengt dat verdachte noch direct (zelf), noch
indirect (middels anderen) op enigerlei wijze contact (niet middels
telefoon, niet middels internet, niet via enig ander communicatiemiddel,
noch middels direct persoonlijk contact, noch middels schriftelijke
middelen) zal hebben met genoemde persoon.
Periode
De gedragsaanwijzing gaat in met ingang van de dag van uitreiking en blijft
van kracht voor een periode van 90 dagen, tenzij binnen de gestelde
termijn een onherroepelijke afdoening heeft plaatsgevonden van de uit
onderhavige verdenking voortkomende strafzaak.
Op 15 oktober 2025 heeft [slachtoffer]
aanvullend aangiftegedaan en zakelijk weergegeven het volgende verklaard:
Op 13 oktober 2025 omstreeks 20:00 uur belde mijn vriendin mij op. Zij vertelde mij dat ze tijdens een wandeling vrienden van haar was tegengekomen welke voor mijn oprit tussen 19:00 en 19:30 uur een tracker hadden gevonden. Ik schrok daar wel van. In augustus 2025 is er al eerder een tracker gevonden onder mijn auto. Korte tijd later is [verdachte] gezien bij de auto toen deze geparkeerd stond in [plaats 1] bij het treinstation. Mogelijk is deze tracker onder mijn auto vandaan gevallen toen ik op 13 oktober 2025 om 18:55 uur ben weggereden. Ik heb toen ook iets gehoord.
In
het proces-verbaal van bevindingenstaat zakelijk weergegeven het volgende gerelateerd:
Op 13 oktober 2025, tussen 19:00 uur en 19:30 uur werd een tracker op de oprit van aangeefster aangetroffen. Deze tracker zat vermoedelijk onder het voertuig van
aangeefster. Deze tracker werd in beslag genomen en nader onderzocht. De tracker bleek voorzien te zijn van een IMEI nummer. Dit IMEI nummer werd historisch bevraagd over een periode van 2 juni 2025 tot en met 15 oktober 2025.
Ik zag dat er gegevens terugkwamen van de periode tussen 5 juni 2025 tot en met 15
oktober 2025.
Ik zag dat de tracker de gehele maand juni masten aanstraalde in [plaats 3] en [plaats 2] .
Deze masten lagen allen in de directe omgeving van het woonadres van de verdachte.
Op 11 juli 2025 werd er een mast aangestraald op de [adres 2] te Kessel.
Hierna straalt de tracker wederom hoofdzakelijk masten aan in [plaats 3] en [plaats 2] .
Vanaf 10 oktober tot en met 14 oktober 2025 straalt de tracker een mast in Kessel aan op de [adres 2] .
De bewijsoverweging
De rechtbank stelt het volgende voorop. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in art. 285b, eerste lid, Wetboek van Strafrecht zijn verschillende factoren van belang: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer (HR 29 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5710; HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3095). De rechtbank stelt aan de hand van bovenstaande bewijsmiddelen vast dat de relatie van de verdachte met aangeefster op 26 november 2024 is beëindigd door aangeefster. Vanaf 28 november 2024 bleef de verdachte vele berichten sturen naar aangeefster. Ook stuurde hij een brief naar haar en bracht hij een kist met cadeaus naar de schoonzoon van aangeefster. Aangeefster heeft op 8 december 2024 haar zwager gevraagd of hij een gesprek met de verdachte wilde voeren om aan hem duidelijk te maken dat de relatie echt over was. Op 9 december 2024 heeft de zwager van aangeefster een gesprek gevoerd met de verdachte en aangegeven dat de verdachte moest stoppen met zijn gedrag en aangeefster met rust moest laten. De rechtbank is van oordeel dat de boodschap van dit gesprek de verdachte meer dan duidelijk moet zijn geweest en dat hij in ieder geval vanaf dat moment aangeefster met rust had moeten laten. De verdachte ging echter door met veelvuldig contact zoeken met aangeefster en haar omgeving. Aangeefster heeft daarna tevergeefs meermaals aangegeven dat ze wilde dat de verdachte ermee stopte. Zij stuurde cadeaus terug en zij heeft de verdachte op diverse wijzen geblokkeerd op haar telefoon en op sociale media. Ze reageerde niet op de vele berichten die zij van de verdachte ontving. Uiteindelijk heeft aangeefster zelfs een aangetekende stopbrief gestuurd en heeft een stopgesprek met de wijkagent plaatsgevonden: dit alles weerhield de verdachte er niet van om contact te zoeken met aangeefster en haar omgeving. Integendeel, de verdachte ging hierna zelfs zodanig ver dat hij een Airtag heeft geplaatst op de auto van aangeefster om haar te kunnen volgen.
In tegenstelling tot wat de verdediging stelt, acht de rechtbank een Airtag wel degelijk een geschikt middel om iemand mee te kunnen volgen. De eigenaar van de Airtag kan namelijk op deze manier zien waar de Airtag zich bevindt en daarmee ook de (onbewuste) drager van deze Airtag traceren. Dat het uiteindelijk niet het meest slimme middel was, omdat aangeefster zelf ook een melding van de Airtag kreeg, doet hier niets aan af.
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de Airtag niet onder de auto van aangeefster heeft bevestigd. Hij zou zijn auto op de betreffende dag op de parkeerplaats bij het station [plaats 1] hebben geparkeerd en met de trein naar Utrecht zijn gegaan. De rechtbank acht deze verklaring ongeloofwaardig. Getuige [naam 2] heeft immers de persoon die een half uur bezig is geweest aan de auto van aangeefster - ook op de plek waar de Airtag bevestigd was - herkend als zijnde de hem, [naam 2] , bekende stalker van aangeefster. Dit in samenhang gezien met het feit dat de verdachte die avond met zijn auto op dezelfde parkeerplaats was, maakt dat de rechtbank concludeert dat het niet anders kan dan dat het de verdachte is geweest die deze Airtag heeft geplaatst op de auto van aangeefster met het doel haar te kunnen volgen.
Op 25 september 2025 is aan de verdachte een gedragsaanwijzing opgelegd die inhoudt dat hij niet in Kessel mocht komen en ook dat hij geen contact mocht opnemen met aangeefster. Uit bovenstaande bewijsmiddelen volgt dat op 13 oktober 2025 wederom een tracker is aangetroffen, ditmaal bij de oprit van de woning van aangeefster nadat zij van huis was vertrokken. Deze tracker is onderzocht en uit de gegevens volgt dat de tracker de gehele maand juni 2025 masten aanstraalde in de woonomgeving van de verdachte. Op 11 juli 2025 heeft deze tracker een mast aangestraald op de [adres 2] te Kessel. Hierna straalde de tracker wederom hoofdzakelijk masten aan in de woonomgeving van de verdachte. Vanaf 10 oktober 2025 tot en met 14 oktober 2025 straalde de tracker wederom de mast in Kessel aan op de [adres 2] , welke straat één straat verwijderd is van het woonadres van aangeefster. De rechtbank acht de vaststelling dat de verdachte eerder een Airtag op de auto van aangeefster heeft geplaatst mede redengevend voor het bewijs van onderhavig feit. En gezien het feit dat deze ‘tweede’ tracker eerst een lange tijd aanstraalde in de omgeving van het woonadres van de verdachte en vervolgens vanaf 10 oktober 2025 op een mast in de buurt van de woning van aangeefster alvorens de tracker op 13 oktober 2025 werd aangetroffen bij de oprit van aangeefster. Dit maakt dat de rechtbank van oordeel is dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de tracker op 10 oktober 2025 onder de auto van aangeefster heeft geplaatst om haar te kunnen volgen. Hiermee heeft hij eveneens de gedragsaanwijzing van 25 september 2025 overtreden.
De rechtbank is van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de hiervoor vastgestelde gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van aangeefster zodanig is geweest dat van een stelselmatige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer sprake is geweest. Gelet op de verschillende en herhaalde wijzen waarop aangeefster te kennen heeft gegeven van dat gedrag niet gediend te zijn, acht de rechtbank deze inbreuk gedurende de bewezen te verklaren periode ook wederrechtelijk.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het voor de verdachte pas tijdens het stopgesprek met de wijkagent van 14 april 2025 duidelijk is geworden dat hij geen contact meer moest zoeken met aangeefster. De rechtbank is echter van oordeel -zoals hierboven ook al overwogen- dat het voor de verdachte al vanaf 9 december 2024 duidelijk moet zijn geweest dat aangeefster geen contact meer wilde met de verdachte en dat hij haar met rust moest laten. Op die dag heeft de zwager van aangeefster een gesprek gehad met de verdachte en hem verteld dat hij moest stoppen met zijn gedrag en dat hij aangeefster met rust moest laten.
De rechtbank acht daarmee de belaging onder parketnummer 03.252230.25 voor de periode van 9 december 2024 tot en met 13 oktober 2025 en feit 1 onder parketnummer 03.087555.26 wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van het gedachtestreepje “eenmaal of meermalen met de auto achter die [slachtoffer] aan te rijden”, alleen al om de reden dat het niet mevrouw [slachtoffer] was die in de auto zat.
Vrijspraak feit 2 onder parketnummer 03.087555.26
De rechtbank stelt vast dat niet uit het dossier blijkt dat de verdachte wist of moest vermoeden dat aangeefster bij genoemde golfclub kwam en/of op welke momenten. De verdachte is voor dit tenlastegelegde feit niet door de politie verhoord. Ter terechtzitting heeft hij hierover pas voor het eerst een verklaring afgelegd, waarbij hij heeft gesteld dat hij al geruime tijd bij de golfclub kwam vóórdat aangeefster daar kwam. De rechtbank stelt vast dat het een keuze van de politie en/of van de officier van justitie moet zijn geweest om de verdachte niet over deze verdenking te verhoren voorafgaand aan de dagvaarding, en constateert dat hierdoor de verschillen tussen de aangifte enerzijds en de ter terechtzitting afgelegde verklaring van de verdachte anderzijds in de lucht blijven hangen, nu aangeefster niet geconfronteerd kon worden met de verklaring van de verdachte en nu bijvoorbeeld evenmin de genoemde kapster benaderd is ter verificatie of falsificatie van hetgeen bij de aangiftes is vermeld. De rechtbank acht nader onderzoek naar dit feit in de huidige fase van berechting niet meer aan de orde, waarmee voor dit feit de vereiste duidelijkheid ten enenmale ontbreekt. De rechtbank zal de verdachte dus vrijspreken van feit 2 onder parketnummer 03.087555.26.