ECLI:NL:RBLIM:2026:664

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
ROE 24/5022
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Sluiting woning op grond van de Opiumwet en kostenverhaal bestuursdwang

Deze uitspraak betreft het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Simpelveld om kosten van € 70,- in rekening te brengen bij eiser, die eigenaar en verhuurder is van een woning waar een hennepkwekerij is aangetroffen. Eiser is het niet eens met dit kostenverhaal en heeft beroep ingesteld. De rechtbank oordeelt dat het college de kosten van € 70,- bij eiser in rekening mag brengen, omdat eiser geen bijzondere omstandigheden heeft aangetoond die het kostenverhaal onredelijk zouden maken. De rechtbank legt uit dat de kosten van bestuursdwang op eiser verhaald kunnen worden, omdat hij als overtreder is aangemerkt en het college de kosten redelijk heeft vastgesteld. Eiser had geen kans om zelf aan de last te voldoen, maar de rechtbank oordeelt dat de kosten die hij zou hebben gemaakt, ook als hij zelf een slotenmaker had ingeschakeld, gelijk zijn aan het bedrag dat nu in rekening wordt gebracht. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat het college de kosten van bestuursdwang kan verhalen. Eiser krijgt geen gelijk, maar het college moet wel het griffierecht vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 24/5022

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Simpelveld

(gemachtigde: mr. G.B. Falkenberg).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om de kosten van € 70,- in verband met de sluiting van de woning waarvan eiser eigenaar en verhuurder is, op eiser te verhalen. Eiser is het niet eens met dit kostenverhaal. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan, die de rechtbank beoordeelt.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de kosten van € 70,- bij eiser in rekening mag brengen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 14 november 2023 heeft het college aan eiser een last onder bestuursdwang opgelegd (het bestuursdwangbesluit). Eiser heeft hiertegen geen rechtsmiddelen aangewend.
2.1.
Met het besluit van 22 mei 2024 heeft het college de kosten (€ 237,65) die gemoeid waren met de sluiting van de woning op eiser verhaald.
2.2.
Met het bestreden besluit van 10 oktober 2024 op het bezwaar van eiser heeft het college het besluit gedeeltelijk herzien. Het bedrag dat eiser moet betalen is verlaagd tot
€ 70,-.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser is eigenaar en verhuurder van een woning in [plaats] , waar op
24 oktober 2023 door de politie een hennepkwekerij is aangetroffen. Met het bestuursdwangbesluit heeft het college op grond van artikel 13b van de Opiumwet een last onder bestuursdwang opgelegd. Deze last hield in dat de woning gesloten diende te worden voor de duur van drie maanden. Het college heeft de sluiting laten uitvoeren door een slotenmaker. Deze heeft op 27 november 2023 een nieuw slot geplaatst en op
27 februari 2024 het oude slot van de woning teruggeplaatst, waarna een medewerker van de gemeente het eerder door de slotenmaker geplaatste slot heeft meegenomen.
3.1.
Het college wil de kosten van de bestuursdwang op eiser verhalen. Het college had deze kosten vastgesteld op een bedrag van € 237,65. Dit bedrag bestond uit € 110,- voor rij- en montagekosten bij de sluiting op 27 november 2023, € 57,65 voor het bij die sluiting geplaatste slot en € 70,- voor rij- en montagekosten bij de opening van de woning op
27 februari 2024.
3.2.
Met het bestreden besluit heeft het college het door eiser te betalen bedrag verlaagd tot € 70,-. De reden daarvoor is dat eiser geen mogelijkheid heeft gekregen om zelf aan de last te voldoen ter voorkoming van de uitvoering van de bestuursdwang door het college. De kosten van € 70,- had eiser ook gemaakt indien de last goed was geformuleerd en eiser zelf een slotenmaker had moeten inschakelen, zodat deze kosten alsnog op eiser worden verhaald.
4. Eiser wil de kosten niet betalen. Hij voert in beroep aan dat de kosten van de woningsluiting niet op hem mogen worden verhaald, nu hij niet de kans heeft gekregen om zelf aan de last te voldoen. Dat hij ook € 70,- aan kosten had gemaakt indien hij zelf aan de last had voldaan, doet dan niet meer ter zake. Bovendien klopt dat niet, aangezien eiser zelf het slot had kunnen vervangen en daar geen slotenmaker voor had hoeven inschakelen. Verder voert eiser aan dat het college tegen de veroorzaker van de woningsluiting (de voormalige huurder) geen invorderingsmaatregelen heeft getroffen. Eiser vindt dat hij als eigenaar ten onrechte harder wordt aangepakt en wil duidelijkheid over welke kosten nu op hem en op de voormalige huurder worden verhaald. Tot slot stelt eiser dat het college fout op fout heeft gemaakt en dat daarom van het kostenverhaal moet worden afgezien. Eiser heeft tijdens de hoorzitting in bezwaar ook aangegeven dat hij de door hem geleden schade op de gemeente wil verhalen, maar daar heeft het college ten onrechte niets mee gedaan.
Wat is het toetsingskader?
5. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of het college de kosten van bestuursdwang van € 70,- in redelijkheid bij eiser in rekening heeft kunnen brengen.
5.1.
In artikel 5:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat dat de toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.
5.2.
Volgens de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (de Afdeling), de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken, gaan uitoefening van bestuursdwang en kostenverhaal als regel samen. [1] Voor het maken van een uitzondering hierop kan aanleiding bestaan als de betreffende persoon geen verwijt valt te maken over de ontstane situatie of als bij het ongedaan maken van de strijdige situatie het algemeen belang in die mate is betrokken, dat moet worden geoordeeld dat de kosten in redelijkheid niet of niet geheel voor rekening van die persoon moeten komen. Ook andere, bijzondere omstandigheden kunnen het bestuursorgaan nopen tot het geheel of gedeeltelijk afzien van het kostenverhaal. In dat laatste geval is het aan de belanghebbende om aannemelijk te maken dat er bijzondere omstandigheden zijn waardoor de kosten van de bestuursdwang redelijkerwijs niet of niet geheel voor zijn/haar rekening behoren te komen.
Is eiser overtreder?
6. Het college heeft eiser in het bestuursdwangbesluit aangemerkt als overtreder. Volgens het college heeft eiser zich – kort gezegd – niet op de hoogte gesteld van de identiteit van de huurder en onvoldoende toezicht gehouden op het gebruik van de woning. Het college heeft verder opgenomen dat de kosten die verbonden zijn aan de toepassing van de bestuursdwang op eiser zullen worden verhaald. Dit bestuursdwangbesluit is onherroepelijk. Ter zitting heeft eiser desgevraagd bevestigd dat in deze procedure niet meer in geschil is dat hij in juridische zin overtreder is.
Zijn er bijzondere omstandigheden waardoor de kosten van bestuursdwang niet (geheel) voor rekening van eiser behoren te komen?
7. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen bijzondere omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt waardoor de kosten van bestuursdwang redelijkerwijs niet (geheel) voor zijn rekening behoren te komen.
7.1.
Uit het bestreden besluit volgt dat het college de last niet goed heeft geformuleerd, door eiser niet zelf in de gelegenheid te stellen aan de last te voldoen. Dat is voor het college reden geweest om de te verhalen kosten te matigen tot éénmaal de rij- en montagekosten van de slotenmaker van € 70,-. De rechtbank acht deze kosten redelijk en noodzakelijk. Anders dan eiser is de rechtbank namelijk van oordeel dat eiser deze kosten ook had gemaakt indien hij wel in de gelegenheid was gesteld om aan de last te voldoen. Het college zou dan naar het oordeel van de rechtbank de last zo hebben kunnen formuleren dat eiser zelf een slotenmaker zou moeten inschakelen en dat eiser dus niet zelf het slot zou mogen vervangen. Door de inzet van een slotenmaker wordt immers de kwaliteit van het te plaatsen slot geborgd en heeft het college enige controle over wie er over een sleutel beschikt gedurende de sluiting. Dat het college dezelfde controle zou hebben wanneer eiser een nieuw slot nog in de verpakking mee zou brengen naar de sluiting van de woning, acht de rechtbank niet zonder meer aannemelijk. Het college kan dan immers niet controleren of er niet toch sleutels van het betreffende slot in omloop zijn en kan in dergelijke gevallen met allerlei praktische belemmeringen en onvoorziene omstandigheden te maken krijgen. Dat er volgens eiser ook manieren zijn om voor een door een slotenmaker geplaatst slot een sleutel te verkrijgen neemt – wat daar ook van zij – niet weg dat het college redelijkerwijs de aanwezigheid van een slotenmaker kan vereisen om aan de last te voldoen.
7.2.
Dat het college naast het onjuist formuleren van de last nog een fout heeft gemaakt, door in de herziene verhaalsbeschikking een bezwaarclausule op te nemen in plaats van een beroepsclausule, acht de rechtbank ook geen bijzondere omstandigheid waardoor de kosten van bestuursdwang niet (geheel) op eiser kunnen worden verhaald. Het betreft wel een gebrek maar de rechtbank passeert dat gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Eiser heeft namelijk tijdig bezwaar gemaakt en dit bezwaar is door het college conform haar wettelijke verplichting doorgezonden naar de rechtbank. Eiser is hierdoor dus niet in zijn belangen geschaad.
7.3.
Nu er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, komt de rechtbank tot de conclusie dat het college de kosten van € 70,- in redelijkheid op eiser kan verhalen.
Is van belang of het college invorderingsmaatregelen treft tegen de voormalige huurder?
8. Ter zitting is door het college toegelicht dat de voormalige huurder ook een kostenverhaalbesluit heeft ontvangen. Er zijn daarna, in afwachting van de uitkomst van deze procedure, nog geen invorderingsmaatregelen getroffen. Het college wenst eerst duidelijkheid over de (on)mogelijkheden in het kader van het kostenverhaal en kiest er daarom voor om het kostenverhaal van eiser en de voormalige huurder gelijk op te laten gaan.
8.1.
De rechtbank overweegt dat er geen rechtsregel aan in de weg staat om iedere overtreder hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor betaling van de kosten van de uitoefening van bestuursdwang. [2] Dat betekent dat het college de volledige kosten op elk van de overtreders kan verhalen. Hoewel de rechtbank het invoelbaar acht dat eiser vindt dat het college in de eerste plaats de voormalige huurder zou moeten aanspreken voor de kosten van bestuursdwang, nu hij de feitelijke overtreder is, bestaat daartoe dus geen wettelijke verplichting. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft eiser recht op vergoeding van door hem geleden schade?
9. Ter zitting heeft eiser desgevraagd bevestigd dat hij niet heeft bedoeld een schadevergoedingsverzoek in te dienen bij de rechtbank, maar dat hij vindt dat het college op het verzoek om schadevergoeding dat hij tijdens de hoorzitting in bezwaar mondeling heeft gedaan had moeten reageren.
9.1.
De rechtbank overweegt dat een eventueel verzoek om schadevergoeding aan het college los staat van het besluit tot kostenverhaal dat voorligt in deze beroepsprocedure. Anders gezegd, indien eiser mondeling een schadevergoedingsverzoek heeft gedaan en het college daarop niet heeft gereageerd, maakt dat het besluit dat ter toetsing voorligt in deze procedure niet onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet. Ter zitting is besproken dat eiser zich (nogmaals) tot het college kan wenden met zijn schadevergoedingsverzoek.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het college de kosten van bestuursdwang van € 70,- op eiser kan verhalen.
10.1.
Als gevolg van het in rechtsoverweging 7.2 geconstateerde gebrek moet het college het door eiser betaalde griffierecht vergoeden. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is verder niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • bepaalt dat het college aan eiser het betaalde griffierecht van € 187,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Leijten, rechter, in aanwezigheid van N.I.W. Smeets, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2026
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 22 januari 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie onder meer de uitspraak van 23 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3390).
2.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 10 mei 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1245).