ECLI:NL:RBLIM:2026:6145

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
12061346 \ AZ VERZ 26-5
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Bisscheroux
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:658 BWArt. 7:611 BWArt. 7:625 BWArt. 7:660a BWArt. 7:673 lid 9 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens ernstig verwijtbaar handelen werkgever en toekenning billijke vergoeding

De zaak betreft een arbeidsgeschil tussen een Oekraïense werknemer en een familiebedrijf in de textielverzorging. De werknemer trad in november 2024 in dienst voor bepaalde tijd en meldde zich in juni 2025 ziek vanwege grensoverschrijdend gedrag van een leidinggevende, de zoon van de eigenaren. De werkgever trok zonder gegronde reden verlof in, zette druk na ziekmelding en verlengde het contract niet.

De kantonrechter stelde vast dat de leidinggevende herhaaldelijk tegen de uitdrukkelijke wens van de werknemer aandrong op privécontact, misbruik maakte van zijn machtspositie en dat de werkgever onvoldoende maatregelen nam om de werknemer te beschermen. Ook werden re-integratieverplichtingen grovelijk veronachtzaamd en was loonbetaling onregelmatig.

De arbeidsovereenkomst werd ontbonden wegens ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. De kantonrechter kende een billijke vergoeding van €15.000 toe, bestaande uit inkomensschade over een jaar en een prikkelende component. Een immateriële schadevergoeding werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Daarnaast werden wettelijke verhogingen, rente, een eindafrekening en proceskosten toegewezen.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden wegens ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever en de werknemer ontvangt een billijke vergoeding van €15.000.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer / rekestnummer: 12061346 \ AZ VERZ 26-5
Beschikking van16april 2026
in de zaak van
[verzoekende partij],
te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekende partij] ,
gemachtigde: mr. A.A.M. Hoogveld,
tegen

1.[verwerende partij 1] V.O.F.,

te [plaats 2] ,
2.
[verwerende partij 2], vennoot van [verwerende partij 1] ,
3.
, vennoot van [verwerende partij 1] ,
verwerende partijen,
hierna samen te noemen: [verwerende partijen] ,
gemachtigde: mr. M.A. Krak.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met bijlagen 1 tot en met 51
- het verweerschrift met bijlagen 1 tot en met 4
- het gewijzigd verzoek ex artikel 283 Rv Pro juncto artikel 130 Rv Pro
- de aanvullende bijlagen 52a tot en met 57d van [verzoekende partij] van 12 maart 2026
- de aanvullende bijlagen 58 tot en met 60 van [verzoekende partij] van 17 maart 2026
- de spreekaantekeningen van mr. Hoogveld
- de spreekaantekeningen van mr. Krak
- de mondelinge behandeling van 19 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter de aanvullende stukken toegelaten, behoudens het als bijlage 59 overgelegde e-mailbericht van de Arbeidsinspectie.
1.3.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[verzoekende partij] , geboren [datum] 1998, is in 2023 uit Oekraïne gevlucht en verblijft in een opvanglocatie voor Oekraïense vluchtelingen in [plaats 2] .
2.2.
[verwerende partij 1] richt zich op het wassen, stomen en strijken van bedrijfskleding en bed- en tafellinnen voor hotels, horeca en verzorgingstehuizen. [verwerende partij 1] is een familiebedrijf dat door de heer [verwerende partij 2] , mevrouw [verwerende partij 3] en hun [zoon] en [dochter] wordt gerund.
2.3.
[verzoekende partij] is met ingang 20 november 2024 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (voor de duur van één jaar tot 20 november 2025) in dienst getreden bij [verwerende partij 1] , in de functie van vouwmedewerker met een loon van € 2.184,00 bruto per maand. [1] Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Textielverzorging van toepassing.
2.4.
Tussen [verzoekende partij] en [zoon] heeft onder meer de navolgende WhatsAppcommunicatie plaatsgevonden op 16 april 2025, 2 mei 2025, en 12 juni 2025 (de berichten met de 2 vinkjes achter het tijdstip zijn afkomstig van [verzoekende partij] , de andere berichten van [zoon] ):
2.4.1. 16
april 2025:
2.6.
Later die dag heeft [verwerende partijen] per e-mail aan [verzoekende partij] bericht dat zij om haar moverende redenen de goedkeuring van de verlofaanvraag van 1 september 2025 tot 21 september 2025 intrekt. [2]
2.7.
Op 14 juni 2025 heeft [verwerende partijen] per e-mail aan al haar medewerkers bericht [3] :
“(….) heeft mevrouw [verzoekende partij] zich ziek gemeld. (…) Deze ziekmelding heeft o.a. tot gevolg dat wij haar vakantieverlof hebben ingetrokken en haar contract niet gaan verlengen. (…)”
2.8.
Bij e-mailbericht van 24 juni 2025 heeft [verwerende partijen] aan [verzoekende partij] het volgende meegedeeld: [4]
“(…) Als u zich ziek voelt dient u naar de huisarts te gaan. De bedrijfsarts wordt ingeschakeld om te kijken welke werkzaamheden wel mogelijk voor u zijn, die bepaald niet of u ziek bent. (…)”
2.9.
Even later heeft [verwerende partijen] nogmaals aan [verzoekende partij] gemaild dat haar aanvankelijk goedgekeurde verlofaanvraag ingetrokken wordt en dat haar contract niet verlengd zal worden. [5]
2.10.
Bij e-mailbericht van 1 juli 2025 heeft [verwerende partijen] in de persoon van de heer [verwerende partij 2] om 08:14 uur aan [verzoekende partij] meegedeeld: [6]
“(…) Hierbij verzoek ik u mij vandaag mede te delen of wij u voor komende week kunnen inplannen. Uw 3 weken rust zitten er immers op. (…)”
2.11.
Later die dag heeft de heer [verwerende partij 2] aan [verzoekende partij] bericht: [7]
“(…) Op uw verzoek hebben wij heden onze arbodienst ingeschakeld met het verzoek een afspraak met u in te plannen met de bedrijfsarts. Omdat e.e.a. nog enkele weken kan duren zal ik u vrijdag 4 Juli opnieuw vragen of wij u vanaf volgende week weer kunnen verwachten op het werk of dat u instemt met een vaststellingsovereenkomst. (…) Vrijdag 4 juli heeft u namelijk de 3 weken rust gehad die uw huisarts u heeft opgedragen (…)”
2.12.
In het terugkoppelingsadvies van het spreekuur van de bedrijfsarts van 3 juli 2025
staat voor zover relevant vermeld: [8]
“(…) [verzoekende partij] is momenteel volledig arbeidsongeschikt (…) [verzoekende partij] is momenteel nog niet in staat te starten met reintegratie. (…) Ik adviseer het contact tussen haar en werkgever voor nu te minimaliseren daar dit momenteel kan resulteren in verdere stagnatie of terugval.
2.13.
Bij e-mailbericht van 29 juli 2025 heeft het Juridisch Loket namens [verzoekende partij] aan de heer [verwerende partij 2] meegedeeld: [9]
“(…) ervaart mevrouw druk vanuit uw kant om het werk te hervatten. (…) Dergelijke druk is in strijd met de wet. Indien een werknemer ziek is en de bedrijfsarts heeft vastgesteld dat re-integratie (nog) niet kan plaatsvinden, dan mag u als werkgever geen druk uitoefenen om toch te komen werken. Ik verzoek u dringend hiermee te stoppen.
Daarnaast is er een ernstige kwestie gemeld: (…) [verzoekende partij] voelt zich geïntimideerd door uw zoon, de heer [zoon] . Zij heeft mij inzage gegeven in WhatsApp-berichten waarin hij onder meer aandringt om samen iets te gaan eten of drinken, ondanks dat zij duidelijk heeft aangegeven dit niet te willen en het professioneel te willen houden. (…) Dergelijke berichten, in de context van een machtsverhouding, zijn ontoelaatbaar en kwalificeren als intimidatie. Mevrouw ervaart hierdoor angst en stress, wat inmiddels tot medische klachten heeft geleid. Ook hierop verzoek ik u - en specifiek de heer [zoon] - dringend dit gedrag per direct te staken.
Verder is er op 8 juli een aangetekende brief verstuurd met betrekking tot de loonvordering van 143 ORT-uren die nog niet zijn uitbetaald. Tot op heden is hier geen enkele reactie op gekomen. Graag verneem ik van u of en wanneer u van plan bent dit alsnog uit te betalen. (…)
Ik wil ook melden dat meerdere Oekraïense dames die bij u werkzaam zijn juridische hulp hebben gezocht wegens vergelijkbare ervaringen (….)”
2.14.
In het terugkoppelingsadvies van het spreekuur van de bedrijfsarts van
5 augustus 2025 staat voor zover relevant vermeld: [10]
“(…) [verzoekende partij] is momenteel volledig arbeidsongeschikt als gevolg van een medische aandoening. Oorzaak is met name gelegen in werkgerelateerde aspecten. (…) Op dit moment is betrokkene nog niet in staat over de werkgerelateerde zaken die er spelen het gesprek aan te gaan.
Naar ik heb vernomen wil betrokkene in overleg met de werkgever verlof opnemen, hiervoor is medisch geen bezwaar. (…) Ik adviseer het contact tussen haar en werkgever voor nu te minimaliseren daar dit momenteel kan resulteren in verdere stagnatie of terugval. (…)”
2.15.
Bij e-mailbericht van 6 augustus 2025 [11] heeft mevrouw [verwerende partij 3] aan [verzoekende partij] meegedeeld dat het aangevraagde verlof niet wordt verleend, de goedkeuring van het eerder door [verzoekende partij] aangevraagde verlof is ingetrokken en zij dus geen toestemming heeft voor vakantie of verblijf in het buitenland. [verzoekende partij] wordt verzocht bereikbaar en beschikbaar te blijven en haar wordt meegedeeld dat indien zij toch met vakantie gaat dit gevolgen zal hebben voor haar loon en kan leiden tot arbeidsrechtelijke stappen.
2.16.
Bij e-mailbericht van 17 augustus 2025 heeft de heer [verwerende partij 2] meegedeeld dat er bewijs is dat [verzoekende partij] in het buitenland verblijft, dat er maatregelen zullen worden genomen en dat het zonder toestemming opnemen van verlof haar zwaar aangerekend zal worden. [12]
2.17.
Bij e-mailbericht van 18 augustus 2025 heeft de heer [verwerende partij 2] meegedeeld dat [verzoekende partij] zich schuldig heeft gemaakt aan ongeoorloofd verzuim en daarmee haar verplichtingen als werknemer zoals opgenomen in artikel 7:660a BW heeft geschonden en de gevolgen voor haar zijn. [13]
2.18.
Tijdens het spreekuur van 1 september 2025 oordeelt de bedrijfsarts dat de situatie onveranderd is. [14]
2.19.
Bij e-mailbericht van 10 september 2025 en aangetekende brief van 29 september 2025 heeft [verwerende partijen] meegedeeld dat de arbeidsovereenkomst niet wordt verlengd. [15]
2.20.
[verzoekende partij] ontvangt vanaf 21 november 2025 een ziektewetuitkering van het UWV. [16]
2.21.
Op 2 december 2025 heeft een medewerker van het Juridisch Loket naar aanleiding van signalen, ontvangen van verschillende Oekraïense vrouwen die bij [verwerende partijen] werkzaam zijn, bij de Arbeidsinspectie melding gedaan van onderbetaling, arbeidsuitbuiting, intimidatie, bedreiging en grensoverschrijdend gedrag bij [verwerende partijen] . [17] De melding wordt ondersteund door [opvanglocatie] [plaats 3] , de opvanglocaties waar de Oekraïense werknemers verblijven. Naar aanleiding hiervan is de Arbeidsinspectie een onderzoek gestart. Het onderzoek loopt momenteel nog.
2.22.
[verzoekende partij] heeft op 20 januari 2026 onderhavig verzoekschrift ingediend.
2.23.
[verwerende partijen] heeft op 7 maart 2026 de transitievergoeding en de onregelmatigheidstoeslag (de ORT: de toeslag voor werk op zaterdagen en feestdagen) aan [verzoekende partij] betaald, te weten een bedrag van in totaal € 5.876,55.

3.Het geschil

3.1.
[verzoekende partij] verzoekt - na wijziging van haar verzoek - de kantonrechter bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
te verklaren voor recht dat [verwerende partijen] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en/of nagelaten en dat [verwerende partijen] hoofdelijk aansprakelijk is voor hetgeen [verwerende partijen] verschuldigd is op grond van artikel 7:658 BW Pro en/of 7:611 BW, voor alle geleden en nog te lijden schade als gevolg van de door [verwerende partijen] veroorzaakte en/of verergerde thans bekende ziekten c.q. arbeidsongeschiktheid van [verzoekende partij] ;
[verwerende partijen] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van (primair) een billijke vergoeding van € 50.000,00 althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, onder overlegging van een bruto/netto specificatie, althans voor zover de vergoeding (mede) wordt toegekend op de grondslag van artikel 7:658 BW Pro en/of 7:611 BW te bepalen, dat voor zover de door [verzoekende partij] geleden schade (nog) niet volledig is vast te stellen, de zo mogelijk reeds vast te stellen schade ten laste van [verwerende partijen] toe te wijzen en voor het overige te verwijzen naar de schadestaatprocedure;
[verwerende partijen] hoofdelijk te veroordelen om aan [verzoekende partij] een immateriële schadevergoeding te voldoen van € 30.000,00 netto, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag;
[verwerende partijen] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro van € 1.310,40 over de toeslag voor werk op zaterdag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het indienen van het gewijzigd verzoekschrift tot de dag van volledige betaling, zulks onder overlegging van een bruto/netto specificatie;
[verwerende partijen] hoofdelijk te veroordelen tot het betalen en verstrekken van een deugdelijke eindafrekening (bruto/netto specificatie) ter zake het loon, de vakantiebijslag, de eindejaarsuitkering en de niet genoten verlofuren, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom;
[verwerende partijen] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente vanaf de veertiende dag na het opeisbaar worden van de toegewezen geldelijke vorderingen;
[verwerende partijen] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de proceskosten en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.
[verzoekende partij] heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling toegelicht dat het verzoek onder 1) primair is gebaseerd op artikel 7:673 lid 9 BW Pro en subsidiair op artikel 7:658 BW Pro. Het verzoek onder 2) moet zo worden begrepen dat de verzochte vergoeding van € 50.000,00 primair wordt verzocht als billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen en subsidiair wordt verzocht bij wijze van een voorschot op de schadevergoeding op grond van artikel 7:658 BW Pro. In dat laatste geval wordt verzocht de schade reeds zoveel mogelijk vast te stellen en voor het overige te verwijzen naar de schadestaatprocedure. De onder 3) verzochte immateriële schadevergoeding wordt zowel op basis van de primaire als de subsidiaire grondslag verzocht.
3.3.
[verwerende partijen] voert verweer en vindt dat de verzoeken dienen te worden afgewezen.
3.4.
Op de stellingen van partijen zal hierna voor zover relevant worden ingegaan.

4.De beoordeling

Vooraf
4.1.
Het verzoekschrift richt zich tegen [verwerende partij 1] V.O.F. Het verweerschrift is ingediend namens [verwerende partijen] Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling is meegedeeld dat het verweerschrift zo gelezen dient te worden dat dit is ingediend namens de vennootschap onder firma en dat de gemachtigde optreedt namens de vennootschap onder firma en haar vennoten.
Het primaire verzoek om voor recht te verklaren dat [verwerende partijen] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld
Het toetsingskader
4.2.
Uitgangspunt is dat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege eindigt. Het staat daarmee een werkgever in beginsel vrij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet te verlengen. De kantonrechter kan op grond van artikel 7:673 lid 9 BW Pro een werknemer wiens arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege eindigt wel een billijke vergoeding toekennen als het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Voor het aannemen van ernstige verwijtbaarheid geldt een hoge drempel. Alleen in uitzonderlijke gevallen wordt deze drempel overschreden. In de wetsgeschiedenis zijn als voorbeelden van ernstige verwijtbaarheid genoemd:
- een aan de werkgever te verwijten verstoorde arbeidsverhouding;
- de situatie waarin de werkgever zijn re-integratieverplichtingen bij ziekte grovelijk heeft veronachtzaamd;
- arbeidsongeschiktheid van de werknemer als gevolg van verwijtbaar onvoldoende zorg van de werkgever voor de arbeidsomstandigheden. [18]
Grondslag van het (primaire) verzoek en het verweer van [verwerende partijen]
4.3.
[verzoekende partij] stelt dat het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [verwerende partijen] . Daaraan legt zij kort gezegd ten grondslag dat zij tijdens haar dienstverband bij [verwerende partijen] werd geïntimideerd, gepest en vernederd en dat [zoon] , die binnen [verwerende partijen] een leidinggevende functie bekleedt, zich grensoverschrijdend jegens haar heeft gedragen. Verder stelt [verzoekende partij] dat het loon structureel te weinig en te laat werd betaald. Zij ontving immers geen toeslag voor de gewerkte uren op zaterdagen en feestdagen. Ook voert zij aan dat eerder goedgekeurd verlof zonder reden werd ingetrokken, zij na haar ziekmelding onder druk is gezet een vaststellingsovereenkomst te ondertekenen en [verwerende partijen] heeft gedreigd met ontslag en juridische maatregelen.
4.4.
[verwerende partijen] stelt dat het contact en eventuele (affectieve) relatie tussen [verzoekende partij] en [zoon] buiten werktijd heeft plaatsgevonden en was gebaseerd op wederzijdse instemming. Volgens [verwerende partijen] zijn er geen aanwijzingen dat er sprake was van dwang, intimidatie of misbruik van gezagspositie, noch heeft het contact negatieve gevolgen gehad voor de werkverhouding of de organisatie. Dat het aangaan van een dergelijke relatie mogelijk als onhandig kan worden gekwalificeerd brengt volgens [verwerende partijen] nog niet mee dat daarmee sprake is van grensoverschrijdend gedrag of ernstig verwijtbaar handelen in arbeidsrechtelijke zin. [verwerende partijen] geeft toe dat zij niet altijd optimaal heeft gehandeld, onhandig heeft gecommuniceerd en dat bepaalde zaken achteraf bezien beter hadden gekund, maar betwist dat er sprake is geweest van intimidatie, pesterijen en vernedering. Zij is van mening dat de drempel van ernstige verwijtbaarheid niet wordt gehaald.
Het oordeel van de kantonrechter
4.5.
De kantonrechter is van oordeel dat het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door [verwerende partijen] . Zij zal de verzochte verklaring voor recht verlenen en aan [verzoekende partij] een billijke vergoeding toekennen. Hieronder zal worden uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.
Wat is er gebeurd?
4.6.
Partijen verschillen van mening over diverse gebeurtenissen die zijn voorgevallen en die wel van belang zijn voor de beoordeling van hun geschil. Dit geldt met name ten aanzien van de relatie tussen [zoon] en [verzoekende partij] en hetgeen is voorgevallen op 13 juni 2025, de dag dat [verzoekende partij] zich ziek heeft gemeld. De kantonrechter zal daarom eerst, aan de hand wat hierover over en weer is aangevoerd, reconstrueren wat er feitelijk is gebeurd en vervolgens ingaan op de vraag of dit leidt tot, of bijdraagt aan, het oordeel dat [verwerende partijen] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.
De relatie met [zoon]
4.7.
[verzoekende partij] heeft aangevoerd dat zij gedurende haar dienstverband voortdurend werd blootgesteld aan grensoverschrijdend gedrag, gestalk en terreur door [zoon] . Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij in januari 2025, na een bedrijfsfeest, met [zoon] achterbleef nadat de rest van het personeel door de heer [verwerende partij 2] in een taxi was gezet om naar de stad te gaan. [zoon] heeft haar toen meegenomen naar een hotel en bracht haar pas later, nadat diverse collega’s hem hadden gebeld, terug naar de anderen. In het voorjaar van 2025 moest [verzoekende partij] onderzoeken ondergaan in het ziekenhuis. In die periode vroeg [zoon] opnieuw of zij met hem wilde afspreken. Hij deed eerst vriendelijk en zorgzaam, maar veranderde als een blad aan een boom toen [verzoekende partij] hem duidelijk maakte dat ze geen relatie met hem wilde. Hij dreigde haar die nacht op straat achter te laten en om met zijn ouders te spreken om haar te ontslaan. Hij schold en schreeuwde tegen haar, negeerde haar op het werk, stalkte en begluurde haar op de werkvloer en sprak in haar bijzijn over haar met andere collega’s in het Nederlands. Hij bleef haar ook berichten sturen op haar privételefoon om af te spreken en zette haar constant onder druk. [verzoekende partij] heeft ter onderbouwing van haar verwijten verwezen naar de WhatsAppberichten die onder 2.4. zijn opgenomen, en op de verklaringen van twee van haar collega’s, mevrouw [naam 1] [19] en mevrouw [naam 2] [20] .
4.8.
[verwerende partijen] heeft aangevoerd dat een eventuele relatie tussen [verzoekende partij] en [zoon] zich heeft afgespeeld buiten werktijd en was gebaseerd op wederzijdse instemming. Er zijn volgens [verwerende partijen] geen aanwijzingen van dwang, intimidatie of misbruik van positie of dat het contact negatieve gevolgen heeft gehad voor de werkverhoudingen of de organisatie. Volgens [verwerende partijen] is [zoon] steeds respectvol met [verzoekende partij] omgegaan, heeft hij haar thuis gebracht en het contact beëindigd zodra [verzoekende partij] dat wenste. Er was geen sprake van ongewenste avances of ongepaste druk. [verwerende partijen] betwist dat [zoon] [verzoekende partij] op de werkvloer heeft gepest of bedreigd. Ook heeft [verwerende partijen] betwist dat [zoon] de direct leidinggevende van [verzoekende partij] was.
4.9.
De kantonrechter overweegt als volgt. Hoewel de standpunten van partijen uiteenlopen kan in ieder geval het volgende worden vastgesteld. [zoon] heeft toegegeven [verzoekende partij] leuk te hebben gevonden en haar benaderd te hebben. Uit de overgelegde verklaringen van collega’s [naam 2] en [naam 1] blijkt ook dat [zoon] interesse toonde in [verzoekende partij] . Verder staat vast dat [zoon] commercieel manager is bij [verwerende partijen] en [verzoekende partij] de functie van vouwmedewerker bekleedde en aldus een ondergeschikte medewerkster was. Dat [zoon] niet haar direct leidinggevende was, is gelet op de grootte van het bedrijf niet zo relevant. [zoon] bekleedt in het familiebedrijf een leidinggevende functie en is de zoon van beide eigenaren. Dat hij ten opzichte van [verzoekende partij] in een gezagspositie verkeerde, staat daarmee vast.
Ook staat vast dat [verzoekende partij] de Nederlandse en de Engelse taal niet machtig is. Zij maakt gebruik van een vertaalapp om te communiceren.
Uit de WhatsAppgesprekken leidt de kantonrechter af dat [verzoekende partij] in ieder geval vanaf 16 april 2025 aan [zoon] duidelijk heeft gemaakt dat zij wilde dat hij haar met rust liet. Ze verwoordt [21] dat ze niet wil dat hij naast haar komt staan op het werk om grapjes te maken, omdat zij die niet begrijpt en niet weet hoe ze dan moet reageren. [zoon] reageert daarop met de mededeling dat hij in zijn eigen bedrijf doet wat hij wil en praat met wie hij wil, altijd. In dit antwoord wijst hij [verzoekende partij] erop dat hij haar manager is en geen collega. [22] Meteen daarop deelt hij mede dat hij en [verzoekende partij] later wat zullen gaan drinken. Uit het vervolg van de communicatie komt naar voren dat [zoon] en [verzoekende partij] eerder een keer samen zijn uit gegaan en dat [verzoekende partij] dat afspraakje niet als prettig heeft ervaren omdat [zoon] haar zou hebben gedreigd achter te laten op een plek die zij niet kende. Hoewel [zoon] antwoordt dat hij [verzoekende partij] uiteindelijk wel heeft thuis gebracht, ontkent hij niet dat hun afspraak niet goed is verlopen.
Op 2 mei 2025 benadert [zoon] [verzoekende partij] opnieuw, en vraagt haar of zij toch weer met hem wil afspreken. [23] [verzoekende partij] antwoordt [zoon] dat ze niet met hem wil afspreken omdat ze niet wil omgaan met iemand die haar zo grof en respectloos behandelt. Ze vraagt wederom of [zoon] haar met rust wil laten. [24] [zoon] antwoordt dat hij het antwoord van [verzoekende partij] respecteert maar voegt daaraan toe dat hij het laatst en het hardst zal lachen [25] .
Op 12 juni 2025 om 17:15 schrijft [zoon] vervolgens aan [verzoekende partij] : “And… when is our next date, Mrs. [verzoekende partij] ?”
Als [verzoekende partij] daarop afwijzend reageert antwoordt [zoon] dat hij het gedrag van [verzoekende partij] jegens hem in gedachten zal houden en dat zij het niet leuk zal vinden [26] . Hij voegt daar later aan toe dat hij het niet accepteert als iemand hem disrespectvol behandelt, in zijn privéleven of zijn bedrijf. [27] Als [verzoekende partij] hem vraagt of zij degene is die [zoon] heeft bedreigd, tegen hem heeft geschreeuwd of iets van hem wil en zegt dat zij degene is die het recht heeft om beledigd te zijn, antwoordt [zoon] onder andere dat [verzoekende partij] zich moet gedragen (behave).
Als [verzoekende partij] daarop antwoordt dat [zoon] geen respect heeft voor vrouwen en zij nog nooit zo’n verschrikkelijke houding heeft meegemaakt, antwoordt [zoon] dat hij die avond met zijn ouders zal gaan praten.
4.10.
De kantonrechter is van oordeel dat uit deze Whatsappberichten voldoende blijkt dat [zoon] meerdere keren (tegen de duidelijk uitgesproken wens van [verzoekende partij] in) aandringt op privécontact met [verzoekende partij] . Anders dan [verwerende partijen] betoogt, gebruikt [zoon] zijn positie als hiërarchisch meerdere wel degelijk om [verzoekende partij] ervan te overtuigen om met hem af te spreken en ook om haar verzoek om met rust gelaten te worden niet serieus te nemen. Zijn opmerkingen dat hij in zijn eigen bedrijf doet wat hij wil, dat hij het laatst en hardst zal lachen, dat hij zich niet disrespectvol laat behandelen in zijn bedrijf en dat hij met zijn ouders (de eigenaren van [verwerende partijen] ) zal gaan praten als [verzoekende partij] hem afwijst, laten geen andere interpretatie toe.
4.11.
Dat de relatie tussen [verzoekende partij] en [zoon] zich alleen in de privésfeer afspeelde, wordt evenmin gevolgd. [naam 1] heeft verklaard dat de sfeer op het werk veranderde nadat [zoon] interesse in [verzoekende partij] begon te vertonen en dat [verzoekende partij] haar vroeg om niet weg te gaan zodat zij niet met [zoon] alleen op de werkplek zou achterblijven. Ook in de verklaring van [naam 2] staat dat [verzoekende partij] op momenten aan het einde van de werkdag vroeg of iemand op haar kon wachten, omdat ze bang was alleen naar buiten te gaan vanwege [zoon] .
De gebeurtenissen op 13 juni 2025
4.12.
Op basis van hetgeen partijen bij gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben verklaard alsmede de verklaringen van [naam 2] en [naam 1] staat naar het oordeel van de kantonrechter vast dat [verzoekende partij] op 13 juni 2025 heeft geweigerd om desgevraagd naar de heer [verwerende partij 2] te lachen. Op de vraag van de heer [verwerende partij 2] waarom ze niet glimlachte wilde [verzoekende partij] aanvankelijk niet antwoorden maar uiteindelijk heeft ze gezegd dat dit met [zoon] te maken had. Vervolgens is [verzoekende partij] op zijn verzoek met de heer [verwerende partij 2] naar het kantoor gegaan, samen met een collega die kon vertalen. [verzoekende partij] heeft daar duidelijk gemaakt dat zij last had van [zoon] . De heer [verwerende partij 2] heeft [verzoekende partij] gevraagd dit niet met de andere personeelsleden te bespreken. [28] Wat er verder is besproken, is gelet op de uiteenlopende verklaringen niet vast te stellen, maar wel staat vast dat [verzoekende partij] trillend en huilend het kantoor heeft verlaten [29] . Zij heeft vervolgens nog wel gewerkt. [zoon] is later op de dag op het werk verschenen. Hij heeft - met zijn handen zwaaiend – naar [verzoekende partij] geroepen “ga weg, ga weg” en is achter [verzoekende partij] aan gerend, waarna mevrouw [verwerende partij 3] ook nog achter [verzoekende partij] is aangerend [30] .
Heeft [verwerende partijen] ernstig verwijtbaar jegens [verzoekende partij] gehandeld?
4.13.
De kantonrechter komt nu toe aan de behandeling van de gronden / de verwijten aan het adres van [verwerende partijen] die [verzoekende partij] aanvoert ter onderbouwing van het ernstig verwijtbaar handelen door [verwerende partijen] . Deze verwijten zien 1) op de omstandigheden die zich hebben voorgedaan vóór de ziekmelding door [verzoekende partij] en die volgens haar de aanleiding waren voor de ziekmelding, 2) de wijze waarop [verwerende partijen] na haar ziekmelding heeft geacteerd en 3) de wijze waarop [verwerende partijen] haar andere arbeidsrechtelijke verplichtingen, zoals het tijdig betalen van het loon en de juiste toeslagen, heeft verzaakt. In het onderstaande wordt daarop verder ingegaan.
De aanloop naar de ziekmelding
4.14.
[verzoekende partij] stelt dat zij tijdens haar dienstverband “voortdurend werd blootgesteld aan ongewenste avances van [zoon] ”, die zich aan haar opdrong, eiste dat zij met hem uitging en haar bestookte met telefoontjes en appjes. [zoon] zou na de afwijzing door [verzoekende partij] agressief zijn geworden, hetgeen zich vertaalde in pestgedrag en geschreeuw op de werkvloer, waarbij [zoon] [verzoekende partij] achtervolgde, heel dicht naast haar ging staan en haar begluurde als zij zich omkleedde, haar strafte met extra zwaar werk en haar uitschold ten overstaan van collega’s.
4.15.
Niet al deze aantijgingen zijn komen vast te staan. Zoals hiervoor onder ro. 4.9 en 4.10 is overwogen kan worden vastgesteld dat [zoon] enkele keren (tegen de uitdrukkelijk geuite wens van [verzoekende partij] in) er bij [verzoekende partij] op heeft aangedrongen privé met hem af te spreken en dat hij daarbij het feit dat hij haar manager was als argument heeft gebruikt om [verzoekende partij] te overtuigen. Dat deze avances ook invloed hadden op de situatie op het werk, omdat [verzoekende partij] aan collega’s heeft gevraagd haar niet alleen te laten met [zoon] , staat ook vast. De overgelegde WhatsAppberichten zijn op drie verschillende dagen gewisseld. Dat rechtvaardigt niet het oordeel dat [zoon] zich “voortdurend aan [verzoekende partij] opdrong” en haar “bestookte” met appjes. Dat [zoon] op 13 juni 2025 tegen [verzoekende partij] heeft geschreeuwd, staat naar het oordeel van de kantonrechter wel vast, maar de andere verwijten (dat hij agressief is geweest, vaker tegen [verzoekende partij] schreeuwde op de werkvloer en haar pestte, begluurde en strafte met extra zwaar werk) missen iedere onderbouwing. Weliswaar schrijven [naam 1] en [naam 2] dat [verzoekende partij] herhaaldelijk “grote manden” kreeg, maar [naam 2] schrijft in haar andere verklaring ook dat zij ook regelmatig grote manden kreeg. [31] Bovendien is verder niet onderbouwd waarom het krijgen van “grote manden” te kwalificeren zou zijn als pestgedrag. Verder schrijft [naam 1] dat [zoon] een keer uit het raam keek en hen observeerde toen ze buiten stonden, maar dit kan moeilijk als een onderbouwing van het verweten “begluren” worden beschouwd. Ook verklaart [naam 1] dat er persoonlijke spullen van [verzoekende partij] verdwenen, maar dat dit door toedoen van [zoon] kwam blijkt verder nergens uit. Tot slot acht de kantonrechter nog van belang dat [verzoekende partij] zelf aan [verwerende partijen] schrijft dat zij niet zegt dat zij op het werk slecht wordt behandeld [32] .
4.16.
Ondanks het feit dat niet alle aantijgingen van [verzoekende partij] kunnen worden vastgesteld, kwalificeert de kantonrechter de gedragingen van [zoon] wel als grensoverschrijdend. Daarbij speelt ook nog mee dat [verzoekende partij] vluchteling is, de Nederlandse en Engelse taal niet machtig is en ondergeschikte was. Gelet op deze kwetsbare positie waarin [verzoekende partij] zich bevond, had [zoon] , die een leidinggevende positie had binnen [verwerende partijen] en zich bewust was van zijn machtspositie, zich moeten onthouden van zijn gedrag en [verzoekende partij] met rust moeten laten, zeker nadat zij daarom (meermaals) expliciet had verzocht.
4.17.
[verwerende partijen] heeft er nimmer adequaat op gereageerd dat een van haar leidinggevenden zich op deze wijze richting een ondergeschikte gedroeg. Dit valt [verwerende partijen] te verwijten. Zij is immers als werkgever verantwoordelijkheid voor de (sociale) veiligheid van haar werknemers. Ten tijde van voornoemd handelen (en thans nog steeds) beschikte [verwerende partijen] niet over een gedragsprotocol inzake relaties op de werkvloer en was daarover geen beleid vastgelegd in het personeelshandboek.
Het door de heer [verwerende partij 2] ter zitting ingenomen standpunt dat hij de verhouding tussen zijn [zoon] en [verzoekende partij] en het werk als twee losse zaken ziet, deelt de kantonrechter niet. In deze zaak betreft het niet enkel een privékwestie van zijn zoon, nu [zoon] manager is bij [verwerende partijen] en [verzoekende partij] aldaar ook - als ondergeschikte - werkzaam was en zichtbaar last had van het gedrag van [zoon] ten opzichte van haar. Dat het contact tussen hen geen negatieve gevolgen heeft gehad voor de werkverhouding of de organisatie kan evenmin standhouden. Uit de verklaringen van [naam 2] en [naam 1] blijkt voldoende dat de werksfeer negatief beïnvloed werd door de situatie, dat [verzoekende partij] bang was voor [zoon] en haar collega’s meermaals vroeg haar niet alleen te laten met hem. Ook de heer [verwerende partij 2] moet het duidelijk zijn geweest dat [verzoekende partij] leed onder de situatie met [zoon] . Op 13 juni 2025 is de hele situatie uiteindelijk geëscaleerd. [verwerende partij 2] had [verzoekende partij] in bescherming moeten nemen, maar heeft de situatie afgedaan als een privékwestie tussen [verzoekende partij] en zijn zoon en [verzoekende partij] verzocht daar niet met de andere personeelsleden over te praten. Dat getuigt niet van goed werkgeverschap.
4.18.
[verwerende partijen] heeft op de zitting nog aangevoerd dat [verzoekende partij] zich tot de vertrouwenspersoon had kunnen wenden. Nergens blijkt echter uit dat [verwerende partijen] ooit naar haar werknemers heeft gecommuniceerd dat er een vertrouwenspersoon was. Bovendien wordt de functie van vertrouwenspersoon blijkbaar bekleed door mevrouw [verwerende partij 3] , die medevennoot van [verwerende partij 1] en de moeder van [zoon] is, en aldus niet onafhankelijk en objectief kan worden beschouwd. Dat [verzoekende partij] zich niet tot haar heeft gewend, kan uiteraard niet aan haar worden tegengeworpen.
Het handelen van [verwerende partijen] na de ziekmelding door [verzoekende partij]
4.19.
Voldoende is gebleken dat partijen de intentie hadden om bij gebleken geschiktheid de arbeidsrelatie voort te zetten. Dit blijkt uit de arbeidsovereenkomst. Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoekende partij] tot aan haar ziekmelding naar behoren heeft gefunctioneerd, zodat een verlenging van de arbeidsovereenkomst in het vooruitzicht lag.
4.20.
Dit alles veranderde nadat [verzoekende partij] zich op 13 juni 2025 ziekmeldde. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, acht de kantonrechter voldoende aannemelijk dat de reden waardoor [verzoekende partij] arbeidsongeschikt is geworden en zich heeft moeten ziekmelden, in ieder geval voor een belangrijk deel was gelegen in de situatie met [zoon] en de gebeurtenissen op 13 juni 2025. Vervolgens heeft [verwerende partijen] de ziekmelding gesanctioneerd met de mededeling dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd en het goedgekeurde verlof van [verzoekende partij] , dat pas twee maanden later was gepland, zonder gegronde redenen ingetrokken. Ook heeft [verwerende partijen] de ziekmelding van [verzoekende partij] aangegrepen om de rest van het personeel te waarschuwen. [33] Vervolgens heeft [verwerende partijen] aan [verzoekende partij] vrij snel na haar ziekmelding een vaststellingsovereenkomst aangeboden, waarmee [verzoekende partij] een groot deel van haar rechten zou prijsgeven. In plaats van meteen een consult bij de bedrijfsarts te plannen, heeft [verwerende partijen] [verzoekende partij] na drie weken gevraagd of zij weer ingepland kon worden voor werk, heeft zij [verzoekende partij] verkeerd geïnformeerd over de rol van de bedrijfsarts (anders dan [verwerende partijen] aan [verzoekende partij] meedeelde, is het júist de bedrijfsarts – en niet de huisarts – die oordeelt of een werknemer ziek is).Vervolgens heeft [verwerende partijen] de adviezen van de bedrijfsarts in de wind geslagen. Waar de bedrijfsarts uitdrukkelijk adviseerde om het contact te minimaliseren, bleef [verwerende partijen] [verzoekende partij] stelselmatig lastigvallen met e-mailberichten en druk op [verzoekende partij] uitoefenen. Ook al oordeelde de bedrijfsarts dat er medisch geen bezwaar bestond tegen het opnemen van verlof door [verzoekende partij] , toch bleef [verwerende partijen] bij de intrekking van het aanvankelijk goedgekeurde verlof zonder daarvoor een gegronde reden te hebben. [verwerende partijen] heeft vervolgens ook nog eens [verzoekende partij] gedreigd met arbeidsrechtelijke maatregelen omdat zij zonder daarvoor toestemming te hebben in het buitenland zou verblijven, hetgeen volgens [verzoekende partij] niet het geval was. Deze ongefundeerde beschuldiging is door [verwerende partijen] momenteel nog steeds niet voorzien van enige onderbouwing.
4.21.
Het voorgaande laat naar het oordeel van de kantonrechter geen andere conclusie toe dan dat [verwerende partijen] haar re-integratieverplichtingen jegens [verzoekende partij] grovelijk heeft veronachtzaamd.
[verwerende partijen] heeft niet al het loon (tijdig) betaald
4.22.
Ook neemt [verwerende partijen] het niet zo nauw met het tijdig en volledig betalen van het loon. Het loon over de maanden augustus, oktober en november 2025 [34] is te laat (en niet volledig) betaald. De onregelmatigheidstoeslag voor de gewerkte uren op zaterdag en feestdagen is uiteindelijk pas op 7 maart 2026 betaald, nadat de gemachtigde van [verzoekende partij] daar meermaals om verzocht heeft en onderhavig verzoekschrift is ingediend. De wettelijke verhoging hierover is nog steeds niet betaald.
Conclusie ernstig verwijtbaar handelen of nalaten [verwerende partijen]
4.23.
De kantonrechter acht al met al voldoende aannemelijk geworden dat [verwerende partijen] de arbeidsovereenkomst van [verzoekende partij] niet heeft verlengd als gevolg van de ziekmelding van [verzoekende partij] op 13 juni 2025. Uit het hiervoor onder randnummer 2.7. weergegeven e-mailbericht van 14 juni 2025 van [verwerende partijen] blijkt dit immers overduidelijk. Ook acht de kantonrechter het voldoende aannemelijk dat deze ziekmelding het gevolg is geweest van verwijtbaar onvoldoende zorg van [verwerende partijen] voor de arbeidsomstandigheden van [verzoekende partij] , met name de door [verwerende partijen] te waarborgen veiligheid op de werkvloer en het gevrijwaard blijven van ongewenste avances door een leidinggevende. Tevens staat vast dat [verwerende partijen] haar re-integratieverplichtingen bij ziekte grovelijk heeft veronachtzaamd. Uit het vorenstaande volgt dat aan het vereiste oorzakelijk verband tussen het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever en het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst is voldaan.
4.24.
De conclusie uit het voorgaande is dat de hoge drempel in dit geval wordt gehaald en dat het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van het ernstig verwijtbaar handelen van [verwerende partijen] . Er bestaat aldus een causaal verband tussen de ernstige verwijtbaarheid en het einde van het dienstverband oftewel aannemelijk is dat zonder ernstig verwijtbaar handelen van [verwerende partijen] de arbeidsovereenkomst, die van rechtswege is beëindigd, wel zou zijn voortgezet.
4.25.
Het voorgaande betekent dat de verzochte verklaring voor recht dat [verwerende partijen] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld zal worden toegewezen. Nu het primair verzochte wordt toegewezen, wordt aan de beoordeling van het subsidiair verzochte, te weten of [verwerende partijen] jegens [verzoekende partij] aansprakelijk is op grond van het bepaalde in artikel 7:658 BW Pro en/of 7:611 BW, niet toegekomen.
Het verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding
4.26.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de kantonrechter een billijke vergoeding toekennen.
4.27.
[verzoekende partij] verzoekt een bedrag van € 50.000,00 aan billijke vergoeding. Zij baseert dat op haar verwachting dat de arbeidsovereenkomst nog tenminste drie jaar geduurd zou hebben. [verzoekende partij] verwacht, gelet op haar arbeidsongeschiktheid en de beperkte toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt, niet binnen een redelijke termijn uitzicht te hebben op een baan elders. Zij berekent haar tekort op het verschil van het loon bij [verwerende partijen] en de door haar ontvangen ziektewetuitkering (21 november 2025 tot 21 november 2027) en daarna te ontvangen leefgeld (een voorziening voor Oekraïense vluchtelingen die zij zal ontvangen over de periode 21 november 2027 tot 21 november 2028) over een periode van drie jaar op € 38.568,00. Daarnaast stelt zij haar pensioenschade vast op € 2.520,00. Naast dit inkomensverlies van in totaal € 41.088,00 wenst zij nog een compensatie te zien voor het feit dat de situatie een grote impact op haar levensgeluk heeft. Volgens [verzoekende partij] is het verzochte bedrag een passende compensatie voor het ernstig verwijtbaar handelen.
4.28.
[verwerende partijen] betwist dat [verzoekende partij] de komende drie jaar geen arbeid zal kunnen verrichten.
4.29.
Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. [35] De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
4.30.
Het besluit om de arbeidsovereenkomst niet te verlengen na ommekomst van de overeengekomen bepaalde duur, houdt verband met het ernstig verwijtbaar handelen van [verwerende partijen] . Dat [verzoekende partij] , indien het ernstig verwijtbaar handelen wordt weggedacht, nog minstens drie jaar voor [verwerende partijen] zou hebben gewerkt, acht de kantonrechter echter onvoldoende aannemelijk. [verzoekende partij] was immers pas iets langer dan een half jaar – op basis van een eerste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd – in dienst bij [verwerende partijen] voordat zij zich ziekmeldde. Gelet op de korte duur van het dienstverband is het moeilijk te voorspellen hoe dit zou zijn verlopen als de arbeidsverhouding zou zijn gecontinueerd. Wel had er een grote kans bestaan, indien het verwijtbaar handelen wordt weggedacht en de arbeidsovereenkomst niet van rechtswege zou zijn geëindigd, dat de arbeidsovereenkomst van [verzoekende partij] met een jaar zou zijn verlengd. Immers uit het e-mailbericht van 14 juni 2025 (randnummer 2.7) volgt dat het besluit om de arbeidsovereenkomst niet te verlengen is ingegeven door de ziekmelding. Verder staat vast dat [verzoekende partij] tot haar ziekmelding naar behoren heeft gefunctioneerd en dat ingevolge de arbeidsovereenkomst in dat geval het contract in ieder geval met één jaar zou worden verlengd. Als uitgangspunt wordt daarom genomen dat [verzoekende partij] inkomensschade gedurende een jaar na 20 november 2025 lijdt als gevolg van het ernstig verwijtbaar handelen door [verwerende partijen] . Nu [verwerende partijen] de door [verzoekende partij] gemaakte berekeningen als hierboven vermeld niet gemotiveerd heeft betwist (over de eerste twee jaar € 16.128,00 aan inkomensverlies) zal die inkomensschade in overeenstemming daarmee worden gesteld op een bedrag van € 8.000,- (voor één jaar).
4.31.
De billijke vergoeding heeft geen bestraffend karakter. Anderzijds is ze mede bedoeld om [verwerende partijen] te prikkelen de volgende keer zorgvuldiger te handelen. Het behoeft naar het oordeel van de kantonrechter geen nader betoog dat de wijze waarop [verwerende partijen] met [verzoekende partij] is omgegaan absoluut niet door de beugel kan. Om de ernst van de aan [verwerende partijen] te maken verwijten te benadrukken, acht de kantonrechter een prikkel ter hoogte van € 7.000,00 op zijn plaats.
4.32.
Uit het vorenstaande volgt dat [verwerende partijen] zal worden veroordeeld tot het betalen van een billijke vergoeding aan [verzoekende partij] van € 15.000,00 bruto en wel binnen veertien dagen na deze beschikking. De kantonrechter acht dit een redelijkere termijn dan de verzochte termijn van zeven dagen. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt eveneens toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na opeisbaarheid.
Het verzoek tot toekenning van een immateriële schadevergoeding
4.33.
[verzoekende partij] maakt aanspraak op € 30.000,00 aan immateriële schadevergoeding. [verzoekende partij] stelt dat de door [verwerende partijen] veroorzaakte en nog steeds voortdurende arbeidsongeschiktheid een aanzienlijke aantasting van haar persoon vormt en leidt tot enorm verdriet. Het verlies van haar gezondheid en haar uitzichtloze situatie hebben een enorme wissel op haar levensgeluk getrokken, aldus [verzoekende partij] .
4.34.
Een benadeelde heeft recht op vergoeding van immateriële schade indien zij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast (artikel 6:106 lid 1 BW Pro). Van bedoelde aantasting in haar persoon op andere wijze is in elk geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van bedoelde aantasting in haar persoon sprake is. Het is aan de benadeelde om met voldoende concrete feiten en omstandigheden te onderbouwen dat een dergelijke situatie aan de orde is (Hoge Raad 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376). Dat heeft [verzoekende partij] echter niet, althans niet voldoende gedaan. Dat de door [verzoekende partij] thans ervaren klachten het gevolg zijn van het handelen van [verwerende partijen] is niet komen vast te staan.
4.35.
De in het geding gebrachte stukken bieden immers onvoldoende steun en onderbouwing voor dit standpunt van [verzoekende partij] . Aan de door [verzoekende partij] in het geding gebrachte verklaringen van de behandelend huisarts [36] , psychiater [37] , psycholoog [38] en neuroloog [39] kan in dit verband geen althans onvoldoende gewicht worden toegekend. Uit deze stukken blijkt genoegzaam dat [verzoekende partij] kampt met diverse klachten, zoals stress, slaapstoornissen, vermijdingsgedrag, somberheid, prikkelbaarheid apathie en herbelevingen en is gediagnosticeerd met een depressieve stoornis zonder psychotische symptomen. In de stukken van de huisarts, de psychiater en de psycholoog wordt ook melding gemaakt van problemen in de werksituatie van [verzoekende partij] . De psychiater heeft geconcludeerd dat de depressieve stoornis is getriggerd door externe stressoren, met als primaire uitlokkende factor de werksituatie van [verzoekende partij] . De psycholoog schrijft dat haar hypothese is dat de klachten voortkomen uit langdurende werkgerelateerde traumatisering in combinatie met migratiestress, verlieservaringen en beperkte regie op de leefomstandigheden.
Echter, al deze artsen baseren zich op de anamnese die hen enkel door [verzoekende partij] is aangereikt. Zij hebben niet zelf onderzoek gedaan naar de werksituatie en het oorzakelijk verband met de klachten van [verzoekende partij] . Daarom kan aan deze verklaringen maar zeer beperkt gewicht worden toegekend. Dat geldt temeer nu diverse verwijten over de werksituatie die [verzoekende partij] aan [verwerende partijen] in deze procedure heeft gemaakt, niet zijn komen vast te staan. Bovendien blijkt uit de verklaringen van de psycholoog en psychiater ook dat er diverse andere oorzaken zijn aan te wijzen die de klachten van [verzoekende partij] kunnen verklaren. Dat die klachten enkel of grotendeels het gevolg zijn van het ernstig verwijtbaar handelen door [verwerende partijen] , is door [verzoekende partij] dan ook onvoldoende onderbouwd. De gevorderde (immateriële) schadevergoeding zal dan ook worden afgewezen.
Wettelijke verhoging en wettelijke rente over de onregelmatigheidstoeslag voor werk op zaterdag
4.36.
Nu betaling van de onregelmatigheidstoeslag niet tijdig heeft plaatsgevonden, maakt [verzoekende partij] op goede gronden aanspraak op vergoeding van de wettelijke verhoging. De verzochte wettelijke verhoging zal dan ook worden toegewezen. De kantonrechter acht de verzochte termijn van zeven dagen niet redelijk en zal [verwerende partijen] veroordelen om dit bedrag binnen veertien dagen na deze beschikking te betalen. De gevorderde wettelijke rente, die door het enkele betalingsverzuim verschuldigd wordt, ligt ook voor toewijzing gereed op de hierna in de beslissing weergegeven wijze.
Betalen en verstrekken deugdelijke eindafrekening
4.37.
[verwerende partijen] zal hoofdelijk veroordeeld worden tot het betalen en verstrekken van een deugdelijke eindafrekening (bruto/netto specificatie) ter zake het loon, de vakantiebijslag, de eindejaarsuitkering en de niet genoten verlofuren. De termijn van betalen en afgifte, alsmede de verzochte dwangsom zullen worden toegewezen zoals hierna in de beslissing weergegeven.
Proceskosten
4.38.
De proceskosten komen voor rekening van [verwerende partijen] , omdat [verwerende partijen] overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [verwerende partijen] . De proceskosten aan de zijde van [verzoekende partij] worden begroot op € 1.102,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten).
4.39.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verklaart voor recht dat [verwerende partijen] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld,
5.2.
veroordeelt [verwerende partijen] hoofdelijk om binnen veertien dagen na deze beschikking aan [verzoekende partij] een billijke vergoeding te betalen van € 15.000,00, onder overlegging van een correcte bruto/netto specificatie, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na opeisbaarheid tot aan de dag van de gehele betaling,
5.3.
veroordeelt [verwerende partijen] hoofdelijk om binnen veertien dagen na deze beschikking aan [verzoekende partij] te betalen de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro van
€ 1.310,40 over de onregelmatigheidstoeslag voor werk op zaterdag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 maart 2026 tot de dag van volledige betaling, zulks onder overlegging van een bruto/netto specificatie,
5.4.
veroordeelt [verwerende partijen] hoofdelijk om binnen veertien dagen na deze beschikking aan [verzoekende partij] te betalen en te verstrekken een deugdelijke afrekening (een bruto/netto specificatie) ter zake het loon, de vakantiebijslag, de eindejaarsuitkering en de niet genoten verlofuren, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [verwerende partijen] hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 5.000,00,
5.5.
veroordeelt [verwerende partijen] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.102,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.6.
veroordeelt [verwerende partijen] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.7.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad [40] ,
5.8.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026.

Voetnoten

1.Bijlage 1 verzoekschrift
2.Bijlage 12 verzoekschrift
3.Bijlage 13 verzoekschrift
4.Bijlage 15 verzoekschrift
5.Bijlage 14 verzoekschrift
6.Bijlage 20 verzoekschrift
7.Bijlage 21 verzoekschrift
8.Bijlage 22 verzoekschrift
9.Bijlage 27 verzoekschrift
10.Bijlage 29 verzoekschrift
11.Bijlage 30 verzoekschrift
12.Bijlage 31 verzoekschrift
13.Bijlage 32 verzoekschrift
14.Bijlage 33 verzoekschrift
15.Bijlagen 4 en 36 verzoekschrift
16.Beslissing van het UWV van 22 december 2025, bijlage 5 verzoekschrift
17.Bijlage 53 verzoekschrift
19.Productie 56A verzoekschrift
20.Producties 55A verzoekschrift
21.Appbericht 17:40 uur
22.16 april 2025 19:13 uur
23.1e WhatsApp bericht 2 mei 2025
24.[datum] 2025 8:04 uur
25.[datum] 2025 8:14 uur
26.[datum] 18:38 uur
27.[datum] 19:48 uur
28.Zie bijlage 48 verzoekschrift, waarin een foto is ingeplakt van een stuk vertaalde tekst die [verzoekende partij] tijdens het gesprek heeft gemaakt.
29.Verklaring [verzoekende partij] en [naam 2]
30.Verklaring [verzoekende partij] , [naam 2]
31.Productie 55B verzoekschrift
32.WhatsAppbericht 16 april 2025 om 19:22 uur
33.Zie hiervoor onder 2.7.
34.Bijlagen 35, 38, 40, 41, 44 en 45 verzoekschrift
35.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2017, te vinden op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2017:1187 (
36.Bijlage 34 verzoekschrift
37.Bijlage 57a verzoekschrift
38.Bijlage 57b verzoekschrift
39.Bijlage 57d verzoekschrift
40.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.