ECLI:NL:RBLIM:2026:6239

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
ROE 26/819 en ROE 26/820
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • J. Trifunović
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.22 WaboArt. 2.10 WaboArt. 2.20 WaboArt. 2.27 WaboArt. 5.2.1 Beheersverordening Rosengarten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke vernietiging lasten onder dwangsom wegens strijd vergunningvoorschriften met hogere regelgeving

Allbo Holding B.V. is eigenaar van een perceel met twee loodsen in Einighausen en ontving een omgevingsvergunning voor de bouw van een nieuwe loods. Het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen legde haar drie lasten onder dwangsom op wegens overtreding van vergunningvoorschriften, met name het gebruik van de nieuwe loods en het verbod op detailhandel.

Eiseres betwistte de grondslag van deze lasten omdat de vergunningvoorschriften uitsluitend zien op de nieuwe loods en niet op de bestaande loods, terwijl het college ook activiteiten in de bestaande loods aan de lasten verbond. De voorzieningenrechter voerde een exceptieve toetsing uit en oordeelde dat de vergunningvoorschriften evident in strijd zijn met hogere regelgeving, namelijk artikel 2.22, tweede lid, van de Wabo, die voorschriften beperkt tot het belang van de vergunningplichtige activiteit.

Hierdoor vervalt de grondslag voor handhaving en kunnen de lasten onder dwangsom niet in stand blijven. De voorzieningenrechter vernietigde het bestreden besluit en het besluit van 16 december 2025, wees het verzoek om voorlopige voorziening af en veroordeelde het college tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: De voorzieningenrechter vernietigt de lasten onder dwangsom wegens strijd van de vergunningvoorschriften met hogere regelgeving en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummers: ROE 26/819 en 26/820
uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 juni 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in dezaken
tussen

Allbo Holding B.V., uit Einighausen, eiseres

(gemachtigde: P.H.M. Haenen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen, het college
(gemachtigde: mr. A.B.E. van Kan).

Procesverloop

1. Bij besluit van 16 december 2025 heeft het college aan eiseres een drietal lasten onder dwangsom ter voorkoming van herhaling opgelegd
.Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2. Bij de uitspraak van 25 februari 2026 is dit verzoek toegewezen en is het besluit van 16 december 2025 geschorst tot de beslissing op het bezwaar van eiseres. [1]
3. Bij het bestreden besluit van 2 april 2026 heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en de drie lasten onder dwangsom in stand gelaten. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
4. Het college heeft de werking van het bestreden besluit opgeschort tot de onderhavige uitspraak en op het verzoek van eiseres gereageerd met een verweerschrift.
5. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 30 april 2026 op zitting behandeld. Namens eiseres hebben haar gemachtigde en [naam] hieraan deelgenomen. Namens het college nam de gemachtigde deel, vergezeld door zijn collega, E.V.M. Scheijen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

De feiten
6. Eiseres is eigenaar van het perceel aan de [adres] in Einighausen. Zij is tevens bestuurder en enig aandeelhouder van Allbo Ontruimingen B.V. en Snuffelmarkt Lentjheuvel B.V., die op het perceel gevestigd zijn. Allbo Ontruimingen B.V. houdt zich bezig met woning- en/of bedrijfsontruimingen, hoofdzakelijk met het opslaan en sorteren van bij een ontruiming aangetroffen goederen. Snuffelmarkt Lentjheuvel B.V. verkoopt die goederen vervolgens via haar (kringloop)winkel.
7. Ten behoeve van deze bedrijfsactiviteiten staan op het terrein twee loodsen: een bestaande (grote) loods en een nieuwe (kleine) loods.
8. Op het perceel geldt de Beheersverordening Rosengarten, die van rechtswege onderdeel uitmaakt van (het tijdelijk deel van) het Omgevingsplan gemeente Sittard-Geleen. Op 1 augustus 2022 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het project ‘nieuwbouw zadeldakhal’. Dit project omvat de bouw van de nieuwe loods en het gebruik van de gronden in strijd met de Beheersverordening. Aan de omgevingsvergunning, die inmiddels onherroepelijk is, zijn voorschriften verbonden. Voor zover relevant, luiden deze als volgt:
“d. De sortering ofwel overslag van materialen en goederen in containers dient in de bestaande loods plaats te vinden conform schetstekening en de aard en omvang van het bedrijf dienen nagenoeg gelijk te blijven.
(…)
f. Er mag geen detailhandel plaatsvinden op het terrein (als kringloopwinkel en/of locatie waar particulieren hun spullen kunnen brengen en halen) vanwege toename van het aantal transporten en de verkeersaantrekkende werking.”
9. Het college heeft controles verricht op het perceel en stelt dat eiseres in strijd handelt met vergunningvoorschriften d en f. De overslag van materialen vindt niet plaats in de bestaande (grote) loods, maar in de nieuwe (kleine) loods en op het buitenterrein. Ook is in het kader van de kringloopwinkel ‘Snuffelmarkt Lentjheuvel’ sprake van detailhandel, zo blijkt uit de controles.
10. Naar aanleiding van deze bevindingen heeft het college aan eiseres drie lasten onder dwangsom opgelegd. Mocht eiseres de vergunningvoorschriften opnieuw overtreden, verbeurt zij:
1. € 3.000,- per overtreding per dag dat geconstateerd wordt dat de online webshop voor detailhandel op de [adres] in Einighausen wordt aangehouden. Hiervoor geldt een maximumbedrag van € 30.000,-.
2. € 7.000,- per overtreding per dag dat geconstateerd wordt dat detailhandel plaatsvindt op het terrein aan de [adres] te Einighausen in de vorm van een (kringloop)winkel. Hiervoor geldt een maximumbedrag van € 70.000,-.
3. € 10.000,- per overtreding per dag dat geconstateerd wordt dat sortering en overslag van goederen in containers buiten de bestaande loods plaatsvindt. Hiervoor geldt een maximumbedrag van € 100.000,-.
Het kader van de beoordeling
11. De omgevingsvergunning van 1 augustus 2022 is verleend onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Omdat op 1 januari 2024 de Omgevingswet (Ow) in werking is getreden en de lasten onder dwangsom daarna aan eiseres zijn opgelegd, is de Ow van toepassing op het bestreden besluit.
12. Indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen. Voorwaarde is dat onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. [2]
13. Het verzoek om een voorlopige voorziening is hier gedaan hangende beroep bij de rechtbank. De voorzieningenrechter is na afloop van de zitting tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Zij beslist in deze uitspraak daarom onmiddellijk op het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit en doet dat aan de hand van de ingebrachte gronden. [3]
14. De voor deze zaak relevante wetsbepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.
Kan het college de vergunningvoorschriften ten grondslag leggen aan het drietal lasten?
15. In deze uitspraak staat de vraag centraal of de opgelegde lasten onder dwangsom in stand kunnen blijven. Eiseres meent van niet en zij voert daartoe onder meer aan dat het college niet de vergunningvoorschriften ten grondslag heeft kunnen leggen aan de beslissing om handhavend te optreden. Deze voorschriften zijn verbonden aan de omgevings-vergunning, zodat zij louter de nieuwe loods betreffen. Via de voorschriften heeft het college echter ook activiteiten die zien op de bestaande loods onderwerp willen maken van de opgelegde lasten. Dat kan niet, aldus eiseres.
16. Het college betwist dit. De omgevingsvergunning is reeds onherroepelijk, zodat ook de vergunningvoorschriften in rechte vaststaan. Uit de vergunningvoorschriften volgt duidelijk welke speelruimte eiseres had, hetgeen ook de commissie voor bezwaarschriften beaamt. Dat eiseres zich niet aan de voorschriften heeft gehouden, komt dan ook voor haar rekening en risico. Het college concludeert dat terecht op grond van de vergunning-voorschriften uitvoering is gegeven aan de beginselplicht tot handhaving.
17. De voorzieningenrechter volgt eiseres in haar standpunt dat het college op grond van de vergunningvoorschriften niet handhavend kan optreden ten aanzien van de bestaande loods. Dat betekent dat deze beroepsgrond slaagt. Daartoe is het volgende van belang.
18. De voorzieningenrechter overweegt dat bij de beoordeling van deze beroepsgrond sprake is van een zogeheten exceptieve toetsing. Dat houdt in dit geval in dat dat de voorzieningenrechter de vergunningvoorschriften kan toetsen op rechtmatigheid. In het bijzonder gaat het daarbij om de vraag of het voorschrift niet in strijd is met hogere regelgeving. De voorzieningenrechter komt ook de bevoegdheid toe te beoordelen of de vergunningvoorschriften een voldoende deugdelijke grondslag bieden voor het besluit waarover de zaak gaat. Bij deze indirecte toetsing vormen de algemene rechtsbeginselen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een belangrijk richtsnoer. [4] Indien komt vast te staan dat de vergunningvoorschriften evident in strijd zijn met een hogere regeling, dient de voorzieningenrechter deze onverbindend te achten of buiten toepassing te laten. Daarbij vereist het evidentiecriterium onder meer dat de hogere regelgeving zodanig concreet is, dat deze zich leent voor toetsing daaraan bij wijze van exceptie. [5]
19. De voorzieningenrechter overweegt dat de vergunningvoorschriften, zoals die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit, evident in strijd zijn met een hogere regeling, namelijk de (ten tijde van vergunningverlening geldende) Wabo. Artikel 2.22, tweede lid, van de Wabo bepaalt dat aan een omgevingsvergunning de voorschriften worden verbonden “die nodig zijn met het oog op het belang dat voor de betrokken activiteit is aangegeven in het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.10 tot en met 2.20”. Dat betekent dat de voorschriften die aan een vergunning worden verbonden, uitsluitend dienen ter bescherming van het belang dat wettelijk is aangegeven met betrekking tot de vergunningplichtige activiteiten. Met andere woorden, de vergunningvoorschriften mogen alleen zien op datgeen waarvoor de vergunning wordt verleend.
20. Vaststaat dat de omgevingsvergunning ziet op de nieuwe loods (dat wil zeggen, het project ‘nieuwbouw zadeldakhal’). De aan deze vergunning verbonden voorschriften mogen dus ook alleen zien op de nieuwe loods Het college heeft herhaaldelijk betoogd dat door de werkwijze van eiseres, klachten over ernstige geluidshinder zijn binnengekomen (hetgeen volgens het college bovendien voortduurt). Dit heeft ertoe geleid dat vergunningvoorschriften d en f zijn opgenomen. De vraag of al dan niet daadwerkelijk sprake is van (ernstige) geluidshinder, is in dit geval irrelevant voor de voorzieningenrechter. Evident is namelijk dat de vergunningvoorschriften niet (uitsluitend) zien op de nieuwe loods. De voorzieningenrechter overweegt daarom dat de vergunningvoorschriften, voor zover die de bestaande loods betreffen, niet in overeenstemming zijn met artikel 2.22, tweede lid, van de Wabo. Zij laat de vergunningvoorschriften d en f dan ook buiten toepassing.
21. Omdat de vergunningvoorschriften d en f ten grondslag liggen aan de lasten onder dwangsom, vervalt met het buiten toepassing verklaren daarvan ook de grondslag voor het handhavend optreden. De opgelegde lasten onder dwangsom kunnen reeds daarom geen stand houden, zodat de overige beroepsgronden geen bespreking meer behoeven.

Conclusie en gevolgen

22. Het beroep, bij wege van exceptie, op de onrechtmatigheid van de vergunningvoorschriften die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit, slaagt. Eiseres krijgt op dit punt dus gelijk, zodat haar beroep gegrond is. De voorzieningenrechter vernietigt het bestreden besluit. Doordat het college de onrechtmatigheid van de vergunningvoorschriften herhaaldelijk heeft miskend – bij besluit van 16 december 2025, het bestreden besluit en in deze procedure – ziet de voorzieningenrechter tevens aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Dat doet zij door niet alleen het bestreden besluit te vernietigen, maar ook een besluit te nemen in plaats van het bestreden besluit en daarbij het besluit van 16 december 2025 te herroepen. [6]
23. Aangezien de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak doet in de hoofdzaak, is er geen aanleiding (meer) om een voorlopige voorziening te treffen. [7] Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen.
24. Omdat eiseres gelijk krijgt, moet het college het griffierecht vergoeden dat zij in het kader van haar verzoek en beroep heeft betaald. Daarnaast veroordeelt de voorzieningenrechter het college in de proceskosten van eiseres, daaronder begrepen de in de bezwaarfase gemaakte proceskosten. Deze worden op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op een bedrag van € 4.134,- (één punt voor het indienen van het bezwaarschrift en één punt voor het verschijnen op de hoorzitting in bezwaar, met een waarde per punt van € 666,- en een wegingsfactor één; en daarbij één punt voor het indienen van het beroepschrift, één punt voor het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen, en één punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor één).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het besluit van 16 december 2025;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 794,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 4.134,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Trifunović, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.L. Neumann, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op: 29 juni 2026.
De griffier is verhinderd deze uitspraak
te ondertekenen.
De voorzieningenrechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 29 juni 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.22
1. In een omgevingsvergunning worden het project en de activiteiten waarop het betrekking heeft, duidelijk beschreven.
2. Aan een omgevingsvergunning worden de voorschriften verbonden, die nodig zijn met het oog op het belang dat voor de betrokken activiteit is aangegeven in het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.10 tot en met 2.20. Indien toepassing is gegeven aan artikel 2.27, vierde lid, worden aan een omgevingsvergunning tevens de bij de verklaring aangegeven voorschriften verbonden. De aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften zijn op elkaar afgestemd. (…)
Beheersverordening Rosengarten
Artikel 5.2.1
Bouwen is toegestaan uitsluitend ten dienste van de in artikel 5.1 omschreven bestemming en met inachtneming van de volgende regels:
a. gebouwen en bedrijfsinstallaties mogen uitsluitend binnen de bouwvlakken worden gebouwd, met dien verstande, dat ter plaatse van het besluitsubvlak ‘bedrijfswoning’ uitsluitend bedrijfswoningen zijn toegestaan; (…)
Artikel 15.4.1
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden op de in artikel 15.1 bedoelde gronden de volgende andere-werken uit te voeren:
(…)
het bodem verlagen of afgraven van gronden;
het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,30 m vanaf maaiveld; (…)
Artikel 19.2.2
In afwijking van het bepaalde bij de andere besluitvlakken (artikelen 3 tot en met 11) zijn op de in artikel 19.2.1 bedoelde gronden geen nieuwe kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten toegestaan.
Artikel 19.2.3
In afwijking van het bepaalde bij de andere besluitvlakken (artikelen 3 tot en met 11) mogen geen nieuwe gebouwen worden gebouwd ten behoeve van de in artikel 19.2.2 genoemde functies.

Voetnoten

1.Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg van 25 februari 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:1885.
2.Artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Artikel 8:86 van Pro de Awb.
4.Vgl. uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:249, rov. 103.
5.Vgl. uitspraak van de Afdeling van 15 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1020, rov. 11.3.
6.Artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, en artikel 7:11, tweede lid, van de Awb.
7.Artikel 8:85, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb.