ECLI:NL:RBMAA:2006:AZ3649
Rechtbank Maastricht
- Eerste aanleg - meervoudig
- I. Becker-Hartenhof
- Th.J.M. Oostdijk
- Th.A.J.M. Provaas
- Rechtspraak.nl
Uitlevering aan Turkije afgewezen wegens voltooide schending artikel 3 EVRM door foltering
De rechtbank Maastricht behandelde het uitleveringsverzoek van Turkije tot uitlevering van een persoon die verdacht wordt van lidmaatschap van de PKK en andere feiten in de periode 1991-1996. De verdediging voerde meerdere verweren aan, waaronder onrechtmatig optreden van het openbaar ministerie, ontoereikendheid van stukken, verjaring, het ontbreken van dubbele strafbaarheid en vooral dat de opgeëiste persoon in Turkije was gefolterd.
De rechtbank oordeelde dat het verweer van onrechtmatig optreden en schending van de procesorde niet slaagt omdat de Uitleveringswet geen sancties kent zoals bewijsuitsluiting. Het belangrijkste verweer betrof de voltooide schending van artikel 3 EVRM Pro en het VN-Folteringsverdrag door foltering in 1989, die het recht op vrijwaring van foltering fundamenteel beschermt.
De rechtbank nam het asielrelaas, de eigen verklaring van de opgeëiste persoon en verklaringen van medestudenten serieus, ondersteund door rapporten van Amnesty International en Human Rights Watch die de situatie in Turkije in 1989 bevestigen. Gelet op het verband tussen de foltering en de feiten waarvoor uitlevering wordt verzocht, concludeerde de rechtbank dat sprake is van een voltooide schending van artikel 3 EVRM Pro.
Daarom verklaarde de rechtbank de uitlevering aan Turkije ontoelaatbaar en hief zij de uitleveringsdetentie van de opgeëiste persoon op. Dit oordeel sluit aan bij eerdere jurisprudentie waarin het folterverbod als dwingend recht werd erkend dat andere verdragsverplichtingen overstijgt.
Uitkomst: De uitlevering aan Turkije wordt afgewezen wegens voltooide schending van artikel 3 EVRM door foltering.