ECLI:NL:RBLIM:2026:6422

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
12205414 \ AZ VERZ 26-68
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Bisscheroux
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:662 BWArt. 7:663 BWArt. 7:625 BWArt. 7:626 BWArt. 6:119 BW
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Arbeidsovereenkomst niet beëindigd door overgang van onderneming; loonbetaling toegewezen

De werknemer was sinds maart 2024 in dienst bij een schildersbedrijf en werd arbeidsongeschikt in juli 2024. Het schildersbedrijf werd per 31 december 2025 opgeheven, waarna de werkgever de activiteiten en werknemers overnam. De werknemer weigerde een nieuwe arbeidsovereenkomst te tekenen met de overnemende werkgever.

De werkgever zegde de arbeidsovereenkomst op per 31 december 2025, maar de kantonrechter oordeelde dat door de overgang van onderneming de arbeidsovereenkomst van rechtswege is overgegaan op de nieuwe werkgever. De werknemer was niet verplicht een nieuwe overeenkomst te tekenen. De opzegging was daarom niet rechtsgeldig.

De werkgever stopte met loonbetaling vanaf 23 februari 2026, wat onrechtmatig was. De kantonrechter veroordeelde de werkgever tot betaling van het loon vanaf die datum, inclusief wettelijke verhoging en rente, en tot verstrekking van loonstroken. Het tegenverzoek van de werkgever werd afgewezen. De werkgever werd tevens veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst is niet rechtsgeldig beëindigd door overgang van onderneming; werkgever moet loon doorbetalen en loonstroken verstrekken.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer / rekestnummer: 12205414 \ AZ VERZ 26-68
Beschikking van 2 juli 2026
in de zaak van
[werknemer],
te [plaats] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. A.G.E. Jaspers,
tegen
[werkgever] B.V.,
te [plaats] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [werkgever] ,
procederend in persoon.
De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt de werknemer om doorbetaling van zijn loon nadat de betaling daarvan is gestopt na een opzegging van zijn arbeidsovereenkomst. De arbeidsovereenkomst was opgezegd omdat het bedrijf is gestopt. De kantonrechter oordeelt dat de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is beëindigd omdat er sprake is van overgang van onderneming. De verzoeken worden toegewezen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met 7 producties
- het verweerschrift, met een tegenverzoek, met 6 producties
- de mondelinge behandeling van 18 juni 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[werknemer] , geboren [datum] 1983, is op 24 maart 2024 in dienst getreden bij [schildersbedrijf] . De functie van [werknemer] is schilder met een laatstverdiend loon van 70% van € 2.517,66 bruto per vier weken, exclusief emolumenten.
2.2.
[werknemer] is sinds 16 juli 2024 arbeidsongeschikt.
2.3.
Op 14 oktober 2025 heeft [werkgever] aan [werknemer] een arbeidsovereenkomst tussen hem en [werknemer] aangeboden. [werknemer] is niet akkoord gegaan met deze arbeidsovereenkomst.
2.4.
Tot en met periode 5 2025 is het loon aan [werknemer] overgemaakt vanaf een bankrekening op naam van [persoon] . De periode salarissen 6 tot en met 8 van 2025 zijn aan [werknemer] overgemaakt vanaf een bankrekening op naam van [bedrijf] . Het salaris vanaf periode 9 van 2025 is overgemaakt vanaf een [rekeningnummer] . Deze rekening stond eerst op naam van [bedrijf] , maar ergens in november 2025 is deze bankrekening op naam van [werkgever] gesteld.
2.5.
[werkgever] heeft het salaris tot en met periode 2 van 2026 aan [werknemer] overgemaakt.
2.6.
Op 4 maart 2026 heeft [werkgever] de arbeidsovereenkomst opgezegd met ingang van 31 december 2025. In haar brief heeft [werkgever] hierover - voor zover van belang - het volgende vermeld:
“Het schildersbedrijf is met ingang van 31-12-2025 uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel. Dit betekent dat het bedrijf niet meer bestaat en dus volledig opgeheven is.
Aangezien u het niet eens was met ons voorstel om mee over te stappen naar ons nieuwe bedrijf [werkgever] BV, bent u op eigen verzoek in dienst gebleven bij het [schildersbedrijf] .
Uw contract bij het [schildersbedrijf] is dan ook beëindigd per 31-12-2025 wegens beëindiging van het bedrijf.”

3.Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek

3.1.
Vonk verzoekt - kort weergegeven - voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
de opzegging van 4 maart 2026 te vernietigen;
[werkgever] te veroordelen om binnen zeven dagen na de beschikking het salaris vanaf 23 februari 2026 aan [werknemer] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente;
[werkgever] te veroordelen om binnen zeven dagen na de beschikking de loonstroken vanaf 23 februari 2026 aan [werknemer] te overleggen, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag met een maximum van € 5.000,00;
[werkgever] te veroordelen om binnen zeven dagen na de beschikking het loon van november 2025 aan [werknemer] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente.;
[werkgever] te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
Volgens [werknemer] is de opzegging van de arbeidsovereenkomst van 4 maart 2026 per 31 december 2025 niet rechtsgeldig. [werknemer] stelt dat sprake is van overgang van onderneming ex artikel 7:662 BW Pro omdat [werkgever] de activiteiten van [schildersbedrijf] heeft overgenomen. Daarmee zijn de rechten en plichten uit zijn arbeidsovereenkomst overgegaan op [werkgever] en was [werknemer] niet verplicht om een nieuwe arbeidsovereenkomst met [werkgever] te tekenen. Ook heeft [werkgever] het loon van periode 11 van 2025 tot en met periode 2 van 2026 betaald, zodat bij [werknemer] het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat [werkgever] die de arbeidsovereenkomst heeft voortgezet. Bovendien stelt [werknemer] dat sprake is van een opzegverbod omdat [werknemer] nog steeds arbeidsongeschikt is.
3.3.
[werkgever] voert verweer en stelt dat hij geen partij is omdat [werknemer] een arbeidsovereenkomst met [schildersbedrijf] had en niet met [werkgever] . Doordat [werknemer] geen nieuwe arbeidsovereenkomst met [werkgever] heeft getekend is hij in dienst gebleven bij [schildersbedrijf] en dit bedrijf is per 31 december 2025 beëindigd. Tot slot stelt [werkgever] dat er te veel loon aan [werknemer] is uitbetaald.
3.4.
[werkgever] heeft een tegenverzoek gedaan waarbij hij verzoekt - kort weergegeven - voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
te oordelen dat [werkgever] geen partij is;
te oordelen dat het loon al betaald is en dat er eigenlijk te veel loon is betaald;
te oordelen dat het teveel uitbetaalde loon wordt teruggevorderd;
te oordelend dat er onvoldoende spoedeisend belang is zodat een gewone procedure gestart moet worden;
[werknemer] te veroordelen in de proceskosten.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna - voor zover relevant - nader ingegaan.

4.De beoordeling

De beoordeling van het verzoek
Is de arbeidsovereenkomst beëindigd?
4.1.
Centraal staat de vraag of de arbeidsovereenkomst die [werknemer] met [schildersbedrijf] heeft gesloten, is beëindigd. De kantonrechter oordeelt dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is. De kantonrechter legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
4.2.
[werknemer] stelt dat [werkgever] de activiteiten van [schildersbedrijf] heeft overgenomen en dat sprake is van een overgang van onderneming. Van een overgang van onderneming is sprake wanneer [1] :
een overgang heeft plaatsgevonden op grond van een overeenkomst,
een economische eenheid is overgegaan, en
de identiteit van de economische eenheid is behouden.
4.3.
Op de mondelinge behandeling heeft [werkgever] verklaard dat hij op advies van de boekhouder zijn drie bedrijven (een holding, een B.V. ( [werkgever] ) en een eenmanszaak ( [schildersbedrijf] )) heeft ondergebracht in één bedrijf. Ook heeft [werkgever] verklaard dat de werknemers van [schildersbedrijf] nu voor [werkgever] werken, behalve [werknemer] , omdat hij niet akkoord is gegaan met de nieuwe arbeidsovereenkomst. Tot slot heeft [werkgever] verklaard dat de werkzaamheden bij [schildersbedrijf] bestonden uit schilderwerkzaamheden en dat deze werkzaamheden nu door de werknemers van [werkgever] worden verricht. Door deze omstandigheden is sprake van een economische eenheid die zijn identiteit (schilderwerkzaamheden) heeft behouden en is voldaan aan de voorwaarden voor een overgang van onderneming. Het gevolg van deze overgang van onderneming is dat de rechten en plichten die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst overgaan op de verkrijger [2] , in dit geval [werkgever] . [werknemer] was niet verplicht om hiervoor een nieuwe arbeidsovereenkomst met [werkgever] te tekenen. Zijn arbeidsovereenkomst met [schildersbedrijf] is van rechtswege overgegaan op [werkgever] .
4.4.
Met het sluiten van het bedrijf [schildersbedrijf] is dan ook geen einde gekomen aan de arbeidsovereenkomst tussen [werknemer] en [werkgever] . De opzegging van 4 maart 2026 is daarmee niet rechtsgeldig gegeven, zodat het verzoek tot vernietiging van deze opzegging zal worden toegewezen.
[werknemer] heeft recht op loon
4.5.
Onbetwist is dat [werkgever] het loon van [werknemer] niet meer heeft betaald vanaf 23 februari 2026. Nu uit de voorgaande overweging volgt dat de arbeidsovereenkomst tussen [werkgever] en [werknemer] niet is beëindigd, heeft [werknemer] recht op doorbetaling van zijn loon totdat er een rechtsgeldig einde aan deze arbeidsovereenkomst is gekomen. De vordering van [werknemer] tot betaling van zijn loon vanaf 23 februari 2026 zal daarom worden toegewezen.
4.6.
[werknemer] stelt dat het loon van november 2025 niet correct is betaald en heeft daartoe een onderbouwing overgelegd. [werkgever] heeft betwist dat er niet correct betaald is en heeft daartoe aangevoerd dat hij de uitbetaling heeft laten nakijken. Daaruit volgt dat er wel correct is uitbetaald. Een nadere onderbouwing of een rapport van dit onderzoek heeft [werkgever] echter niet overgelegd. Daarmee heeft [werkgever] zijn verweer onvoldoende onderbouwd, zodat het verzoek van [werknemer] zal worden toegewezen.
De wettelijke verhoging en wettelijke rente
4.7.
De door [werknemer] verzochte wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro zal eveneens worden toegewezen. Deze wettelijke verhoging is verschuldigd bij niet tijdige betaling van het loon indien de niet tijdige betaling aan de werkgever kan worden toegerekend. Zoals in r.o. 4.5. overwogen, is daar in onderhavige zaak sprake van nu [werkgever] verplicht is het loon door te betalen vanaf 23 februari 2026.
4.8.
De verzochte wettelijke rente over het verschuldigde loon kan slechts worden toegewezen met ingang van de datum van het verzoekschrift (28 april 2026) nu [werknemer] alleen heeft gesteld dat [werkgever] met de betalingen in verzuim is, maar niet heeft uitgelegd vanaf welke datum [werkgever] hiermee in verzuim is.
De loonstroken
4.9.
Op grond van artikel 7:626 BW Pro is de werkgever verplicht om de loonstroken ter beschikking te stellen aan de werknemer. [werkgever] voert hiertegen aan dat [werknemer] deze loonstroken kan downloaden via het portaal, maar dit ontslaat [werkgever] er niet van om deze loonstroken (alsnog) op verzoek te verstrekken. Bovendien verzoekt [werknemer] om de loonstroken vanaf 23 februari 2026 omdat vanaf die periode de uitbetaling van het salaris is gestopt. Gelet op het eerder ingenomen standpunt van [werkgever] dat [werknemer] niet meer in dienst is, zullen de loonstroken vanaf 23 februari 2026 (nog) niet in het portaal beschikbaar zijn. Omdat hiervoor is geoordeeld dat [werkgever] het loon vanaf 23 februari 2026 moet betalen, zal het verzoek tot verstrekking van deze loonstroken worden toegewezen.
4.10.
De daarop verzochte dwangsom zal evenwel worden gematigd tot € 100,00 per dag met een maximum van € 2.500,00.
De beoordeling van het tegenverzoek
4.11.
In de voorgaande overwegingen is reeds geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst door overgang van onderneming is overgegaan van [schildersbedrijf] op [werkgever] , zodat [werkgever] wel partij is in deze procedure.
4.12.
Eveneens is overwogen dat [werkgever] het salaris van november 2025 en het salaris vanaf 23 februari 2026 aan [werknemer] verschuldigd is. Niet gesteld of gebleken is dat [werkgever] teveel aan salaris zou hebben uitbetaald. Deze verzoeken zullen worden afgewezen.
4.13.
Tot slot verzoekt [werkgever] om te oordelen dat er onvoldoende spoedeisend belang is voor deze procedure. In de onderhavige verzoekschriftprocedure is echter geen spoedeisend belang vereist, zodat ook dit verzoek zal worden afgewezen.
Proceskosten
4.14.
De proceskosten komen voor rekening van [werkgever] , omdat [werkgever] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [werknemer] worden begroot op € 1.102,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
op het verzoek
5.1.
vernietigt de opzegging van de arbeidsovereenkomst,
5.2.
veroordeelt [werkgever] om binnen zeven dagen na dagtekening van deze beschikking aan [werknemer] het loon vanaf 23 februari 2026 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro en met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 26 april 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,
5.3.
veroordeelt [werkgever] om binnen zeven dagen na dagtekening van deze beschikking aan [werknemer] de loonstroken te verstrekken vanaf 23 februari 2026, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag dat [werkgever] hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 2.500,00,
5.4.
veroordeelt [werkgever] om binnen zeven dagen na dagtekening van deze beschikking aan [werknemer] het loon van november 2025 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro en met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 26 april 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,
op het tegenverzoek
5.5.
wijst de verzoeken van [werkgever] af,
op het verzoek en het tegenverzoek
5.6.
veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 1.102,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Bod`i niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.7.
verklaart de veroordelingen in deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad [3] ,
Deze beschikking is gegeven door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.

Voetnoten

1.Artikel 7:662 BW Pro.
2.Artikel 7:663 BW Pro.
3.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.