ECLI:NL:RBLIM:2026:5697

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
ROE 26/1010
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • N.N.J. Derks-Voncken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen woningsluiting wegens drugshandel onvoldoende gemotiveerd

De burgemeester van Venlo besloot op grond van artikel 13b van de Opiumwet de woning van verzoeker voor negen maanden te sluiten vanwege de aanwezigheid van handelshoeveelheden soft- en harddrugs. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening om in de woning te kunnen blijven tijdens de bezwaarprocedure.

De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake was van een spoedeisend belang, maar dat de burgemeester onvoldoende had onderbouwd dat sluiting van de woning geschikt en noodzakelijk was. Hoewel drugs en geld werden aangetroffen, ontbraken concrete aanwijzingen voor feitelijke handel in of vanuit de woning, zoals een loop naar de woning of recente overlastmeldingen.

De melding uit mei 2025 was onvoldoende concreet en er was geen aantoonbaar verband tussen de drugs die verzoeker op straat bij zich had en de woning. Ook was niet aangetoond dat minder ingrijpende maatregelen dan sluiting niet effectief zouden zijn.

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, het besluit tot sluiting geschorst tot twee weken na de beslissing op bezwaar, en werd de burgemeester veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan verzoeker.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van de woning wordt toegewezen en het besluit geschorst.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 26/1010

uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 juni 2026 in de zaak tussen

[naam] , uit Venlo, verzoeker

(gemachtigde: mr. C.C. Haanappel),
en

de Burgemeester van de gemeente Venlo, de burgemeester

(gemachtigde: mr. E.P.B. Moors).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van de burgemeester om de woning van verzoeker te sluiten voor een periode van negen maanden vanwege drugshandel. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom een voorlopige voorziening te treffen zodat hij in zijn woning kan blijven wonen tijdens de bezwaarschriftprocedure. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Dat betekent dat de woning voorlopig niet gesloten mag worden. Hieronder legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 28 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de burgemeester op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet besloten de woning van verzoeker te sluiten voor de duur van negen maanden.
2.1.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft ook de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
De burgemeester heeft de rechtbank laten weten dat hij wacht met sluiten totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.
2.3.
De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.
2.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de burgemeester.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Wat is er gebeurd?
4. Verzoeker is huurder van de woning.
4.1.
De burgemeester heeft een bestuurlijk rapportage van 20 februari 2026 van de politie ontvangen. Uit deze bestuurlijke rapportage volgt dat op 11 februari 2026 verzoeker op straat op heterdaad is aangehouden ter zake van bezit of handel in harddrugs. Verzoeker heeft tijdens zijn aanhouding verklaard dat hij in het bezit was van 8 ponypacks gevuld met witte poeder (indicatief getest op cocaïne) en twee mobiele telefoons. Aansluitend heeft de politie de woning van verzoeker doorzocht. Het volgende werd in de woning aangetroffen en in beslag genomen:
- € 691,90 in verschillende coupures en muntgeld;
- 19,2 gram netto henneptoppen;
- 342 gram bruto versnijdingsmiddel (indicatief getest op Procaine-Levamisol);
- 1,8 gram netto versnijdingsmiddel (indicatief getest op Levamisol);
- 24 ponypacks van 25,7 gram bruto cocaïne;
- 2 ponypacks van 2,5 gram netto cocaïne.
4.2.
Verzoeker heeft ten overstaan van de politie verklaard dat hij de 8 ponypacks had gekocht voor zichzelf en zijn vrienden. Ook de aangetroffen cocaïne in de woning waren voor zijn vrienden en hemzelf. Het versnijdingsmiddel in zijn woning had hij een half jaar daarvoor van een vriend gekregen en hij wist niet meer dat het daar lag. De hennep lag er ook al langere tijd en gebruikt hijzelf niet. Het aangetroffen geld in de woning was spaargeld, aldus verzoeker.
4.3.
Daarnaast staat in de bestuurlijke rapportage vermeld dat er in mei 2025 een melding was binnengekomen bij de politie over de handel in verdovende middelen door verzoeker.
4.4.
De burgemeester heeft na ontvangst van de bestuurlijke rapportage verzoeker laten weten op 8 april 2026 voornemens te zijn de woning voor een bepaalde periode te sluiten. Verzoeker heeft daarop een zienswijze ingediend tegen het voornemen. Vervolgens heeft de burgemeester het bestreden besluit genomen. Hij heeft in de zienswijze geen aanleiding gezien om af te zien van zijn voornemen om de woning te sluiten.
Is er sprake van een spoedeisend belang?
5. De door verzoeker gevraagde voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor verzoeker niet kan wachten op een beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter vindt het belang van verzoeker bij het treffen van een voorlopige voorziening in dit geval voldoende spoedeisend, omdat hij niet in zijn woning kan wonen als die wordt gesloten.
Wat is het toetsingskader?
6. Op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet kan de burgemeester een pand sluiten als een middel als bedoeld in lijst I en II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.
6.1.
Ter uitvoering van deze bevoegdheid heeft de burgemeester de Beleidsregels ter voorkoming en bestrijding van drugsoverlast, -handel en -productie vastgesteld (de beleidsregels). In de beleidsregels is bepaald dat de sluitingstermijn bij woningen een jaar bedraagt als een handelshoeveelheid harddrugs of softdrugs (in grote handelshoeveelheden) wordt aangetroffen. Bij softdrugs is er sprake van een handelshoeveelheid als er meer dan 5 gram wordt aangetroffen. Bij harddrugs is dat het geval als er meer dan 0,5 gram wordt aangetroffen. De burgemeester heeft in de beleidsregels daarbij aansluiting gezocht bij het door het Openbaar Ministerie gehanteerde criterium voor eigen gebruik.
6.2.
Als de burgemeester gebruik wil maken van zijn bevoegdheid om een woning op grond van artikel 13b, van de Opiumwet te sluiten, geldt daarvoor het beoordelings- en toetsingskader van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Dat kader is beschreven in de uitspraken van 6 juli 2022 [1] en 16 juli 2025 [2] . Hierbij moet beoordeeld worden of de sluiting van de woning in het concrete geval geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.
Is de burgemeester bevoegd om tot sluiting van de woning over te gaan?
7. Verzoeker heeft aangevoerd dat geen sprake is van handel in verdovende middelen. Verzoeker heeft aangegeven dat de aangetroffen verdovende middelen bestemd waren voor eigen gebruik van hemzelf en zijn vrienden. Daarnaast wordt er volgens verzoeker in het bestreden besluit uitgegaan van bruto hoeveelheden, wat ruim afwijkt van het netto gewicht.
7.1.
De burgemeester is in beginsel bevoegd om de woning te sluiten als er een handelshoeveelheid drugs in een woning wordt aangetroffen. Zoals hiervoor al is vermeld, is bij harddrugs sprake van een handelshoeveelheid als er meer dan 0,5 gram wordt aangetroffen en bij softdrugs ligt de grens bij 5 gram. Bij een geringe overschrijding van die grens kan er nog sprake zijn van eigen gebruik. Verzoeker zal dat zelf aannemelijk moeten maken. Niet in geschil is dat er 19,2 gram netto hennep (softdrugs) is aangetroffen in de woning. Dit is een ruime overschrijding van de grens van 5 gram. Verder is er 25,7 gram bruto én 2,5 gram netto cocaïne (harddrugs) gevonden in verzoekers woning. De voorzieningenrechter merkt in dit kader op dat ook al is alleen het brutogewicht van 25,7 gram bekend van de 24 ponypacks met cocaïne, het nettogewicht naar verwachting ruim meer zal zijn dan 0,5 gram en daarmee een handelshoeveelheid vormen. [3]
7.2.
Verzoeker heeft aangevoerd dat de cocaïne voor eigen gebruik was. Verzoeker kan eigen gebruik aannemelijk maken als hij een helder en consistent betoog heeft over zijn eigen gebruik, er geen andere zaken in het pand zijn aangetroffen die wijzen op drugshandel en niet is gebleken van andere relevante feiten en omstandigheden. [4]
7.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker alleen maar stelt en niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aangetroffen drugs uitsluitend voor eigen gebruik van hemzelf en zijn vrienden waren en niet voor de handel. Verzoeker heeft zijn stelling niet onderbouwd en ook niet verklaard en inzicht verschaft over zijn eigen drugsverslaving.
7.4.
Op basis van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden heeft de burgemeester voldoende aannemelijk gemaakt dat er in de woning van eiser sprake is van de aanwezigheid van een handelshoeveelheid soft- en harddrugs. Gelet hierop was de burgemeester bevoegd de woning te sluiten.
Is de sluiting geschikt en noodzakelijk?
8. Als de burgemeester bevoegd is om een pand te sluiten, is de volgende vraag of er ook een noodzaak is om een pand te sluiten. Daarbij is van belang of de burgemeester met een minder ingrijpend middel dan een sluiting had kunnen en moeten volstaan omdat het beoogde doel ook met dat minder ingrijpende middel had kunnen worden bereikt. Toepassing van artikel 13b van de Opiumwet is een herstelsanctie en strekt tot beëindiging van de overtreding van de Opiumwet, het beëindigen van de negatieve effecten van de overtreding en het voorkomen van herhaling van de overtreding. Herstel van de openbare orde is dus niet op zichzelf het doel van deze toepassing. Dit neemt niet weg dat een overtreding van de Opiumwet, ook wanneer deze plaatsvindt in of vanuit een woning, gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat in de omgeving en in meer of mindere mate gepaard gaat met verstoring van de openbare orde. Het ligt voor de hand dat de burgemeester die effecten op de omgeving betrekt in zijn beoordeling of het noodzakelijk is om over te gaan tot sluiting van een woning. Deze beoordeling moet plaatsvinden aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. [5]
8.1.
Verzoeker heeft aangevoerd dat er geen noodzaak is tot sluiting van de woning en dat er met een minder ingrijpend middel kan worden volstaan. Volgens verzoeker is er geen handel waargenomen in of vanuit de woning, was er geen sprake van ‘loop naar de woning’ en waren er geen overlastmeldingen vanuit de buurt. De woning staat dus niet bekend als drugspand. Voor zover in het bestreden besluit wordt verwezen naar een melding uit mei 2025 dat verzoeker handelt in drugs, is verzoeker de mening toegedaan dat deze melding niet één jaar later kan leiden tot een noodzaak tot sluiting. Verzoeker erkent dat hij door de politie is aangehouden in verband met het bezit of handel in verdovende middelen op straat, maar niet vanwege handel vanuit de woning. Verzoeker stelt dat hij de verdovende middelen had gekocht om zelf te gebruiken samen met vrienden. Wat betreft zijn inbeslaggenomen telefoons, heeft verzoeker aangegeven dat hij deze kan komen ophalen bij de politie. Dit duidt erop volgens verzoeker dat met deze telefoons geen strafbare feiten zijn gepleegd en hierop kennelijk niets strafbaars is aangetroffen.
8.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester de geschiktheid en de noodzaak om de woning te sluiten onvoldoende heeft onderbouwd. Hoewel in de woning een handelshoeveelheid soft- en harddrugs is aangetroffen, waarbij de harddrugs verpakt waren in ponypacks, blijkt uit de bestuurlijke rapportage niet van enige loop naar de woning en zijn evenmin (recente) meldingen van overlast geregistreerd. De melding uit mei 2025 ziet op handel in verdovende middelen door verzoeker, maar de bestuurlijke rapportage vermeldt niet waar deze handel heeft plaatsgevonden en deze melding is verder ook weinig concreet. De voorzieningenrechter kan aan de melding uit mei 2025 dan ook niet die waarde hechten die de burgemeester daaraan gehecht wenst te zien. Er zijn dus geen concrete aanwijzingen dat in of vanuit de woning feitelijk in drugs werd gehandeld. Daarbij komt ook nog dat de woning zich niet bevindt in een voor drugshandel kwetsbare wijk.
8.3.
In de woning zijn wel versnijdingsmiddelen en een contant geldbedrag aangetroffen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter rechtvaardigen deze omstandigheden – gelet op het ontbreken van andere signalen, die wijzen op handel – evenmin de conclusie dat sprake is geweest van feitelijke handel in of vanuit de woning.
8.4.
De voorzieningenrechter merkt in dit kader verder nog op dat de harddrugs die eerder zijn aangetroffen bij de aanhouding van verzoeker op straat (ter zake van bezit of handel in harddrugs), niet zonder meer aan de woning kunnen worden gerelateerd. Van een concreet en aantoonbaar verband tussen de bij verzoeker op straat aangetroffen harddrugs en de woning is niet gebleken. Weliswaar is verzoeker op straat op heterdaad aangehouden, maar uit de bestuurlijke rapportage volgt niet dat kopers zijn afgevangen, die hebben verklaard drugs van verzoeker te hebben gekocht. Ook blijkt niet dat de politie heeft waargenomen dat verzoeker daadwerkelijk drugs heeft verhandeld. Onder deze omstandigheden kan niet zonder nadere motivering worden aangenomen dat sprake was van straathandel, die in verband stond met de woning.
8.5.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter valt – gelet op het bovenstaande – niet uit te sluiten dat de burgemeester in heroverweging zal concluderen dat sluiting van de woning in dit geval een te verstrekkende maatregel is. Verder is niet gebleken waarom het beoogde doel, het voorkomen van herhaling van de overtreding, niet ook kan worden bereikt door het opleggen van een last onder dwangsom of het geven van een waarschuwing aan verzoeker. De burgemeester heeft dit onvoldoende onderbouwd.
Is de sluiting evenwichtig?
9. Het voorgaande biedt naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende basis voor toewijzing van de gevraagde voorziening. Aan een beoordeling van de evenwichtigheid van het besluit wordt daarom niet meer toegekomen.

Conclusie en gevolgen

10. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester de noodzaak tot sluiting van de woning onvoldoende heeft onderbouwd. Het bestreden besluit zal dan ook naar verwachting in bezwaar niet ongewijzigd in stand blijven. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit is geschorst tot twee weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
10.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet de burgemeester het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Daarom krijgt verzoeker ook een vergoeding van de proceskosten. De voorzieningenrechter heeft de proceskostenvergoeding vastgesteld op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Zij heeft verzoeker een vergoeding toegekend voor kosten van rechtsbijstand. Zij is daarbij uitgegaan van twee proceshandelingen, te weten het indienen van een verzoekschrift en bijstand op de zitting, elk met een waarde van € 934,- en wegingsfactor 1.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
- schorst het bestreden besluit tot twee weken na bekendmaking van het bestreden besluit;
- bepaalt dat de burgemeester het griffierecht ban € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.N.J. Derks-Voncken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.H.J. Laeven, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 15 juni 2026.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

3.In het kader van de nog te nemen beslissing op bezwaar kan de burgemeester bij de politie nog informeren naar de netto hoeveelheid.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1698.
5.Zie noot 2 (rechtsoverweging 10.1).