ECLI:NL:RBLIM:2026:6131

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
13 april 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
12138831 \ CV EXPL 26-1265
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Drenth
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 7:625 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verstekvonnis in kort geding over achterstallig loon en facturen tussen werknemer en werkgever

In deze spoedeisende kortgedingprocedure vordert de werknemer betaling van achterstallig loon en openstaande facturen van de werkgever. De werkgever is niet verschenen, waarna verstek is verleend.

De kantonrechter oordeelt dat de vorderingen van de werknemer gegrond en niet onrechtmatig zijn. De werkgever wordt veroordeeld tot betaling van het achterstallig loon over februari en maart 2026, inclusief wettelijke rente vanaf de vervaldata, en tot betaling van alle facturen die de werknemer als ZZP'er aan de werkgever heeft verzonden, alsmede de betalingsverschillen.

Daarnaast wordt de werkgever veroordeeld tot betaling van de wettelijke verhoging over te laat betaald loon van december 2025 tot en met februari 2026. Tevens moet de werkgever binnen zeven dagen na betekening van het vonnis een bedrijfsarts inschakelen en de werknemer ziekmelden, onder dreiging van een dwangsom.

De proceskosten worden begroot op €970,23 en de wettelijke rente over deze kosten wordt eveneens toegewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en is op 13 april 2026 in het openbaar uitgesproken door kantonrechter Drenth.

Uitkomst: De werkgever wordt veroordeeld tot betaling van achterstallig loon, facturen, wettelijke rente en verhogingen, inschakeling van een bedrijfsarts, ziekmelding van de werknemer en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 12138831 \ CV EXPL 26-1265
Vonnis in kort geding van 13 april 2026
in de zaak van
[werknemer],
wonend te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. R.A. Wijnands,
tegen
[werkgever] B.V.,
gevestigd te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [werkgever] ,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 8
- de mondelinge behandeling van 30 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de verstekverlening tegen de niet verschenen [werkgever] .

2.De beoordeling

2.1.
Aangezien alle voorgeschreven formaliteiten en termijnen voor oproeping in acht zijn genomen, is tegen de niet verschenen [werkgever] verstek verleend.
2.2.
Uit de stukken en de toelichting ter terechtzitting is genoegzaam gebleken dat het gaat om een spoedeisende zaak waarin, gelet op het belang van [werknemer] een onmiddellijke voorziening bij voorraad geboden is.
2.3.
De door het verstek van [werkgever] onweersproken vorderingen, welke de kantonrechter onrechtmatig noch ongegrond voorkomen, zullen worden toegewezen.
2.4.
[werkgever] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [werknemer] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
156,23
- griffierecht
93,00
- salaris gemachtigde
577,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
970,23
2.5.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt [werkgever] tot betaling van het achterstallig loon, waaronder in ieder geval het nog te ontvangen loon van februari 2026 en maart 2026, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro vanaf de respectieve vervaldata tot aan de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt [werkgever] tot betaling van alle aan [werkgever] verzonden facturen die [werknemer] als ZZP-er aan [werkgever] heeft verzonden, evenals de betalingsverschillen tussen de facturen en de daadwerkelijk door [werknemer] ontvangen bedragen,
3.3.
veroordeelt [werkgever] tot betaling van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro over het te laat betaalde loon van december 2025, januari 2026 en februari 2026,
3.4.
veroordeelt [werkgever] tot inschakeling van een bedrijfsarts binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van
€ 250,00 per dag voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet hieraan voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,
3.5.
veroordeelt [werkgever] tot het ziekmelden van [werknemer] , zowel intern als bij het UWV, voor zover [werkgever] dat nog niet heeft gedaan, hetgeen [werknemer] waagt te betwijfelen, maar hij zelf niet kan controleren, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet hieraan voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,
3.6.
veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 970,23, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.7.
veroordeelt [werkgever] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.8.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Drenth en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2026.