ECLI:NL:RBMAA:2012:BW5798

Rechtbank Maastricht

Datum uitspraak
22 maart 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
169902/HA RK 12-36
Instantie
Rechtbank Maastricht
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37 lid 1 RvArt. 37 lid 4 RvArt. 278 leden 2 en 3 RvArt. 281 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot wraking rechter niet-ontvankelijk wegens tijdigheid en inhoudelijke gelijkheid

Verzoekster, een besloten vennootschap, heeft een verzoek tot wraking van een rechter ingediend bij de Rechtbank Maastricht. Dit verzoek was inhoudelijk gelijk aan een eerder verzoek dat op 13 februari 2012 was ingediend, maar toen niet door een advocaat was ondertekend, waardoor het niet-ontvankelijk werd verklaard.

De wrakingskamer stelde vast dat het nieuwe verzoek wel door een advocaat was ingediend, maar inhoudelijk niet verschilde van het eerdere verzoek. Verzoekster had geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die na het eerdere verzoek bekend waren geworden. Hierdoor voldeed het verzoek niet aan de eisen van tijdigheid en nieuwheid zoals gesteld in artikel 37 lid 1 en Pro lid 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

De rechter die werd gewraakt had aangegeven niet in het verzoek te berusten en verscheen niet op de wrakingszitting. De wrakingskamer besloot daarom verzoekster niet-ontvankelijk te verklaren in haar wrakingsverzoek. Dit oordeel werd gebaseerd op de wettelijke bepalingen en vaste jurisprudentie omtrent de wrakingsprocedure.

Uitkomst: Verzoekster is niet-ontvankelijk verklaard in haar wrakingsverzoek wegens niet tijdige indiening en gebrek aan nieuwe feiten.

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT
Sector Civiel
Datum uitspraak : 22 maart 2012
Zaaknummer : 169902 / HA RK 12-36
De meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken
in de zaak
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Mr. [VERZOEKER].,
gevestigd te Amsterdam (hierna: verzoekster),
voor wie zich in deze wrakingszaak als advocaat heeft gesteld mr. M.L. Cohen
en die een verzoek tot wraking heeft ingediend van:
mr. [RECHTER], rechter in deze Rechtbank (hierna: de rechter)
1.Het verloop van de procedure
Bij een op 15 maart 2012 ter griffie van de Rechtbank Maastricht ingekomen faxbericht heeft
mr. M.L. Cohen namens verzoekster verzocht om wraking van mr. [RECHTER] in de zaak met procedurenummer 159768 HA ZA 11-265 tussen de partijen [XX] (wederpartij) enerzijds en verzoekster anderzijds, beide in rechte vertegenwoordigd door een advocaat.
Op 20 maart 2012 heeft de rechter de wrakingskamer meegedeeld dat hij niet in het verzoek tot wraking wenst te berusten. De rechter heeft een schriftelijke reactie op het verzoek ingediend. Voorts heeft hij meegedeeld dat hij niet ter zitting van de wrakingskamer zou verschijnen.
De wrakingskamer heeft de datum van de uitspraak bepaald op heden.
2.Overwegingen
Verzoekster heeft al eerder, op 13 februari 2012, een verzoekschrift tot wraking van de rechter ingediend. Bij beschikking van 16 maart 2012 heeft de wrakingskamer verzoekster met toepassing van artikel 281 lid 2 tweede Pro volzin van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) niet-ontvankelijk in dit verzoek verklaard.
De wrakingskamer stelt vast dat het huidige verzoek, in tegenstelling tot het op 13 februari 2012 door verzoekster ingediende verzoek, wel namens verzoekster door een advocaat is ingediend. De inhoud van het verzoekschrift is echter gelijkluidend aan het verzoekschrift van 13 februari 2012.
Met betrekking tot het huidige verzoek overweegt de wrakingskamer als volgt.
Voorafgaand aan de zitting van 12 maart jl. heeft verzoekster de wrakingskamer meegedeeld dat zij geen reden zag het door de Rechtbank geconstateerde verzuim te herstellen. Evenmin heeft de wrakingskamer op dat moment nadere stukken ontvangen, zodat zij uit mocht gaan van de op 12 maart jl. ter zitting vastgestelde situatie op grond waarvan zij na de zitting de beslissing heeft genomen.
De wrakingskamer heeft haar beschikking van 16 maart 2012 genomen op grond van de volgende overwegingen:
“Uit artikel 278 leden Pro 2 en 3 Rv volgt dat het verzoekschrift, gelet op de aard van de procedure waarin het wrakingsverzoek is gedaan, ondertekend dient te zijn door een advocaat (zie ook HR 18 december 1998, NJ 1999, 271). Mocht niet aan deze eis zijn voldaan, dan wordt de verzoeker op grond van artikel 281 lid 2 Rv Pro de gelegenheid geboden dit verzuim te herstellen.
Het op 13 februari 2012 ontvangen verzoekschrift is niet (mede) ondertekend door een advocaat en voldoet daarom niet aan de zojuist vermelde wettelijke bepalingen. Gelet op voornoemde artikelen en de vaste jurisprudentie hieromtrent heeft de Rechtbank in de uitnodiging voor de wrakingszitting van 12 maart 2012 verzoekster op dit verzuim gewezen en haar de gelegenheid geboden dit te herstellen. In haar reactie heeft verzoekster het standpunt ingenomen dat zij geen reden ziet aan het verzoek van de wrakingskamer te voldoen, nu de wrakingskamer deze eis niet heeft gesteld bij het door verzoekster ingediende wrakingsverzoek van 7 december 2011.
Omdat verzoekster geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid haar verzuim te herstellen, dient verzoekster op grond van artikel 281 lid 2 tweede Pro volzin Rv niet-ontvankelijk in het verzoek te worden verklaard. Voor zover verzoekster heeft beoogd te betogen dat zij er gelet op de beschikking van de wrakingskamer van 19 januari 2012 op had mogen vertrouwen dat zij opnieuw in haar verzoek ontvangen zou worden, is de wrakingskamer van oordeel dat dit vertrouwen niet gerechtvaardigd is, omdat verzoekster in deze procedure uitdrukkelijk op de gevolgen van het niet herstellen van haar verzuim is gewezen en zij willens en wetens niet tot herstel van het verzuim is overgegaan.”
De wrakingskamer is van oordeel dat uit deze overwegingen aanstonds blijkt dat het huidige verzoek, dat gelijkluidend is aan het op 13 februari 2010 ingediende verzoek, niet is gedaan zodra de feiten of omstandigheden die voor verzoekster aanleiding voor het verzoek zijn geweest aan haar bekend zijn geworden. Daarmee heeft verzoekster niet voldaan aan de door artikel 37 lid 1 Rv Pro gestelde eis om toegang te krijgen tot de wrakingsprocedure.
Ook artikel 37 lid 4 Rv Pro staat eraan in de weg verzoekster in het huidige verzoek ontvankelijk te verklaren. Het huidige verzoek ziet immers op wraking van dezelfde rechter, zonder dat feiten of omstandigheden zijn voorgedragen die pas na het eerdere, op 13 februari 2012, ingediende verzoek aan de verzoekster bekend zijn geworden. Artikel 37 lid 4 Rv Pro schrijft in zo’n geval voor dat het verzoek niet in behandeling wordt genomen.
Op grond van het voorgaande verklaart de wrakingskamer verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek.
De beslissing
De wrakingskamer verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking van
mr. [RECHTER].
Deze beschikking is gegeven door mr. R.E. Bakker, voorzitter, mr. M.C.A.E. van Binnebeke, rechter en mr. H.W.M.A. Staal, rechter, in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.
MJ