ECLI:NL:RBMID:2005:AU5245
Rechtbank Middelburg
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens niet aannemelijke verzending en termijnoverschrijding
Eiser stelde bezwaar tegen een besluit van 29 juli 1999 over een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Hij voerde aan dat hij tijdig bezwaar had gemaakt op 30 augustus 1999, samen met een brief van 31 augustus 1999, maar verweerder betwistte ontvangst van het bezwaarschrift. De rechtbank oordeelde dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat het bezwaarschrift daadwerkelijk was verzonden, mede omdat hij pas na een verzoek van de rechtbank stelde dat bezwaarschrift en brief in één envelop waren verzonden.
Daarnaast werd vastgesteld dat de brieven van 2 en 15 december 2004 slechts informatief waren en geen besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, zodat bezwaar daartegen niet ontvankelijk kon worden verklaard. De rechtbank stelde vast dat het bestreden besluit tweeledig was: niet-ontvankelijkheid van het vermeende bezwaarschrift van 1999 wegens termijnoverschrijding zonder verschoonbare reden, en niet-ontvankelijkheid van het bezwaar tegen de informatieve brieven.
De rechtbank concludeerde dat het bezwaar van 16 december 2004 als eerste bezwaarschrift moest worden beschouwd, maar dat dit te laat was ingediend. Omdat geen verschoonbare reden was aangevoerd, werd het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen deze beslissing werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet aannemelijke verzending en overschrijding van de bezwaartermijn zonder verschoonbare reden.