ECLI:NL:RBLIM:2026:5987

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
ROE 26/991
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:6 APVArt. 2:28 APVArt. 2:28a APVArt. 8 AlcoholwetArt. 31 Alcoholwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen intrekking exploitatie- en alcoholwetvergunning wegens vermeend slecht levensgedrag vennoot

Verzoekers exploiteren een horecabedrijf in Valkenburg aan de Geul en kregen een exploitatie- en alcoholwetvergunning. De burgemeester trok deze vergunningen in op grond van vermeend slecht levensgedrag van verzoeker sub 1, een vennoot, naar aanleiding van twee incidenten van mishandeling, waarvan één in het horecabedrijf.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de intrekking van de exploitatievergunning niet kan worden gebaseerd op artikel 1:6 van Pro de APV in combinatie met slecht levensgedrag, omdat dit geen zelfstandige intrekkingsgrond is. Daarnaast is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat verzoeker sub 1 daadwerkelijk van slecht levensgedrag is, mede omdat de strafzaak nog loopt en noodweer of noodweerexces niet is uitgesloten.

Ook het incident in het horecabedrijf waarbij geen melding aan de politie werd gedaan, leidt niet tot de conclusie dat sprake is van slecht levensgedrag. De voorzieningenrechter vindt dat de burgemeester onvoldoende heeft gemotiveerd waarom intrekking noodzakelijk en evenwichtig is en dat de belangenafweging ontbreekt.

Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en het bestreden besluit geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Verzoekers mogen de vergunningen voorlopig blijven gebruiken en krijgen een vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en de intrekking van de vergunningen geschorst wegens onvoldoende bewijs van slecht levensgedrag.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 26/991

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 juni 2026 in de zaak tussen

1.1) [naam] , uit Valkenburg aan de Geul, verzoeker

2)
[naam], uit Valkenburg aan de Geul, verzoekster
3)
[naam] ., uit Valkenburg aan de Geul, verzoekster
gezamenlijk aangeduid als verzoekers
(gemachtigde: mr. E.R. Peeters),
en

de burgemeester van de gemeente Valkenburg aan de Geul, de burgemeester

(gemachtigde: mr. P. Bori).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de intrekking van de alcoholwetvergunning respectievelijk de exploitatievergunning, zoals bedoeld in artikel 2:28, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening Valkenburg (APV) ten behoeve van het [naam bedrijf] (hierna: het horecabedrijf), gelegen in Valkenburg aan de Geul. Verzoekers zijn het niet eens met de intrekking van de vergunningen en voeren daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekers.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de intrekking van de exploitatievergunning niet kan worden gebaseerd op artikel 1:6 van Pro de APV. Ook indien de burgemeester bevoegd zou zijn de exploitatievergunning in te trekken, houdt dit besluit geen stand. De voorzieningenrechter is vooralsnog van oordeel dat de door de burgemeester genoemde feiten en omstandigheden onvoldoende zijn voor de conclusie dat verzoeker sub 1 in enig opzicht van slecht levensgedrag is, in die zin dat dit op dit moment tot intrekking van de exploitatievergunning voor het horecabedrijf zou moeten leiden. Daarnaast heeft de burgemeester in het bestreden besluit ook onvoldoende helder gemaakt waarom de intrekking van de exploitatievergunning in dit geval noodzakelijk en ook evenwichtig is. Voor zover de burgemeester meent dat de alcoholwetvergunning moet worden ingetrokken, sluit de voorzieningenrechter aan bij haar beoordeling ten aanzien van de exploitatievergunning en het gestelde slechte levensgedrag. Ook ten aanzien van de alcoholwetvergunning ziet de voorzieningenrechter aanleiding te oordelen dat de burgemeester niet tot intrekking heeft kunnen overgaan. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 1 mei 2026 heeft de burgemeester de aan verzoekers verleende exploitatievergunning en de alcoholwetvergunning ingetrokken met ingang van 4 mei 2026. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De burgemeester heeft aangegeven bereid te zijn om de gevolgen van het bestreden besluit op te schorten tot de uitspraak van de voorzieningenrechter.
2.2.
Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om met toepassing van artikel 8:62, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de behandeling ter zitting achter gesloten deuren te doen plaatsvinden. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek met de brief van 22 mei 2026 afgewezen, omdat in wat is aangevoerd de voorzieningenrechter geen grond ziet om af te wijken van het zwaarwegend belang dat het onderzoek op zitting in het openbaar zal plaatsvinden.
2.3.
Verder heeft de burgemeester een bestuurlijke rapportage van 8 april 2026 bij de rechtbank ingediend met een verzoek om geheimhouding op grond van artikel 8:29, eerste lid, van de Awb. De rechtbank heeft op 11 juni 2026 het verzoek om geheimhouding toegewezen en de beperkte kennisneming van dit stuk gerechtvaardigd geacht. Verzoekers hebben daarop bij brief van 16 juni 2026 de voorzieningenrechter toestemming verleend de bestuurlijke rapportage van 8 april 2026 bij de beoordeling van de voorlopige voorziening te betrekken.
2.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, de gemachtigde van verzoekers, mr. A.J.T. Austen (kantoorgenoot van de gemachtigde van verzoekers), [naam] (namens verzoekers) en de gemachtigde van de burgemeester.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Relevante feiten en omstandigheden
3. Verzoekers exploiteren een horecabedrijf in Valkenburg aan de Geul. Ten behoeve van dit horecabedrijf is aan verzoekster sub 3 een alcoholwetvergunning (voorheen een Drank- en Horecawetvergunning) verleend alsook een exploitatievergunning. Verzoeker sub 1 en verzoekster sub 2 zijn vennoten van verzoekster sub 3. Zij staan – naast anderen – ook vermeld als leidinggevende op voornoemde vergunningen.
3.1.
Op 18 december 2025 heeft de politie een bestuurlijke rapportage uitgebracht met betrekking tot een mishandeling, die op 15 november 2025 heeft plaatsgevonden in een café in Valkenburg. Het slachtoffer had een hersenschudding, gebroken neus, gebroken jukbeen, blauw oog en een stuk van zijn tand af. Het onderzoek wees uit dat de vermoedelijke verdachte verzoeker sub 1 is. Verzoeker heeft zich diezelfde dag op het politiebureau gemeld en aangegeven dat hij met vrienden die nacht op stap was geweest en ongewild in een vechtpartij verzeild is geraakt. Vervolgens is verzoeker sub 1 op 19 november 2025 aangehouden op verdenking van openlijke geweldpleging en is hij als verdachte gehoord.
3.2.
Naar aanleiding van deze bestuurlijke rapportage heeft de burgemeester op 13 januari 2026 het voornemen uitgebracht om de verstrekte exploitatie- en alcoholwetvergunning in te trekken, omdat verzoeker sub 1 (kort gezegd) in enig opzicht van slecht levensgedrag is. Verzoekers hebben op 27 januari 2026 en 23 februari 2026 zienswijzen naar voren gebracht tegen dit voornemen van de burgemeester.
3.3.
Vervolgens heeft de burgemeester een bestuurlijke rapportage van 8 april 2026 van de politie ontvangen. Deze rapportage betreft een mishandeling die heeft plaatsgevonden in het horecabedrijf van verzoekers op 18 mei 2025.
3.4.
Met het bestreden besluit heeft de burgemeester definitief besloten tot intrekking van de exploitatie- en alcoholwetvergunning. De burgemeester heeft aan het bestreden besluit het incident van 14 november 2025 ten grondslag gelegd, waarbij verzoeker sub 1 betrokken is geraakt bij een vechtpartij. Verder is in het bestreden besluit het incident van 18 mei 2025 meegewogen, waarbij een vechtpartij heeft plaatsgevonden in het horecabedrijf van verzoekers en zij hiervan geen melding hebben gedaan bij de politie, terwijl dit wel in de voorwaarden van de exploitatievergunning als zodanig is voorgeschreven. De burgemeester meent dat verzoeker sub 1 naast exploitant van het horecabedrijf ook privé betrokken is geweest bij het conflict dat ten grondslag ligt aan het incident van 18 mei 2025. Volgens de burgemeester is er – gelet op deze incidenten – sprake van slecht levensgedrag van de zijde van verzoeker sub 1.
Spoedeisend belang
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist.
4.1.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er in het geval van verzoekers sprake van een spoedeisend belang. De intrekking van de vergunningen heeft tot gevolg dat verzoekers in het geheel geen inkomsten meer verwerven. Niet enkel verzoekers, maar ook hun werknemers (in vaste dienst) worden door dit besluit ernstig geraakt. Bij het geheel ontbreken van enige inkomsten en gelet op de (maandelijks terugkerende) financiële verplichtingen van verzoekers is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat op korte termijn financiële nood kan ontstaan, wat ook is aangetoond met bewijsmiddelen.
Wettelijk kader
5. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Intrekking van de exploitatievergunning
6. De burgemeester heeft de intrekking van de exploitatievergunning op artikel 1:6, aanhef en onder b, van de APV gebaseerd in combinatie met het slecht levensgedrag van verzoeker sub 1.
6.1.
Op grond van voornoemd artikel, voor zover hier van belang, kan de vergunning worden ingetrokken indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning, moet worden aangenomen dat intrekking noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist.
6.2.
De burgemeester heeft betoogd dat het belang van een ordelijke exploitatie van het horecabedrijf niet langer is gewaarborgd. Iemand die buiten zijn bedrijf bereid is fysiek geweld te gebruiken, wordt volgens de burgemeester niet langer in staat geacht om binnen zijn bedrijf corrigerend en de-escalerend op te treden bij spanningen tussen bezoekers. Het van kracht blijven van de vergunning zou naar de mening van de burgemeester de vrees rechtvaardigen dat de inrichting een ontmoetingsplaats wordt voor personen met een geweldsachtergrond of dat de exploitatie de veiligheid van bezoekers en omwonenden onvoldoende kan garanderen. De burgemeester heeft verder betoogd dat het vereiste dat een leidinggevende of exploitant niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is, ertoe strekt het belang van de veiligheid, de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf te waarborgen. Hierin ligt besloten dat het om eerder getoond gedrag gaat dat in het licht van deze motieven niet past bij de verantwoordelijkheid, die op een leidinggevende van een horecabedrijf rust, aldus de burgemeester.
6.3.
Verzoeker heeft onder meer aangevoerd – onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) [1] – dat de exploitatievergunning niet kan worden ingetrokken op basis van artikel 1:6, aanhef en onder b, van de APV in combinatie met het slecht levensgedrag van een exploitant, omdat het levensgedrag van een exploitant niet als zodanig als intrekkingsgrond staat vermeld in artikel 1:6 van Pro de APV.
6.4.
De voorzieningenrechter begrijpt het standpunt van de burgemeester aldus dat hij de exploitatievergunning heeft ingetrokken op grond van gewijzigde omstandigheden of inzichten, die zich na de verlening van de exploitatievergunning hebben voorgedaan. Op zitting heeft de gemachtigde van de burgemeester bevestigd dat die wijziging bestaat uit de omstandigheid dat verzoeker sub 1, vanwege de verdenking van mishandeling, niet langer voldoet aan de eis dat hij niet in enig opzicht van slecht levensgedrag mag zijn. De voorzieningenrechter stelt vast dat deze eis van ‘niet slecht levensgedrag zijn’ geldt als voorwaarde voor vergunningverlening [2] , maar niet als zelfstandige intrekkingsgrond. De APV bevat specifieke gronden voor het intrekken van exploitatievergunningen [3] , maar voorziet niet in een intrekkingsgrond, die betrekking heeft op slecht levensgedrag. Bij de totstandkoming van de APV heeft de gemeenteraad destijds kennelijk uitdrukkelijk deze keuze gemaakt. Door in het geval van verzoekers de algemene intrekkingsgrond van artikel 1:6 van Pro de APV te gebruiken voor de intrekking van de exploitatievergunning, past de burgemeester deze bepaling toe voor een ander doel dan waarvoor zij bedoeld is. Dit levert naar het oordeel van de voorzieningenrechter strijd op met het legaliteitsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Dat de burgemeester een beleidsregel [4] heeft, waarin wordt uitgewerkt wat onder slecht levensgedrag moet worden verstaan, leidt ook niet tot een ander oordeel. Het is immers niet mogelijk om via beleidsregels een zelfstandige intrekkingsgrond te creëren in afwijking van of naast de in de APV opgenomen intrekkingsgronden. Verzoekers hebben bovendien terecht opgemerkt dat het beleid wel aansluit bij verschillende APV-bepalingen, maar niet bij de algemene intrekkingsgrond zoals opgenomen in artikel 1:6 van Pro de APV.
6.5.
Gelet op het voorgaande, hebben verzoekers zich terecht op het standpunt gesteld dat de intrekking van de exploitatievergunning op grond van artikel 1:6 van Pro de APV niet kan worden gebaseerd op het levensgedrag van verzoeker sub 1. Het betoog van verzoekers treft doel. De burgemeester is dus niet bevoegd om de exploitatievergunning in te trekken op deze wettelijke grondslag. Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de intrekking van de exploitatievergunning, heeft in bezwaar een redelijke kans van slagen.
6.6.
Zelfs indien wordt aangenomen dat de burgemeester bevoegd was om de exploitatievergunning op deze grond in te trekken, dan nog is de voorzieningenrechter van oordeel dat niet kan worden volgehouden dat verzoekers sub 1 van slecht levensgedrag is, nu daarvoor vooralsnog een toereikende feitelijke grondslag ontbreekt. De voorzieningenrechter overweegt daartoe als volgt.
6.7.
Omdat sprake is van een belastend besluit, ligt de bewijslast bij de burgemeester om aan te tonen dat iemand van slecht levensgedrag is. Hij moet de relevante feiten en omstandigheden aannemelijk maken en inzichtelijk onderbouwen waarom deze de conclusie rechtvaardigen dat iemand van slecht levensgedrag is. Daarbij kan de burgemeester niet ieder willekeurig feit of iedere omstandigheid meewegen. Uit het specialiteitsbeginsel van artikel 3:4 van Pro de Awb volgt dat alleen feiten en omstandigheden relevant zijn die betrekking hebben op de exploitatie van een horecabedrijf. Deze moeten een verband hebben met de vraag of de exploitatie plaatsvindt op een wijze die geen risico vormt voor de veiligheid, de openbare orde en het woon- en leefklimaat. [5]
6.8.
Aan de besluitvorming zijn – zoals hiervoor al vermeld – twee incidenten ten grondslag gelegd, die zijn opgenomen in de bestuurlijke rapportages van 18 december 2025 (over het incident van 15 november 2025) en 8 april 2026 (betreffende het incident van 18 mei 2025).
6.9.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de bestuurlijke rapportage van 18 december 2025 vrij summier is. Uit deze rapportage volgt dat er op 15 november 2025 een mishandeling heeft plaatsgevonden in een café in Valkenburg, waarbij het slachtoffer ernstig gezichtsletsel heeft opgelopen, zoals een hersenschudding en meerdere aangezichtsfracturen. De vermoedelijke verdachte zou verzoeker sub 1 zijn geweest. In de bestuurlijke rapportage is verder vermeld dat verzoeker sub 1 zich diezelfde dag vrijwillig bij de politie heeft gemeld met de mededeling dat hij onbedoeld betrokken is geraakt bij een vechtpartij. Verzoeker sub 1 is daarna op 19 november 2025 als verdachte aangehouden en verhoord.
6.10.
Verder hebben verzoekers het proces-verbaal van verhoor verdachte van 19 november 2025 overgelegd aan de burgemeester. Uit dit proces-verbaal kan worden opgemaakt dat verzoeker sub 1 (onder meer) heeft verklaard dat een groep mensen ruzie kreeg, dat hij daar niet bij was betrokken, dat hij bij de bar stond, zich omdraaide en een klap kreeg, waardoor hij ten val kwam. Hij heeft meerdere klappen moeten incasseren. Verzoeker sub 1 heeft ook verklaard tegenover de politie dat hij in totale paniek was toen hij ongewild in dat gevecht zat en dat hij op dat moment zijn overlevingsmodus heeft ingeschakeld, omdat er aan alle kanten aan hem werd getrokken en werd geslagen. Voor zijn gevoel was hij alleen met tien man om hem heen, aldus verzoeker sub 1. Desgevraagd heeft verzoeker sub 1 verklaard dat hij getrapt heeft, maar zo begrijpt de voorzieningenrechter, zich niet goed kan herinneren wat er precies gebeurde omdat het voor hem overleven was. Ook weet hij niet of hij het slachtoffer heeft geraakt. Verder heeft verzoeker sub 1 aangegeven dat hij nog nooit in zijn leven in een vechtpartij verzeild is geraakt en dat hij nooit eerder met de politie in aanraking is gekomen.
6.11.
De voorzieningenrechter stelt – gelet op bovenstaande informatie – vast dat verzoeker sub 1 betrokken is geraakt bij een vechtpartij met een slachtoffer. In sommige gevallen is een geweldsincident voldoende om slecht levensgedrag aan te nemen, maar de voorzieningenrechter is van oordeel dat daarvan in dit geval niet zonder meer sprake is. Door verzoekers is terecht opgemerkt dat de burgemeester de mogelijke betrokkenheid van andere deelnemers aan de vechtpartij niet heeft meegewogen. Daarbij komt uit de gedingstukken naar voren dat verzoeker sub 1 niet als eerste geweld heeft gebruikt, maar reageerde op geweld van anderen. Onder die omstandigheden valt niet zonder nader onderzoek uit te sluiten dat sprake was van noodweer of noodweerexces. De voorzieningenrechter overweegt dat de uitkomst van de strafzaak niet zonder betekenis is voor de beoordeling van het levensgedrag van verzoeker sub 1, nu die procedure mogelijk duidelijkheid verschaft over de feiten en de rol van verzoeker sub 1 daarbij.
6.12.
Voor zover de burgemeester in het bestreden besluit heeft gesteld dat het letsel van het slachtoffer door verzoeker sub 1 zou zijn veroorzaakt, overweegt de voorzieningenrechter dat het niet de bedoeling is dat de burgemeester zomaar aanneemt dat verzoeker sub 1 het letsel heeft toegebracht, omdat dat nog niet vast is komen te staan en het beroep van verzoeker sub 1 op een noodweer-situatie, zoals hiervoor al vermeld, niet zonder meer kansloos is. De burgemeester en ook de voorzieningenrechter moeten zich verder onthouden van conclusies die zijn voorbehouden aan de strafrechter.
6.13.
Voor wat betreft het incident van 18 mei 2025 heeft de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:29 van Pro de Awb kennisgenomen van de door de burgemeester overgelegde bestuurlijke rapportage van 8 april 2016. Uit deze rapportage volgt dat op 18 mei 2025 op het toilet van het horecabedrijf van verzoekers een mishandeling heeft plaatsgevonden. Daarvan heeft het slachtoffer op 3 juni 2025 aangifte gedaan bij de politie en de naam van de dader van de mishandeling aan de politie doorgegeven.
6.14.
De burgemeester heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoekers sub 1 zich niet heeft gedragen, zoals van hem verwacht mag worden, namelijk dat bij een vechtpartij de politie wordt ingelicht dan wel ingeschakeld, wat verzoeker sub 1 ten tijde van het incident binnen zijn inrichting niet heeft gedaan. Volgens de burgemeester staat deze meldplicht ook in de algemene voorschriften behorende bij de exploitatievergunning. Ook is de exploitant of leidinggevende volgens de burgemeester verplicht om personen die overlast veroorzaken daarop aan te spreken en zo nodig de politie te waarschuwen. De burgemeester meent dat verzoeker sub 1 dit ook heeft nagelaten. Dit incident heeft de burgemeester ook meegewogen bij de beoordeling of verzoeker sub 1 in enig opzicht van slecht levensgedrag is.
6.15.
Verzoekers hebben hier tegenin gebracht dat verzoeker sub 1 niet betrokken is geweest bij dit incident en dat hij deze vechtpartij niet zelf heeft waargenomen. Het slachtoffer heeft de dag na de mishandeling contact opgenomen met verzoeker sub 1. Pas op dat moment vernam verzoeker sub 1 dat er op het toilet een vechtpartij heeft plaatsgevonden. Verzoekers hebben verder aangevoerd dat een werknemer die achter de bar stond die avond wel een woordenwisseling heeft gezien en gesust, waarna deze mensen zijn vertrokken. Er was volgens verzoekers op die avond geen aanleiding om de politie in te lichten.
6.16.
De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden bieden naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen basis om verzoeker sub 1 als iemand van slecht levensgedrag aan te merken. Verder is de voorzieningenrechter er niet van overtuigd dat sprake is van een schending van de meldplicht bij de politie. Het betoog van verzoekers dat verzoeker sub 1 en ook de overige werknemers van het horecabedrijf de vechtpartij niet hebben gezien en hier niet mee bekend waren, acht de voorzieningenrechter niet ongeloofwaardig, omdat deze vechtpartij op het toilet – en dus uit het zicht – heeft plaatsgevonden. Verzoeker sub 1 kon dan ook die avond de mishandeling niet melden bij de politie. Met betrekking tot de woordenwisseling in het café na het toiletincident is gebleken, en door de burgemeester niet weersproken, dat het aanwezige personeel de situatie heeft gesust. Daarmee is voldaan aan de verplichting om personen, die overlast veroorzaken op hun gedrag aan te spreken en is verdere verstoring van de orde voorkomen. Gelet op het voorgaande, staat een overtreding van een voorschrift van de exploitatievergunning, anders dan de burgemeester stelt, niet vast. De opmerking van de burgemeester in het bestreden besluit dat verzoeker sub 1 privé betrokken zou zijn bij het conflict dat aanleiding heeft gegeven tot de betreffende vechtpartij, acht de rechtbank in dit kader niet relevant. Deze omstandigheid, daargelaten de juistheid daarvan, is niet van betekenis voor de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
6.17.
Gelet op het voorgaande, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de twee hiervoor weergegeven incidenten op dit moment onvoldoende grond bieden om te kunnen aannemen dat verzoeker sub 1 van slecht levensgedrag is. De burgemeester is ook op grond hiervan niet bevoegd om de exploitatievergunning in te trekken.
6.18.
De voorzieningenrechter overweegt ten overvloede, ter voorlichting aan partijen, nog het volgende.
6.19.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester in het bestreden besluit onvoldoende helder heeft gemaakt waarom intrekking van de exploitatievergunning in dit geval noodzakelijk en evenwichtig is. Op zitting heeft de gemachtigde van de burgemeester naar voren gebracht dat al met een kleine wijziging in de bedrijfsvoering – door verzoeker sub 1 niet langer als leidinggevende aan de exploitatievergunning te verbinden – het horecabedrijf open kan worden gehouden. Ook heeft de gemachtigde van de burgemeester op zitting verklaard dat met de intrekking van de exploitatievergunning wordt beoogd een duidelijk signaal af te geven aan andere horecaondernemers dat de burgmeester in vergelijkbare situaties zal optreden, terwijl het afgeven van een signaal niet het doel is van deze intrekkingsmaatregel. De intrekking moet immers gericht zijn op het dienen van het wettelijk doel van de bevoegdheid en niet op het afgeven van een voorbeeld aan derden. Het afgeven van een signaal kan dan ook niet leiden tot de conclusie dat intrekking van de exploitatievergunning noodzakelijk is.
6.20.
Verder is de voorzieningenrechter van oordeel dat uit het bestreden besluit niet blijkt van een voldoende kenbare belangenafweging van de burgemeester. De burgemeester heeft de evenwichtigheid van de intrekking van de exploitatievergunning helemaal niet gemotiveerd. De burgemeester is ten onrechte niet ingegaan op de door verzoekers gegeven uitgebreide toelichting over de verstrekkende gevolgen van de intrekking van deze vergunning, waaronder de financiële gevolgen en de onderbouwing van de accountant dat dit de financiële doodsteek van verzoekers onderneming zou betekenen. De voorzieningenrechter is er nog niet van overtuigd dat het belang van de burgemeester bij het intrekken van deze vergunning in dit geval zwaarder dient te wegen dan de belangen van verzoekers bij het behoud daarvan.
Intrekking van de alcoholwetvergunning
7. De burgemeester heeft de alcoholwetvergunning ingetrokken op grond van artikel 31, eerste lid, aanhef en onder b, van de Alcoholwet, omdat niet langer wordt voldaan aan de bij of krachtens artikel 8 of Pro 10 van de in die wet geldende eisen. Het gaat in dit geval om de in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Alcoholwet gestelde eis dat de leidinggevende van het horecabedrijf niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is.
7.1.
Uit rechtsoverwegingen 6.6 tot en met 6.17 volgt dat de door de burgemeester aangevoerde feiten en omstandigheden onvoldoende zijn om aan te nemen dat verzoeker sub 1 van slecht levensgedrag is, waardoor de bevoegdheid om de exploitatievergunning in te trekken ontbrak. De alcoholwetvergunning deelt hetzelfde lot. Om die reden ziet de voorzieningenrechter aanleiding om ook ten aanzien van de alcoholwetvergunning een voorlopige voorziening te treffen.

Conclusie en gevolgen

8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit is geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar van verzoekers. Dat betekent dat verzoekers vooralsnog gebruik mogen blijven maken van de aan hen verleende vergunningen.
8.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet de burgemeester het griffierecht aan verzoekers vergoeden. Daarom krijgt verzoekers ook een vergoeding van hun proceskosten. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen verzoekers een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-. De voorzieningenrechter ziet in wat verzoekers hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden, die afwijking van het forfaitaire stelsel van het Bpb rechtvaardigen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en schorst het bestreden besluit tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar van verzoekers;
- bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 397,- aan verzoekers moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J.J. Derks-Voncken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.H.J. Laeven, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 23 juni 2026.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht(Awb)
Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Artikel 3:4
1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Artikel 3:46
Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.
Besluit proceskosten bestuursrecht(Bpb)
Artikel 3
1. Het bedrag van de kosten wordt bij de uitspraak, onderscheidenlijk de beslissing op het bezwaar of het administratief beroep als volgt vastgesteld:
a. ten aanzien van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel a: overeenkomstig het in de bijlage opgenomen tarief;
(…)
3. In bijzondere omstandigheden kan van het eerste lid worden afgeweken.
Algemene plaatselijke verordening Valkenburg
Artikel 1:6
1. De vergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd als:
a. onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt om de vergunning te verkrijgen;
b. vanwege een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;
Artikel 2:28
1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. Hieromtrent kunnen door de burgemeester nadere regels worden gesteld.
(…)
3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan Pro de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat:
a. de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; of
b. de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
c. als de exploitatie van een terras niet voldoet aan de vastgestelde welstandscriteria voor terrassen.
(…)
Artikel 2:28a
De burgemeester trekt de vergunning in als:
a. ter verkrijging van de vergunning gegevens zijn verstrekt die zodanig onjuist of anders blijken te zijn, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;
b. door de wijze van exploitatie het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving op ontoelaatbare wijze nadelig wordt aangetast of dreigt te worden aangetast;
c. zich in de betrokken openbare inrichting feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die de ernstige vrees rechtvaardigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde;
d. binnen een termijn van zes maanden na de dagtekening van de vergunning geen gebruik ervan is gemaakt, behalve in geval van overmacht;
e. de exploitatie van de openbare inrichting voor een periode langer dan één jaar is of wordt onderbroken, derhalve in geval van overmacht;
f. de vergunninghouder of -houders hierom verzoekt respectievelijk verzoeken;
g. er aanwijzingen zijn, dat in de openbare inrichting personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde.
Alcoholwet
Artikel 8
1. Leidinggevenden van het horecabedrijf en het slijterijbedrijf voldoen aan de volgende eisen:
(…)
b. zij zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag:
(…)
Artikel 31
1. Een vergunning wordt door de burgemeester ingetrokken, indien:
(…)
b. niet langer wordt voldaan aan de bij of krachten artikel 8 en Pro 10 gestelde eisen;
(…)

Voetnoten

1.Verzoekers hebben verwezen naar de uitspraken van de Afdeling van 8 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1451, en 27 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4237.
2.Zie artikel 2:28, derde lid, aanhef en onder b, van de APV.
3.Zie in dit verband artikel 2:28a van de APV.
4.Beleidsregel beoordeling norm “verantwoord gedrag” bij burgemeestersvergunningen Valkenburg aan de Geul, in werking getreden op 29 oktober 2025 (Gemeenteblad 2025, 463661).
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1493.